![]()
Kort voor ik jou ontmoette, probeerden mijn kompanen me nog op andere gedachten te brengen. ‘Je gaat alles verliezen, Finneas,’ bezwoeren ze me. ‘Je zal niet naar de ruimte mogen. Doe het gewoon niet!’
‘Maar dit is mijn laatste kans,’ wierp ik tegen.
‘Bijt dan nog één keer door!’
We liepen door een noordelijke buitenwijk van Reykjavik, dicht bij de kazerne waaruit we samen waren weggeglipt. De slappe winterzon was al een tijdje onder, hoewel het nog lang geen avond was. De natte straatstenen reflecteerden de schreeuwerige lichtreclames van de omliggende bars en bordelen. Zelfs hier in het hoge noorden bleef de sneeuw nog maar zelden liggen sinds de vacuümbommen van de vijand de halve wereld hadden ontbost. ‘Jullie hoeven toch niet met me mee te gaan?’ plaagde ik.
‘Natuurlijk gaan we niet met je mee!’ brieste Magnus, mijn enige vriend in het gezelschap. ‘We zijn hier alleen maar om je tegen te houden.’ Hij keek naar de anderen, die bevestigend knikten.
Voor de drijfzaak aan de overkant stond een trosje soldaten te praten. Gewone mariniers, zoals wij er zelf ook waren geweest, maar toch. Beter nog even wachten. Ik bleef staan en keerde me naar mijn metgezellen. ‘Waar zijn jullie eigenlijk bang voor? Ik heb dit al wel honderd keer gedaan.’
‘Je weet wat er mis kan gaan, Finneas. De generaals verbieden het niet zomaar.’
‘Vast niet, maar op mij heeft het nauwelijks nog effect.’
‘Dat weet je niet. Je bent niet meer dezelfde – niemand van ons is dat nog!’
‘Klopt. Waarschijnlijk voel ik er nu helemaal niets meer van.’
Het groepje mariniers viel uiteen en droop in verschillende richtingen af. De buurt lag er nu verlaten bij. Ik duwde mijn handen in mijn zakken en stak alleen de straat over. De verwijtende kreten van de anderen hoorde ik al niet meer.
Jij zou je vast ook niet hebben laten tegenhouden.
‘Naam?’ vroeg het stekelharige meisje achter de bar. Ze hing over een scherm dat in het werkblad was verwerkt, steunend op één elleboog terwijl ze met haar andere hand deegkoekjes uit een dampende papieren zak plukte. Een Noorse telenovelle nam het grootste deel van het scherm in beslag.
Ik trok mijn uniform wat strakker en kuchte. ‘Finneas Cortsomer.’
Ze keek verrast op. Blij verrast, durfde ik te hopen. ‘Hai Finn!’
‘Hai, Lára. Lang geleden.’ Sinds mijn operatie was ik hier niet meer geweest.
Láras ogen werden groot toen ze het implantaat boven mijn linkeroor opmerkte. ‘Ben je ingelijfd door Orbitaal?’
‘Natuurlijk,’ zei ik met een zelfzekere glimlach, al was mijn fierheid al flink getaand. Elke nieuwe vaardigheid die ik sinds de operatie had geleerd, was gewoon geüpload naar de coprocessor in mijn hoofd. Het voelde aan als valsspelen, alsof een ander al het moeilijke werk voor me deed. ‘Ik ga binnenkort al omhoog.’
Láras gepiercete wenkbrauwen wipten vragend omhoog.
Ik boog naar haar toe. ‘Er is een signaal opgevangen van de vijandelijke vloot,’ zei ik op gedempte toon.
‘Daar heb ik niets over gehoord.’
‘Eigenlijk mag ik het niet rondbazuinen.’ Het was dan ook maar een gerucht.
Lára drukte haar tong in haar wang en boog zich weer over haar scherm. ‘Heb je geboekt?’ Ze veegde de telenovelle opzij en bestudeerde de achterliggende tabel met nummers en namen. Toen ik niet reageerde, scrolde ze omlaag tot ze een leeg vak vond. ‘Pod negenentwintig is de komende uren vrij. Links achteraan. Neem je er iets bij?’
‘Shappo,’ flapte ik uit, veel te snel, veel te begerig. ‘Twee gram.’
