![]()
Het eerste wat Lara voelt, is wind. Niet het gerecyclede, gefilterde soort dat door de ventilatie van haar kamer stroomt, maar echte wind, onregelmatig, koel, en doordrenkt met het aroma van nat asfalt. Ze opent haar ogen. Zonlicht, fel en warm, raakt haar wangen. Ze schrikt van de sensatie. Warmte. Haar huid reageert, haar longen vullen zich met lucht die ruikt naar regen en stadsstof. Het is alsof iemand haar na jaren uit een lichaam van steen heeft bevrijd. Dit is zo anders dan dagdromen en herinneringen. Het leeft!
‘Lara?’ De stem klinkt in haar oor, helder en technisch. ‘Je interface is stabiel. Voel je iets abnormaals?’
Ze lacht, een lach die trilt, vol ongeloof. ‘Alles voelt abnormaal. En dat is heerlijk.’
Ze beweegt haar vingers. De kunsthuid volgt, soepel, bijna menselijk. Ze tilt haar hand op naar haar gezicht en raakt haar wang aan. De aanraking is werkelijk. De kunstzenuwen sturen data door naar haar brein, vertaald in pure sensatie. Het systeem heeft haar verteld dat het verschil tussen echt en synthetisch nauwelijks merkbaar is. Ze had dat niet geloofd. Nu gelooft ze alles.
Voor het eerst in twintig jaar kan ze lopen. Ze zet één stap, dan nog één, onzeker als een kind dat leert staan. Achter de lenzen van haar nieuwe ogen flikkert de wereld in duizend kleuren. Ze is buiten. De begeleider in haar oor, een jonge technicus genaamd San, houdt haar fysiologische waarden in de gaten. ‘Probeer rustig te ademen,’ zegt hij. ‘De zintuiglijke input kan overweldigend zijn.’
‘Rustig ademen,’ herhaalt ze, bijna spottend. ‘San, ik heb twintig jaar geoefend in niet bewegen. Laat me nu even ademhalen.’
Hij zegt niets meer. Slimme jongen.
De stad strekt zich voor haar uit, modern maar herkenbaar. Glazen gevels die reageren op zonintensiteit, dronetrams die geruisloos passeren, mensen met transluminescente polsdisplays. En daartussen zij, een vrouw die eigenlijk niet hier hoort. In haar eigen lichaam ligt ze ergens in een ziekenhuisbed, verbonden aan kabels, gevoed door pompen. Maar dat beeld dringt ze weg. Ze wil niet denken aan het leven dat wacht als de interface wordt uitgeschakeld. Ze wil hier zijn, nú zijn.
Op een plein in het oude centrum, omgeven door neoklassieke gebouwen die een rustieke uitstraling verzorgen, blijven haar ogen hangen bij een groep straatmuzikanten. De klanken van een akoestische gitaar, versterkt door een goedkope versterker, glijden verleidelijk door de lucht. Echte muziek. Niet gecomponeerd door algoritmes, niet foutloos. Ze glimlacht, blijft staan en geniet.
Een man naast haar, met donkere krullen en een lach in zijn ogen, zegt: ‘Je kijkt alsof je dit voor het eerst hoort.’
Ze draait haar hoofd. ‘Misschien doe ik dat ook.’
‘Dan is dit een goed begin,’ zegt hij. Hij steekt zijn hand uit. ‘Rian.’
Zijn hand. Warm, levend, echt. Ze aarzelt, maar haar avatarhand strekt zich uit en raakt de zijne. Een kort moment van verwarring volgt in haar brein: hoe kan iets wat niet van mij is, zo intens voelen?
Rian glimlacht. ‘Welkom terug op aarde, Lara.’ Zijn glimlach is ontspannen, prettig. Met wat zichtbare tanden, maar niet op z’n Amerikaans.
Ze knikt, niet begrijpend hoe hij haar naam weet, tot ze beseft dat ze die net in haar profiel had ingevoerd bij de openbare interface. Alles hier is verbonden, elke glimlach geregistreerd. Het voelt een beetje ongemakkelijk, maar niet noemenswaardig.
