![]()
De lucht in de assemblagehal trilt.
Nee, een goed waarnemer zou zien dat niet de lucht trilt, maar de ruimte waarin de lucht hangt. Contrasterend tegen de grijze achtergrond van de overliggende wand rijten vibrerende zwarte en gele trilharen de ruimtetijd open. Kwantumweefsel wordt opengescheurd, vreemdheid dringt de werkelijkheid binnen. Iets tast uit de diepten van multiversa tot er een Plancklengte houvast is gevonden, een intelligentie trekt aan de daaromheen liggende snaren tot de spanning zover is opgelopen dat ze knappen. Waarschijnlijkheidsgolven vinden de opening, ze tunnelen erdoorheen en verspreiden zich in de ruimte met hun kans op zijn. Door de nu microscopisch kleine opening kruipt een bestaan van daar naar hier, virtuele deeltjes recombineren tot materie en de ontstane materie vindt bestaansrecht – iets dat niets was materialiseert tot zilvergrijze rook. De sliertige wolk dwarrelt door de hal en verstoffelijkt langzaam tot een herkenbaar silhouet.
De Cheshire Cat is terug.
Het ruimteschip zou natuurlijk direct herkend zijn als er iemand zou hebben gekeken: er is er maar één van gemaakt. Maar geen enkele medewerker van ruimtestation Lagrange 2 neemt de aankomst waar. De controlekamer van de bouwhal is verlaten. De camera’s zijn uitgeschakeld. Er wordt op deze plek en op dit moment niets verwacht.
Pas als alle computers aan boord van Langrange2 tegelijk schril ‘EVA!’ krijsen, wordt er alarm geslagen. Als dat twee minuten later weer gebeurt, komt er iemand op het idee om in de assemblagehal te gaan kijken. Als dezelfde wanhopige kreet elke twee minuten uit alle computers blijft klinken en niemand daaraan iets blijkt te kunnen doen, raakt het management van het ruimtestation ten einde raad. Ze laten Eva oproepen.
Vanzelfsprekend vertrekt Eva direct uit haar appartement. Een shuttle brengt haar van de aarde naar Lagrange2 . Alice roept haar. Na drie jaar.
Het is niet te vermijden dat de gedachten van Eva teruggaan naar het moment dat ze afscheid nam van de liefde van haar leven.
***
‘Weet je zeker dat je dit wilt, Alice?’ had Eva gevraagd.
Het was natuurlijk veel te laat om nog op de beslissing terug te komen. Alice lag in de stasiskist, dikke kabels verbonden haar met de computer aan boord van haar fonkelnieuwe kwantumschip Cheshire Cat. Over een paar minuten zou het schip haar thuis zijn, de plek waar alle functies van haar menselijke brein volledig geïntegreerd zijn met de functies van de kwantumchips die het hart vormen van de gigantische computer waarmee de ruimtetijd zal worden gemanipuleerd.
Eva stond naast Alice’s kist. Eva was de laatste mens die Alice zou waarnemen met haar menselijke ogen, dat was Alice’s uitdrukkelijke keus geweest. Straks zou het deksel worden gesloten van de kist waarin haar lichaam in leven zou worden gehouden zonder als mens te functioneren.
‘Het is goed, Eva. Ik weet het zeker.’ Natuurlijk verraste het antwoord Eva niet. Alice had verteld hoe haar opa haar als meisje voorlas uit zijn favoriete boek ‘Alice in Wonderland’. Bijna elke keer dat de naam werd genoemd, had hij zijn kleindochter aangestoten: ‘Kijk, dat gaat over jou!’ Misschien had hij zo wel haar verlangen naar wondere werelden wakker geroepen, had hij zo haar geest gevuld met de nieuwsgierigheid naar het onbekende.
Toen Alice later naast haar opa naar de historische beelden van de maanlanding had zitten kijken, was het als een bliksemflits ingeslagen: de ruimte! Het heelal. De wondere uithoeken van de werkelijkheid en de natuurkunde. Alice had haar opa aangestoten en gezegd: ‘Dat boek waaruit je leest, is eigenlijk gewoon saai. Wie gaat er nou onder de grond als je ook naar de sterren kunt?´ Het heelal was bijna een obsessie van haar geworden.