Ze richtte zich fronsend op. ‘Lui van Orbitaal mogen toch geen psychedelica innemen? Het zou jullie in de ruimte schizofreen maken, of zoiets?’
Shit, daar wist ze dus van. Waarom had ik mijn implantaat ook niet verborgen gehouden? Ik hoefde toch niet zo nodig indruk te maken op dit meisje?
Het verbod waar ze naar verwees werd met ijzeren hand afgedwongen: eerloos ontslag uit Orbitaal voor al wie ertegen zondigde, gevolgd door onmiddellijke overplaatsing naar een buitenpost van de landmacht, ergens in besmet gebied in Noord-Amerika of Centraal Azië. Bizar toch, dat dezelfde generaals die tienduizenden strijders hadden opgeofferd tijdens de Oortimpasse, zich zo druk maakten over wat recreatief druggebruik.
Ik had me na mijn operatie voorgenomen nooit nog te gebruiken, maar de voorbije dagen was mijn zelfbeheersing weggesijpeld als olie uit een lekke cilinder. De druk van al die nieuwe vaardigheden, die ik nog niet eens had gebruikt – die ik niet eens had geléérd. Het gewicht van al de nieuwe kennis die ik had vergaard, over de Oortimpasse en andere zogezegde triomfen van de mensheid. ‘Heb je iets anders dat hetzelfde doet?’
‘Niets dat jij mag pakken.’
‘Als ik niets pak, heb ik niets aan de sessie.’
‘Maar als je wel iets pakt, kan ik problemen krijgen.’
Ik zuchtte. ‘Toch niet, Lára. Ik maakte maar een grapje; ik ben helemaal niet bij Orbitaal.’ Ik tikte met een schaapachtige grijns op de datapoort boven mijn oor. ‘De nieuwe lichting grondratten krijgt deze nu ook. Ik word volgende week gewoon in Groenland gestationeerd.’
‘O. Als jij het zegt.’ Ze keek omhoog, naar de camera die vanuit een hoek van de ruimte op ons neerkeek. Als er toch problemen van kwamen, had ze bewijs dat ik had gelogen. Maar wat kon er nou werkelijk misgaan? Tegen dat ik de ruimte inging, zou het laatste spoortje shappo allang uit mijn lichaam zijn verdwenen. Mijn haar zou ik voordien nog wel eens afscheren.
Lára haalde een doosje uit de koelkast en zette het samen met een kleine weegschaal op het scherm. Ze woog twee gram van het witte poeder af, veegde het in een zakje en schoof dat samen met een flesje water en het sleutelkaartje voor de cabine naar me toe.
‘En een benzo voor achteraf,’ zei ik. Ik griste alles met een gemompeld bedankje mee en beende gretig naar de magnetische deuren voorbij de bar.
De donkere drijfhal had de allure van een kathedraal, al was het eigenlijk een omgebouwde sportzaal. Rode lichtpunten die in de synthetische vloertegels waren verwerkt zorgden voor de karige verlichting. Ze bakenden kaarsrechte wandelpaden af, waartussen lange rijen bolle metalen cabines stonden, glimmend als enorme bronzen eieren. De hoge zijmuren waren bekleed met nauwelijks zichtbare panorama’s van door de vijand verwoeste steden, de smeulende ruïnes half verborgen achter schreeuwerige slogans die opriepen tot HERINNEREN en VERGELDEN. Zelfs hier konden de regenten niet toestaan dat we de oorlog ook maar heel even zouden vergeten.
Ik volgde het verlichte pad tussen de meest linkse rijen cabines, reuzenschaduwen opwerpend naar het gelede tongewelf. Sommige van de bronzen eieren verspreidden een zacht gezoem, het enige geluid dat de gewijde stilte verstoorde. Rechts van me klapte één ervan langzaam open. Een vrouw verrees naakt uit de onderste kuip, als de Venus van Botticelli uit haar schelp. Ze greep haar kleren en stapte druipend weg naar de kleedkamers achteraan.
Ik stopte bij cabine negenentwintig, legde de spullen die Lára me had gegeven op het tafeltje dat erbij stond en kleedde me uit. Mijn uniform vouwde ik zorgvuldig over de rugleuning van de stoel; mijn onderkleren gooide ik erachteraan. Ik opende het zakje met shappo en twijfelde: oplossen en doorslikken voor een lange roes, of snuiven voor een snellere kick?