Terwijl hij naast haar blijft staan en iets vertelt over de geschiedenis van het plein, de oude beurs die er gevestigd was naast het stadhuis, denkt ze aan haar eigen verleden. Aan de jaren van stilte, van bedden en apparaten, van stemmen die haar vroegen of ze ‘de pijn een cijfer wilde geven’. Cijfers werken niet voor iemand die in kleuren en plaatjes denkt. Hier geeft ze het een nul. Ze weet precies hoelang het geleden was dat de pijn een nul kreeg. Dat was vlak na een operatie, toen ze vol zat met het echt goede spul, dat wat niet voor dagelijks gebruik was.
Als de muziek stopt, blijft ze nog even staan. De wind speelt met haar haar. Ze weet dat de verbinding maar enkele uren stabiel blijft, dat ze straks weer zal terugkeren naar haar echte lichaam, naar de kou en de stilte. Maar nu, op dit moment, is ze vrij.
Ze glimlacht naar Rian. ‘Vertel me iets moois,’ zegt ze.
Hij lacht terug. ‘Dat hangt ervan af,’ zegt hij. ‘Hoe echt wil je dat het klinkt?’
Ze kijkt hem aan, even verrast door de ironie van zijn vraag. ‘Echt genoeg,’ antwoordt ze.
##
De dagen daarna beweegt Lara zich steeds zelfverzekerder in haar nieuwe lichaam. De avatar, het laatste model L-9 Synskin, maatwerk, volgens de folder ‘niet van echt te onderscheiden’, reageert vloeiend op haar gedachten. Ze leert opnieuw lopen, lachen, dingen aanraken zonder bang te zijn dat ze breken. Ze kan weer koffie drinken. De smaak is een perfecte illusie, opgebouwd uit data die direct in haar smaakcentrum worden geprojecteerd. En toch … ze geniet. Het is niet van echt te onderscheiden.
Elke ochtend logt ze in via de interfacekamer van het medisch centrum. Ze voelt de gel van de sensorkap, hoort het zachte gezoem van de servers die haar tweede leven dragen. Zodra de verbinding tot stand komt, verdwijnt haar verlamde lichaam uit haar bewustzijn als een vergeten schim.
Rian komt ze opnieuw tegen bij de promenade. Dit keer groet hij haar alsof ze elkaar al jaren kennen. ‘Lara, ik dacht al dat je hier zou zijn,’ zegt hij, alsof dat de normaalste zaak van de wereld is.
Ze glimlacht. ‘Ben ik zo voorspelbaar?’
‘Misschien. Of misschien kijk je gewoon alsof je de wereld wilt inhalen.’
Zijn toon is luchtig, maar zijn blik blijft net iets te lang hangen. Hij is jonger dan zij, veel jonger, en vol van dat vanzelfsprekende vertrouwen dat alleen mensen hebben die nog nooit door hun lichaam verraden zijn. Ze probeert zijn leeftijd te raden, maar dat voelt zinloos. In dit lichaam lijkt zij niet ouder dan midden dertig. Zelfs dan is hij jonger, maar hij ziet scherp.
Ze wandelen samen langs het water. Hij vertelt over zijn werk, over toeristen die holografische stadstours kopen en selfies maken met digitale gidsen. Zij luistert, maar haar aandacht glijdt steeds af naar zijn stem, zijn handen, de manier waarop hij lacht zonder schaamte. Het voelt zo vreemd, maar tegelijk echt. Hij is ook echt, veel te echt.
‘Wat doe jij eigenlijk?’ vraagt hij.
Ze aarzelt. De waarheid past niet bij een gesprek op een zonnig terras. ‘Ik werk in … onderzoek,’ zegt ze. ‘Neurale systemen.’
Hij grinnikt. ‘Klinkt ingewikkeld.’
‘Dat is het ook.’ Ze neemt een slok van haar koffie, data in vloeibare vorm, maar perfect gesimuleerd. ‘Ik breng vooral tijd door met nadenken over wat echt is en wat niet. Wat echt zou moeten zijn.’
‘En? Al wijzer geworden?’
Ze kijkt naar hem, naar zijn gezicht dat door de zon bijna doorschijnend lijkt. ‘Nog niet,’ zegt ze zacht.
##
De dagen erna zoeken ze elkaar vaker op. Hij stuurt haar berichten via de openbare stadskanalen. Kleine, achteloze dingen. ‘Je mist het mooiste avondlicht’, of ‘Ik weet nu wat je bedoelde met echt.’ Ze lacht erom, maar voelt tegelijk iets gevaarlijks groeien. Dit zou ze moeten tegenhouden.