Vanaf dat moment had Alice al haar sprankelende fantasie gericht op de ruimte. Het was ‘haar Wonderland´, zoals haar opa het liefdevol had genoemd. Ze speelde games waarin ze de uithoeken van het heelal bereisde of werelden vol aliens beheerde. Ze las science fiction en haar boekenkast werd elke jaar meer gevuld – niet met fantasyboeken vol magie en draken en elfen, maar de technische visioenen van wat zou kunnen zijn. ‘De mogelijkheden van de werkelijkheid zijn fantastischer dan de onmogelijkheden van de onwerkelijkheid,’ was in de puberteit haar geliefde uitspraak geworden – ze had inderdaad wat nerderige trekjes en was een eenzelvige tiener.
Toen bij een beroepentest duidelijk werd dat ze monomaan was in haar interesse, was ook haar studie- en beroepstraject duidelijk: ze ging natuurkunde studeren en ze zou astronaut worden. Eenmaal was er tijdens haar studie bij de ESA een vacature, maar omdat ze nog geen onderzoekservaring had, was ze niet eens in de selectieprocedure opgenomen. Die tegenslag had haar alleen maar verder gemotiveerd – ze was harder gaan studeren, meer gaan publiceren, haar conditietraining was zwaarder geworden en ze besteedde meer tijd aan het netwerken in de wereld van ruimteonderzoek. Er zou een dag komen dat er een nieuwe vacature kwam en ze zou voorbereid zijn. Die baan was voor haar!
Ze kwam Eva tegen, de liefde overviel haar en Alice omarmde hem zoals ze deed met al het goede dat haar overkwam. Een week nadat ze bij Eva was ingetrokken, reed Alice met haar Honda 750 Transalp tegen een boom. Haar gebroken nek en de dwarslaesie vernietigden al hun plannen voor de toekomst, alle onbezorgdheid loste op in het niets. De kansen van Alice op ruimtereizen verdampten, ze zou nooit piloot of vluchtspecialist worden. In twee seconden verloor Alice alle mogelijkheden voor een toekomst. Eva ook.
Alice kreeg aangepast werk op de universiteit: een parttime aanstelling als wetenschappelijk medewerker in het kader van een speciaal programma voor arbeidsongeschikten. Het universiteitsblad pronkte met een artikel waarbij ze een grote foto afdrukten van haar, in haar mondgestuurde elektrische rolstoel. ‘De vrouwelijke Hawkings’, was de meest gegeven reactie op de socials. Ze moest er tegelijk om lachen en huilen.
Ze verzorgde wekelijks een paar uurtjes onderwijs voor lagerejaars, ze deed wat literatuuronderzoek en begeleidde individueel een paar studenten. Het was natuurlijk liefdadigheid, het aanbod had haar diep gekwetst en tegelijk moest ze dankbaar zijn. Ze had geen keus – als ontsnappingsroute stortte Alice zich op de theoretische kosmologie. Rekenen aan hypothetische universa werd haar levensvulling.
Eva ondertussen ging kopje onder in de eenzaamheid van fulltime mantelzorg.
***
Het kwantumschip UNSS StarVoyager werd in grootste geheim gebouwd, de scheepswerf op ruimtestation Lagrange 2 was daarvoor de ideale plaats. Alice hoorde voor het eerst van het bestaan van het project toen twee functionarissen van de NASA voor de deur stonden om haar de baan van piloot aan te bieden.
Eindelijk was er een functie die perfect bij haar paste: ze zochten een hoog opgeleid menselijk brein zonder lichamelijke ballast. Er zou geen openbare sollicitatie komen, de publiciteit was nul en voor haar lichaam was het schip hoogstwaarschijnlijk de eindhalte: de stasiskist in de StarVoyager zou haar laatste woonplaats zijn. Ze was de perfecte kandidaat – de baan was alles wat ze wilde en tegelijk alles wat ze kon. Ze twijfelde geen moment.