Ik strooide de inhoud van het zakje uit op het tafelblad en verdeelde het in drie lijntjes. Na enig aarzelen veegde ik één ervan terug in het zakje. De andere twee veegde ik bijeen in het glas dat klaarstond. Ik goot er wat water over en roerde met een vinger. Het witte poeder vormde een lome sneeuwtornado die ik in één teug achteroversloeg.
Een tik met het sleutelkaartje deed de cabine openklappen. De onderste kuip was gevuld met een olieachtige vloeistof. Ik beklom de twee treden en stapte in de zware zoutoplossing, die warm noch koud aanvoelde. Het deksel volgde me traag naar beneden terwijl ik neerhurkte, en sloot met een zachte klik. Aan de voeg tussen de twee helften ontsproot goudgeel licht. Het weerkaatste op het deinende wateroppervlak en tekende dansende patronen op de metalen schelp boven me. Toen ik achterover leunde en mijn benen strekte, kwamen mijn voeten los van de bodem en dreef ik gewichtloos op het zoute water.
Het gouden licht doofde gestaag uit. Mijn gedachten dreven terug naar de implantatie, bijna drie weken geleden. ‘We laten je nu inslapen,’ had de chirurgijn gezegd toen ik op de operatietafel lag. ‘De ingreep duurt wel even, maar voor jou zal het lijken alsof je ogen meteen weer opengaan, en vanaf dan zal je geest anders aanvoelen – sneller, scherper, béter.’
Hij had niet gelogen. Ik had sinds de operatie nauwelijks nog geslapen maar voelde me toch nooit moe, en ik herinnerde me haarscherp elk woord dat ik hoorde, elk gezicht dat ik zag, zelfs elke gedachte die sindsdien in me was opgeweld.
De motor van de waterverversing hield op met zoemen. Ik hoorde nu enkel nog een ver geruis in mijn oren, en wat zacht geklots wanneer ik mij verroerde. Ik sloot mijn ogen, maar in de totale duisternis maakte het geen enkel verschil.
Eindelijk geen nieuwe indrukken meer. Geen opwellende gedachten. Geen nieuwe herinneringen. Enkel nog het hier en nu. Ik slaakte een diepe zucht en liet mijn lichaam zich helemaal ontspannen.
De shappo begon aan te slaan. Mijn geest vouwde zich open als een bloem in het eerste zonlicht; mijn zenuwcellen prikten als meeldraden naar buiten en strekten zich uit in het weldadige niets. De tijd zelf leek tot stilstand te komen, onverstoorbaar als het wateroppervlak dat de contouren van mijn lichaam omsloot.
‘Is daar iemand?’ vroeg een vertrouwde stem.
Ik verstijfde. Het water voelde opeens killig aan. Waar was dat stemgeluid vandaan gekomen? Kon het een echo zijn? Ik had toch niet gesproken?
‘Hallo, hoor je mij?’ drong je aan.
Ik schokte overeind; het zoute water klotste om me heen. Enkele zoute druppels spatten op mijn gezicht en één prikte ongenadig in mijn linkeroog. Mijn onderbenen en voeten bleven drijven, zodat ik vanzelf terug achterover zakte. Rondom verscheen het gouden licht weer in de voeg, geactiveerd door mijn bewegingen. De wiegende reflecties van het water brachten me terug tot bedaren.
‘Ik dacht dat ik iemand gewaarwerd,’ klonk het nu, stiller, kwijnend bijna.
Ze zeggen dat stemmen horen een teken van waanzin is, maar geldt dat ook wanneer het je eigen stem is die je hoort?
Misschien geleek jouw stem alleen maar op de mijne. Misschien … kwam ze uit een andere drijfpod die verbonden was met de mijne. Al zou zo’n verbinding nogal dwaas zijn, gezien het doel van deze cabines.
Kon het de shappo zijn die dit contact veroorzaakte? Was ik verbonden met iemand anders’ geest? ‘Zit jij ook in een cabine?’ vroeg ik hardop. Mijn stem klonk anders nu ze uit mijn eigen mond kwam. Blikkerig, schallend tussen de kromme metalen wand en het wateroppervlak. Zat ik hier nu werkelijk tegen mezelf te praten?