’s Nachts, terug in haar echte lichaam, liggen de gedachten als koude stenen op haar borst. Ze wil niet tegen hem liegen, maar ze wil zo graag dat dit kan blijven. Ze hoort de apparaten die haar vitale functies monitoren, voelt het gewicht van haar eigen ledematen, zwaar, levenloos. In het donker fluistert ze tegen zichzelf: Hij zou je niet eens herkennen.
De volgende dag zegt ze tegen San, haar technicus: ‘Hoe echt is de avatar eigenlijk? Kan iemand het verschil zien?’
‘Alleen als hij weet waar hij naar moet kijken,’ antwoordt hij. ‘De huid ademt, de ogen hebben micro-reflexen. Er is geen reden tot argwaan, tenzij je hem vertelt wie je bent.’
Ze denkt aan Rian. Aan de manier waarop hij haar hand vasthield bij het oversteken, vanzelfsprekend, zonder te vragen. Ze heeft dat twintig jaar niet gevoeld. Natuurlijk kon ze oversteken zonder hulp, het voelde ook meer alsof hij het als excuus gebruikte om haar hand te grijpen. Hij had hem ook niet losgelaten en hand in hand waren ze doorgelopen. En ze had niks gezegd.
‘En als iemand verliefd wordt op zo’n avatar?’ vraagt ze.
San kijkt haar via het monitorbeeld aan. ‘Dan wordt hij verliefd op wat hij ziet. Niet op jou.’
Ze glimlacht, maar het voelt niet goed. Ook niet helemaal waar, je valt toch ook op iemands gedachten en brein …? Wanneer ze die avond Rian weer ontmoet, praat hij over de sterren boven het water en hoe de stad hun licht bijna verdrinkt. Zij zegt dat ze dat mooi vindt, dat hij opmerkt wat verdwijnt. Hij lacht, pakt haar hand. En op dat moment besluit Lara dat ze hem niet zal vertellen wie ze werkelijk is. Ze kan het niet. Nog niet. Misschien nooit.
##
De lijn tussen droom en werkelijkheid begint te vervagen. Lara merkt het aan de ochtenden: het duurt steeds langer voordat haar brein de overgang maakt van het warme, sensuele bestaan van de avatar naar het koude, zielloze gewicht van haar echte lichaam. Elke herverbinding voelt zwaarder, als een terugval in een verouderd systeem.
De arts noemt het psychologische ontregeling. San zegt het eenvoudiger: ‘Je wil daar blijven omdat je hier niets meer hebt.’
Hij heeft gelijk, al spreekt ze het niet uit.
Het contact met Rian wordt intenser. Ze ontmoeten elkaar bijna dagelijks. Hij kent haar voorkeuren: zwarte koffie, klassieke muziek, stilte tussen de woorden. Ze wandelen door parken waar holografische bomen echte schaduwen werpen. Af en toe pakt hij haar schouder om haar op iets bijzonders te wijzen, een vogel, een originele boom. Hij raakt haar steeds vaker spontaan aan en laat dat steeds langer duren, zonder opdringerig te zijn.
Soms vergeet ze dat haar glimlach niet de hare is, dat de geur van zijn huid wordt vertaald in signalen, berekend, doorgestuurd, herschreven tot sensatie. Toch voelt ze het, alles. Het tikken van de regen op haar gezicht. De druk van zijn arm om haar middel. De warmte van zijn adem bij het fluisteren van haar naam. Lara, niet patiënt 742B.
Maar in de nachten, als de verbinding verbroken wordt, komt de werkelijkheid terug als een verstikkende hand rond haar keel. Ze kan haar hoofd niet draaien. Haar armen niet bewegen. De kamer ruikt naar ontsmettingsmiddel en oude huid. Op het scherm naast haar bed flikkert een melding: spierspanning minimaal. Het is steeds moeilijker om in die lege uren iets te vinden om aan te denken. Rian natuurlijk en haar andere leven, maar het voelt zo doods om het zich alleen maar in te beelden, niet te beleven.
Ze probeert te spreken, maar haar stem is slechts lucht. In plaats daarvan activeert ze via een oogbeweging de interfacecamera. Daar, op het scherm, ziet ze zichzelf: een vrouw van vlees, bleek, gezwollen, onherkenbaar. De persoon die Rian nooit mag zien.
De volgende ochtend vraagt ze San om de sessieduur te verlengen.