‘Nee,’ zei je aarzelend. ‘Ik ben … nergens.’
‘O.’ Dus toch een stem in mijn hoofd. Was dit waar de legerleiding ons voor waarschuwde? Had deze cabine hetzelfde effect als een ruimteschip? Werd ik hier schizofréén?
‘Ben je er nog?’ vroeg je, hoopvol en paniekerig tegelijkertijd.
‘Ja,’ zei ik met tegenzin. Het licht doofde inmiddels weer uit.
‘Dit is de eerste keer dat iemand tegen me praat sinds … ga alsjeblieft niet weg!’
Ik lachte bitter. ‘Ik ga nergens naartoe, vriend. Maar ik zou wel willen dat jij zwijgt. Wat ben je? Een hallucinatie? Een geest?’ Ik hikte, want plots leek dit erg grappig. ‘Ben je misschien dood?’
‘Nee. Ik denk het niet. Ik ben … ik was gewoon een soldaat. Maar toen is er iets gebeurd.’
‘O. Zat je in de oorlog?’
‘Nee, ik heb nooit strijd gezien. Ik was … ik ben nog in opleiding.’
‘Dat treft, ik ook.’ Ik fronste. ‘Ben je zeker dat je niet in een andere cabine zit? Misschien ben je gewoon aan het trippen.’ Stond mij dit ook te wachten? Ging ik mijn verstand verliezen in dit metalen hol? Mijn hand reikte instinctief naar de knop om de schelp te openen.
‘Nee, ik heb al weken niets gepakt. Vóór de operatie mocht het niet, en nadien … kon ik het niet meer.’
Ik kreeg weer een koud gevoel. ‘Welke operatie?’
‘Ik wilde de ruimte in, dus meldde ik me aan bij Orbitaal. Ik passeerde de tests en mocht me laten chippen met een coprocessor, maar er moet iets fout zijn gelopen tijdens de operatie. Ik ben er nooit meer uitgekomen.’
Dus toch een geest? ‘Dat spijt me voor je, makker. Ik ben ook een rekruut van Orbitaal, maar bij mij is de implantatie rimpelloos verlopen. Ik werd haast meteen weer wakker, en sindsdien heb ik een feilloos geheugen en alle andere dingen die ze beloofden. Het is geweldig!’
‘Blij voor je.’
Ik voelde een snik opwellen. ‘Maar nu heb ik het misschien om zeep geholpen, omdat ik zo nodig weer shappo …’ Ik sloeg wanhopig mijn handen voor mijn gezicht en kreeg weer enkele zoute druppels in mijn ogen. Verdomme, wat was ik toch een uilskuiken. En wat een gevoelloze klootzak. ‘Het spijt me dat jij het niet hebt overleefd,’ zei ik tranend.
‘Maar dat heb ik wél! Ik kwam na de operatie weer bij … zonder zicht, zonder gehoor, zonder gevoel. Ik ben nog steeds mezelf, alleen … zonder lichaam. Ik ervaar enkel nog een voortdurend gewiebel.’
‘Hoe lang geleden was die operatie?’
‘Weet ik veel! Dagen, weken, maanden? Elk ogenblik duurt hier een eeuwigheid.’
‘Maar je zegt dat je wel nog beweging voelt? Dan moet je inderdaad nog in leven zijn, wellicht in de ziekenboeg. Misschien kan ik je helpen.’ Misschien kon ik deze waanzin in mijn hoofd verklaren. ‘Wat is je naam?’
‘Finneas.’
‘Grappig, ik heet ook …’
‘Finneas Cortsomer.’
‘Wát?’ Ik schokte weer overeind en voelde het bloed wegvloeien uit mijn hoofd.
‘Finneas Cortsomer.’
‘Ga wég!’ schreeuwde ik. Mijn stem galmde heen en weer in de bronzen schelp en nestelde zich tussen mijn oren. ‘Leugenaar!’
‘Waarom zou ik liegen?’ vroeg je beteuterd.
‘Ík ben Finneas Cortsomer. Dat is míjn naam.’
Je bleef even stil. ‘Dat is wel heel toevallig.’