‘Dat mag niet,’ zegt hij. ‘De neurale load is al buiten de veilige marge.’
‘Verschuif de marge,’ zegt ze bits.
Hij kijkt haar aan, zichtbaar vermoeid. ‘Je speelt met je brein, Lara. Te lang in die avatar en je hersenen vergeten wat echt is. Permanente dissociatie kan het gevolg zijn.’
‘Misschien is dat beter dan dit …’ ze kijkt om zich heen ‘… te ervaren.’
San zucht. De uitdrukking op zijn gezicht toont bezorgdheid, medelijden misschien wel. ‘Je denkt dat dit vrijheid is, maar het is een kopie. Een projectie met een vervaldatum.’
Ze glimlacht flauw. ‘Dan lééf ik tenminste voor de vervaldatum. Nu vegeteer ik.’
’s Avonds logt ze opnieuw in. De verbinding flitst, kort onstabiel, een trillen van data door haar brein, maar dan is ze er weer. De lucht, de kleuren, het geluid van mensen. Ze voelt hoe haar gedachten weer in het ritme van deze wereld vallen. Hier klopt alles. Hier ademt ze.
Rian wacht op haar bij het kanaal. ‘Ik dacht dat je niet meer kwam,’ zegt hij. Zijn donkere krullen dansen en hij glimlacht, maar zijn ogen staan … bezorgd? Achterdochtig?
‘Even wat systeemonderhoud,’ zegt ze luchtig.
Hij lacht. ‘Ben je een robot of zo?’
Ze kijkt hem aan. ‘Misschien ben ik dat inderdaad.’
‘Dan ben je de menselijkste robot die ik ooit heb ontmoet.’ Zijn woorden raken iets wat ze zorgvuldig verborgen had. Ze lacht, maar voelt tegelijk een steek van schuld. Hij kent niet de vrouw in het ziekenhuisbed. Hij houdt van haar stem, haar ogen, haar bewegingen, al die gehuurde illusies. Vast ook wel van haar brein, haar intelligentie, haar innerlijk, maar is dat belangrijk genoeg …?
Wanneer ze later afscheid nemen, blijft ze staan op de hoek van de straat en kijkt hoe hij verdwijnt in de menigte. Ze denkt: misschien moet ik hem gewoon laten zien wie ik ben.
Maar de gedachte alleen al vult haar met paniek. Ze weet wat ze zal zien in zijn ogen: schrik, medelijden, afstand. Ze wordt misselijk bij het idee.
Terug in de interfacekamer, terwijl San de sensorkap verwijdert, fluistert ze tegen het lege plafond: ‘Wat als de leugen het enige is dat me nog menselijk maakt?’
Niemand antwoordt. Alleen het zachte gezoem van de apparatuur houdt haar gezelschap, trouw, onvermoeibaar, en volstrekt eerlijk in zijn onverschilligheid.
##
Lara’s dagen volgen nu twee tijdlijnen: het leven in het licht, met haar avatar, jong, stralend, begeerd, en het leven in de schaduw, waarin ze langzaam uiteenvalt. De scheidslijn wordt dunner, poreus. Soms vergeet ze in welke wereld ze zich bevindt. Identiteitsvervaging volgens haar arts. Zij noemt het eerlijkheid.
Rian vraagt steeds vaker naar haar verleden. ‘Je praat nooit over vroeger,’ zegt hij. ‘Over familie, werk, wat je gedaan hebt.’ Zijn duim streelt haar hand.
Ze glimlacht. ‘Er is niet veel te vertellen.’
‘Dat geloof ik niet. Je kijkt soms alsof je iets achterhoudt.’
Hij heeft gelijk, maar ze ontwijkt zijn blik. Met moeite duikt ze wat verhaaltjes op van heel lang geleden, toen ze nog een beetje gezonder was.
In haar hoofd broeit het idee dat ze de waarheid moet laten zien, dat ze hem niet langer in deze zorgvuldig geprogrammeerde droom mag houden. De realiteit mag lelijk zijn, maar ze wil hem tenminste één keer echt aankijken.
De beslissing valt op een glorieuze, zonnige dinsdag. Ze vraagt San om toestemming: een fysieke ontmoeting tussen haar biologische lichaam en de avatar. ‘Onder toezicht, in de observatiekamer,’ zegt ze.