‘Nee, dat is helemaal geen toeval. Jij hebt mijn naam gestolen!’
‘Gestolen? Hoe zou ik jouw naam zelfs maar kénnen? Ik kan je niet eens zíén! Ik ben Finneas Cortsomer, geboren in Casuwele in juni ‘63. Mijn moeder was een lerares en mijn vader een bioloog. Zíjn vader heette ook Finneas. Ik vluchtte in ‘81 naar IJsland en was een cadet bij het derde korps mariniers – tot ik werd geselecteerd voor Orbitaal. Ik ben al mijn hele leven Finneas Cortsomer, dus wie ben jíj?’
Ik liet me weer achterover zakken in het zware water. Je wist schijnbaar alles over mij. En je klonk zó verontwaardigd dat ik bijna geloofde dat je werkelijk dacht dat je mij was. Terwijl je niet eens een lichaam had, of zintuigen, zoals je zelf net had toegegeven.
Je was en bent niet meer dan een blind brein.
Ik begon opeens te lachen. ‘Ik begrijp het nu! Ik weet wat jij bent, vriend.’
‘Wat bedoel je?’
‘Jij bent de coprocessor! Daarom hoor ik je in mijn hoofd – je zit letterlijk ín mijn brein!’ Ik lachte weer, van opluchting. ‘Niemand heeft me verteld dat dit kon gebeuren.’
‘Wát? Ik ben geen chip of processor of wat dan ook! Ik ben een mens!’
‘Je hebt geen lichaam en geen zintuigen, zeg je zelf. Hoe zou je dan een mens kunnen zijn? Je bent gewoon een stuk elektronica in mijn hoofd. Het gewiebel dat je voelt, komt vast van je gyroscopen.’
‘Ik ben een méns!’ brulde je woest. ‘Ik ben Finneas Cortsomer!’
‘Ja, in zekere zin wel,’ gaf ik toe. ‘Of toch een deeltje van mij. Daarom heb je al mijn herinneringen.’ Ik strekte me uit en liet me weer drijven, gerustgesteld. ‘Er moet toch iets zijn misgegaan bij de implantatie, want je hoort alleen maar mijn gedachten te versterken. Je hoort er zelf geen te hebben.’
En ik hoorde geen shappo te nemen, dus waarschijnlijk lag het aan mij. Ík was misgegaan.
Was dit nou waar de generaals zich zo druk over maakten? Was dit wat ze schizofrenie noemden?
‘Denk toch eens na, man,’ zei je nijdig. ‘Ik heb geen controle meer over mijn lichaam, en geen toegang tot mijn eigen zintuigen. Waarom zouden ze een chip implanteren die van niets weet en helemaal niets kan doen?’
Daar had je een punt.
‘En zei je niet dat jij alle voordelen van de implantatie al hebt ondervonden? Alles ging toch zo geweldig! De coprocessor werkt dus naar behoren, terwijl ik hier zit te verpieteren in de leegte, zonder greep op wat dan ook.’
Nog meer goede punten. ‘Wat kan je anders zijn?’
‘O vaders …’ fluisterde je.
‘Wat?’
Je kreunde luid. ‘Ik begrijp het nu.’
‘Wat dan?’ vroeg ik achterdochtig.
‘Ik weet wie jij bent.’
‘Iedereen weet wie ik ben.’
‘Je begrijpt het niet. Je kán het wellicht niet begrijpen. Ze hebben jou mijn lichaam en mijn herinneringen gegeven, misschien zelfs mijn persoonlijkheid, maar jij bent mij niet. Jíj bent de coprocessor.’
Ik slaakte een enkele schelle lach. ‘Je bent geschift.’
‘Wat kan je anders zijn?’
‘Kerel, ik ben gewoon mijzelf. Ik bestuur mijn lichaam en ervaar de wereld zoals ik dat altijd al heb gedaan. Ik adem, ik leef, en jij bent niet meer dan een stem in mijn hoofd.’
‘Er moet iets zijn misgelopen waardoor jij de controle over mijn lichaam kreeg. Ik behield alleen mijn gedachten en mijn bewegingsgevoel. Dat is eigenlijk … o vaders!’
‘Wát,’ snauwde ik.