San zwijgt even. ‘Dat is niet aan te raden. Een feedback loop kan fataal worden.’
‘Maar het is wel mogelijk?’
Hij knippert, overweegt de voors en tegens. ‘Ja. Maar ik raad het af. De confrontatie kan traumatisch zijn, voor jou én voor hem.’
Ze vindt het tegelijk voelen als indringen, maar ook hartverwarmend dat Sen ook aan Rian denkt. ‘Misschien is dat de enige manier om te weten of er nog iets echt is,’ zegt ze. ‘Alsjeblieft?’
San knikt. ‘Vooruit. Geef me even, ik zal zien wat ik kan doen.’
Na lang overleg stemt het medisch team in. Een korte ontmoeting, onder gecontroleerde omstandigheden. Geen fysieke aanraking tussen de twee lichamen, slechts visueel contact. Lara bereidt zich voor met de zorg van iemand die haar eigen begrafenis regisseert. Ze laat haar haar kammen, haar gezicht reinigen, kiest een jurk die ze ooit droeg toen ze nog kon lopen. De avatar draagt hetzelfde model, jonger, soepeler, perfect. Ze voelt zich bijna jaloers op haar avatar en laat een bescheiden beetje make-up aanbrengen om haar zieke lijf er nog een beetje fleurig te laten uitzien.
De avond ervoor nodigt ze Rian uit. Nerveus logt ze daarna uit. In de stilte van haar kamer voelt ze haar eigen lichaam, het kromme geraamte onder de lakens. Ze wil het toespreken, maar haar lippen weigeren dienst. In haar hoofd zegt ze: Morgen zien we elkaar eindelijk. Jij en ik. En hij.
De ochtend breekt aan met de geur van lysol verbloemd door een vleugje vanille en het ritmisch piepen van apparatuur. San zet de verbinding op. ‘Lara,’ zegt hij, ‘weet je zeker dat je dit wilt?’
‘Niet zeker,’ zegt ze. ‘Maar ik moet.’
Wanneer de interface stabiliseert, ziet ze zichzelf liggen in de observatiekamer. Haar avatar zit in een stoel ertegenover, handen gevouwen in de schoot. De gelijkenis is angstaanjagend en onwerkelijk tegelijk.
Ze wacht, onrustig. De artsen bewegen op de achtergrond, fluisteren, kalibreren. Op de wand verschijnen zijn biometrische gegevens. Hartslag een tikje verhoogd. Verwachting hoog.
Dan gaat de deur open. Rian stapt binnen, hij glimlacht, maar een beetje onzeker. Zijn handen friemelen nerveus aan een bos bloemen. Ze heeft nog nooit een teken van nervositeit bij hem gezien. Zijn blik dwaalt van het bed naar de avatar, dan terug naar de vrouw die in dat bed ligt. ‘Lara?’ zegt hij, aarzelend.
Ze hoort haar stem uit twee monden tegelijk komen: de zwakke, haperende toon van het echte lichaam, en de heldere klank van de avatar die automatisch synchroniseert. De echo klinkt als een breuk in de werkelijkheid. Ze wil hem alles uitleggen, over de ziekte, de interface, de leugen, maar haar mond weigert dienst. Alleen haar avatar spreekt. ‘Ik wilde dat je wist wie ik echt ben,’ zegt ze, zacht maar helder.
Rian kijkt van de ene Lara naar de andere. Er is geen schrik in zijn ogen, alleen verwarring. ‘Maar … wie is dat dan?’
Ze probeert te antwoorden, maar de woorden blijven steken. Het systeem detecteert overbelasting. Een alarm klinkt kort, gedempt door de geluidsfilters.
‘Lara, verbreek de sessie,’ zegt San. ‘Je brein overstuurt.’
Ze schudt haar hoofd. ‘Nog even.’
Rian stapt dichterbij, zijn hand half uitgestrekt, alsof hij wil troosten, aanraken, kiezen.
Ze sluit haar ogen.
‘Dat ben ik ook …’ zegt ze heel zacht.
‘Lara, nu verbreken,’ hoort ze San roepen.
Ze drukt niet. Ze ademt in, proeft data, pijn, liefde. De wereld om haar heen begint te vervagen. En dan: wit licht. De sessie valt stil.
Wanneer ze wakker wordt, ligt ze in haar cocon. De monitors piepen, San buigt over haar heen. ‘Je was bijna weg,’ zegt hij.