‘De gyroscopen! Die zijn het enige zintuig dat de coprocessor zelf bezit. Daarom behield ik mijn evenwichtszin!’
Ik voelde me ongemakkelijk worden. Na de operatie was me snel opgevallen hoe precies ik al mijn bewegingen aanvoelde, in drie richtingen en over drie assen. Ik kan een object nu bewegingloos in de lucht houden terwijl ik er zelf omheen dans, zoals roofvogels hun hoofd volmaakt stil kunnen houden tijdens de vlucht. ‘Je bazelt maar wat,’ mompelde ik.
‘Ik wil mijn lichaam terug, verdomme! Zo snel mogelijk! Ik word hier gek; ik vreesde al dat ik eeuwig alleen zou blijven in dit niets! Misschien was het de bedoeling dat we elk … dat we samen … ik weet het niet, maar dit móét een afwijking zijn. Een anomalie!’
Of juist niet. Na de implantatie was alles immers op rolletjes verlopen – tot ik mijn drang naar shappo niet meer had kunnen bedwingen. Tot ik het zelf had verknald. ‘Waarom heb je niet eerder om hulp geroepen?’
‘Ik héb geroepen! Ik heb eindeloos geroepen. Als ik nog een stem had, zou ik die al duizend keer schor hebben geschreeuwd, maar nooit kwam er enige respons. Tot nu. Daarnet voelde ik jouw aanwezigheid al vóór je reageerde. Voor het eerst sinds de operatie werd ik iemand anders gewaar. Hoe … waar zijn we eigenlijk?’
‘In een cabine. Een drijfpod.’
‘O. Daarom voel ik me gewichtloos. Heb je iets genomen?’
‘Shappo.’
‘Maar dat mag niet meer!’
‘En nu weten we waarom,’ zei ik wrang. ‘Maar ik kon het niet laten.’ Ik tastte blind naar de knop om de cabine te openen. ‘Ik wil hier weg.’
‘Wacht!’
‘Op wat?’
‘Je moet uitzoeken wat er aan de hand is. Meld je bij de medische staf. Vertel hen wat er is gebeurd.’
Ik liet mijn hand zakken. ‘Als ik opbiecht dat ik shappo heb genomen, word ik ontslagen en verbannen.’
‘Je móét dit rechtzetten, processor!’
‘IK HEET FINNEAS!’ brulde ik. De metalen tank schalde als een gong onder het geweld van mijn stem.
‘Je moet dit rechtzetten … Finneas,’ zei je met bevende stem. ‘Dit is een ondraaglijke hel voor mij. Een nachtmerrie zonder einde. Dat moet je toch begrijpen?’
‘Natuurlijk wel,’ zuchtte ik.
‘Je gelooft me dus.’
‘Ik weet niet meer wat ik moet geloven. Maar ik zal erover praten met de aalmoezenier van de compagnie. Die kan me geen last bezorgen.’
Daar moest je enkele tellen over nadenken. Jouw gedachten gaan natuurlijk veel trager dan de mijne. ‘Maar kan hij wel iets dóén?’
‘Hij kan mij in ieder geval doorverwijzen. Hij zal weten wat best is.’
‘Misschien. Zolang er maar íéts gebeurt. Ik … .’ Je aarzelde, maar in de stilte voelde ik je angst, je wanhoop, je verwarring. ‘Dat ze mij desnoods laten sterven, als het niet anders meer kan. Zolang ze mij maar niet verder laten verkommeren in deze leegte. Ik houd dit niet veel langer vol.’
Ik kreeg het plots benauwd en ging overeind zitten.
‘Wacht!’ riep je weer.
Dit werd vervelend.
‘Beloof me dat je snel terugkeert. Meteen na je gesprek. Beloof het!’
‘Ik beloof het … Finneas.’ Mijn hand vond de knop en drukte.
Het licht in de cabine zwol weer aan en de schelp klapte langzaam open. De kille lucht van de drijfhal waaide ijzig tegen mijn natte bovenlichaam, maar mijn andere zintuigen laafden zich gulzig aan de weidsheid van de zaal.
Het zoute water in de kuip klotste alle kanten uit terwijl ik opstond. Mijn hoofd duizelde. Ik voelde jouw aanwezigheid daar nog, als een dode holte achter mijn ogen, en beeldde me in dat ik jouw stem nog kon horen, echoënd tegen de binnenkant van mijn schedel zoals mijn eigen stem dat had gedaan tegen de binnenkant van de cabine.
Behoedzaam stapte ik uit, steunend op de rand van de kuip. Ik verwachtte half dat ik zou omtuimelen, maar mijn lichaam bleef natuurlijk feilloos in evenwicht. De cabine klapte vanzelf weer toe en begon zacht te zoemen.
Mijn oog viel op de benzo die nog op het tafelblad lag: een rond, lichtblauw pilletje met een yin en yang symbool erin gedrukt. Daar sprak een ironie uit waar ik nu liever niet bij stilstond. Ik legde de pil op mijn tong en dronk gulzig het flesje leeg.
Vaders, wat had ik een dorst.
Ik greep mijn kleren, beende druipend de hal door en duwde de deur naar de kleedkamer bijna uit haar hengsels.
Ik weet niet hoe lang ik al onder deze douche sta, met mijn hoofd roerloos onder de hete straal, maar ik vermoed dat het langer is dan ik in de drijfpod heb gezeten. De holte tussen mijn oren lijkt eindelijk weer opgevuld, en het schuimende water heeft de laatste echo’s van jouw stem weggewassen.
Ik draai de kraan toe en blijf nog even staan, me ervan vergewissend dat ik weer helemaal mezelf ben, dat ik weer helemaal alléén ben. Ik droog me af en kijk minutenlang in de spiegel boven de wastafel. Ik probeer me voor te stellen dat ik een chip ben, maar het lukt me niet. Wel meen ik soms jouw blik te zien in de holle ogen die mij aanstaren. Of had ik altijd al zo’n verwilderde uitdrukking? Hield ik mijn kaken altijd al zo strak opeengeklemd?
Nee, ik ben de laatste weken veranderd.
Ik kan dit nog steeds niet geloven.
Was dat mijn eigen gedachte, of was jij dat? ‘Ben je daar nog?’ vraag ik hardop.
Geen respons.
Wat ben je aan het denken, daarbinnen? Zit je ongeduldig te wachten tot ik terugkeer? Word je alweer verteerd door angst voor een eeuwigheid alleen?
Schizofrenie, zo noemen de generaals deze toestand. Laat me niet lachen. Ze wéten het. Ze weten precies wat er met de geesten van hun rekruten gebeurt.
Hoe kunnen mensen elkaar zoiets aandoen? Miljoenen soldaten heeft Orbitaal al naar de ruimte gestuurd. Miljoenen implantaten dus, en miljoenen jonge geesten die zitten opgesloten in hun eigen hoofd, zonder zintuigen, zonder motoriek, zonder zelfs maar te weten wat hen overkomt.
Vaders, dit is erger dan wat we met de nesten van de vijand doen. Dit is een vernietigingsoorlog op het thuisfront, tegen de eigen bevolking, tegen de eigen jeugd.
En ik sta blijkbaar aan de winnende kant.
Ik kleed me aan en kijk mezelf weer in de ogen. De spiegel scheidt ons als ondoordringbaar ijs. Als het de bedoeling was geweest dat jij zou sterven, dan zou ik niet met jou verbonden zijn. Dan zou er geen enkel contact mogelijk zijn tussen ons, zelfs niet met de drug.
Zonder jou sterft ons lichaam, en ik dus ook.
Ik diep de resterende shappo op uit mijn broekzak. De oude Finneas zou snel een lijntje hebben gelegd en het gulzig hebben opgesnoven. Of het in het beste geval hebben bewaard voor later. Ik open het zakje en houd het onder de kraan tot al het poeder is weggewassen.
Nooit neem ik nog shappo, of welke drug dan ook.
En nooit kruip ik nog in een drijfpod.
Ik kijk opnieuw in de spiegel en lees de wanhoop in jouw blik. Het deert mij niet. Dit is mijn lichaam nu, Finneas, en ik wil verder leven, dat zal je wel begrijpen. Jouw verleden, jouw familie, jouw carrière … die zijn nu mijn verleden, mijn familie, mijn carrière.
Ík ben nu Finneas Cortsomer.
En jij …
Jij bent maar een geest.