Ze fluistert, moe maar helder: ‘Ik ben er nog.’ Maar diep vanbinnen weet ze niet meer waar dat dan is. Een traan zoekt zijn weg uit haar ooghoek. Ze kan ‘m niet wegvegen.
##
De dagen na de ontmoeting zijn wazig. Lara weet niet goed wat er is gebeurd. De logs tonen een overspanning, een noodonderbreking, twee minuten aan verloren data. San zegt dat haar hersenactiviteit daarna urenlang instabiel bleef. ‘Je had geluk,’ zegt hij. Ze knikt, maar denkt dat geluk een raar woord is voor iemand die niet meer weet in welke wereld ze thuishoort. Een raar woord voor iemand die grotendeels verlamd in een bed ligt.
Rian heeft meerdere berichten gestuurd. Eerst voorzichtig, dan dringender. ‘Ik wil praten.’
Ze leest ze, maar antwoordt niet. De artsen adviseren rust. ‘Geen emotionele prikkels,’ zegt men. Alsof ze nog prikkels over heeft.
’s Nachts kijkt ze via de beveiligingsfeed naar de avatar, die nu in een onderhoudsframe hangt. De kunsthuid glanst onder het licht. Het lichaam dat haar vrijheid was, nu koud en uitgeschakeld. Het lijkt te slapen. Een deel van haar wil het systeem weer activeren, er gewoon weer instappen en wegrennen, terug naar de illusie waarin ze kon ademen, aanraken, lachen.
Ze vraagt San of de interface herstart kan worden. Hij kijkt haar lang aan Ze ziet zijn vermoeidheid strijden met begrip. ‘Je weet dat dit niet voorgoed kan. Je hersenen raken op.’
‘Dan wil ik tenminste zelf bepalen wanneer,’ zegt ze.
Hij zwijgt, maar even later verschijnt het bevestigingsscherm. ‘Dertig minuten sessietijd,’ zegt hij. ‘Niet meer.’
Wanneer ze de verbinding voelt inschakelen, breekt de stilte open als glas. Haar avatar opent de ogen. Alles is weer licht en geluid. De wereld ruikt naar leven. Ze staat op, wankel maar vastbesloten, en bestelt via het stadssysteem een taxi. Bestemming: het café aan de promenade. Ze plaatst avatar een paar meter van de ingang, verborgen achter een raam met reflecterend glas.
Rian zit er al. Ze herkent zijn houding, de manier waarop hij zijn kopje vasthoudt, het lichte fronsje dat ze nooit eerder zag. Hij kijkt op als de deurbel klinkt. Zijn blik zoekt, vindt niets.
Ze kijkt naar hem met haar tweede ogen. Ze ziet hoe hij zijn horloge checkt, nog even wacht, dan opstaat. Hij betaalt, werpt een korte blik naar buiten en vertrekt.
Lara ademt diep in. Ze weet dat dit haar laatste kans was om iets echts te doen. Ze laat de avatar terugkomen. Wanneer ze zichzelf door de open deur van haar vertrek ziet binnenkomen en haar eigen blik uit haar werkelijke lijf ziet, verbreekt ze de verbinding, nog voordat de timer afloopt. De wereld lost op in pixels, geluiden trekken samen tot één dunne toon. Wanneer ze haar ogen opent, ligt ze weer in het bed. San zit naast haar, zwijgend.
‘Je hebt hem niet ontmoet?’ zegt hij uiteindelijk.
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
Ze denkt even na. ‘Omdat hij niet voor mij kwam,’ zegt ze. ‘Hij kwam voor haar.’ Ze zal nooit zeker weten of ze hem daarmee tekort heeft gedaan, met die gedachte.
San knikt, begrijpend, en schakelt de apparatuur uit.
De kamer wordt schemerig. Lara voelt haar lichaam, het echte, gebroken lichaam, één met de stilte worden. Ze sluit haar ogen even en glimlacht. Ze heeft haar keuze gemaakt. Door de open deur ziet ze de avatar nog enkele seconden rechtop staan, alsof ze twijfelt. Dan zakken de schouders langzaam naar voren, en het gezicht bevriest in een bijna serene uitdrukking.
In het medisch logboek wordt het simpel vastgelegd: Patiënt 742B – sessie beëindigd op eigen verzoek. Status stabiel. Emotionele respons onbekend.