Toen haar werd uitgelegd dat het ruimteschip niet fysiek de ruimte zou doorkruisen, maar gebruik zou maken van lokale wormgatbinnendoortjes, had ze gevraagd: ‘Hij verdwijnt dus gewoon in het niets?´
‘Als je staat te kijken, lost hij gewoon op in de lucht, inderdaad. En op de ingestelde bestemming materialiseert hij weer. Na hoeveel tijd, dat weten we nog niet precies. De doorlooptijd door een wormgat is nogal onzeker. ´ De instructeur wist niet dat Alice waarschijnlijk beter op de hoogte was van de wiskunde erachter dan hijzelf. ‘Welk deel van de ruimtetijd of multiversumcoördinaten je ook hebt gekozen., we beginnen natuurlijk dichtbij, met een relatief kleine sprong. Daarna kijken we verder.´
‘Net als de Cheshire Cat uit Alice in Wonderland,´ had Alice gegrinnikt. ‘Hij verdwijnt in het niets en leidt je met een glimlach naar je bestemming.´ Op haar verzoek werd het schip omgedoopt tot de Cheshire Cat. Ze had haar eigen konijnenhol had gevonden, haar toegang tot haar wonderland.
***
Afscheid nemen van Alice was voor Eva moeilijk, ondanks het feit dat ze wist dat ze nooit een partij zou zijn geweest voor de eerste liefde van Alice, de ruimte.
‘Dit is het beste voor ons allebei, Eva. Ik voel al me kleiner worden.’ Alice glimlachte. Hoe meer parallellen ze kon vinden met het verhaal van haar naamgenoot, hoe veiliger ze zich voelde. ‘Ik krimp tot ik pas in een kwantumchip.’
Ze hadden hier de afgelopen maanden veel over gesproken. Eva voelde zich schuldig. Alice ook.
‘Ik doe dit voor mezelf. Als ik dit lichaam niet had gehad,’ ze wees met haar ogen naar beneden, naar de ledematen die haar niet meer gehoorzaamden, ‘dan had ik deze baan nooit aangenomen. Dan was ik bij jou gebleven. Maar nu…’
‘Dit is niet alsof je me zomaar verlaat,’ viel Eva haar in de rede.
‘… nu ben ik weg. Ik kom nooit meer uit deze kist. Jij bent vrij om je eigen weg te kiezen.’ Alice keek haar aan. ‘Daarom, mijn lieve, is dit het beste. Wees gelukkig, voor ons allebei.’ Het was haar ontsnapping uit haar nutteloze lichaam, haar verlossing uit een zinloos bestaan.
Eva sloot de kist. Dit was de begrafenis. Ze hoorde de koeling sissend op gang komen, ze zag door het transparante deksel het niveau van de balsemvloeistof in de kist stijgen – ze draaide zich om voordat de vloeistof het niveau van Alice’s gezicht had bereikt en haar mond in zou lopen. Eva zag niet hoe de monitor met rode indicatoren de voortgang van de digitale integratie van de breinen toonde.
‘Ik ga, Alice,’ zei ze, toen ze in de deur stond. Ze was onzeker of het kwantumbrein of het mensenbrein haar nog zou kunnen horen. ‘Ik moet gaan.’
Eva verliet het ruimteschip, tegelijk verdrietig en opgelucht.
Buiten het kwantumschip stond een technicus op haar te wachten. ‘Ik breng u naar de controlekamer,’ zei ze meelevend, ze sloeg een arm om Eva’s schouder.
‘We zullen zo zien hoe de Cheshire Cat naar buiten drijft,’ vertelde de technicus onderweg. ‘Daar wordt de bestemming ingevoerd en dan vertrekt het schip voor de proefreis. Een korte tocht, de eerste reis is naar Alpha Centauri en weer terug.’
‘Hoelang gaat deze reis duren?’ vroeg Eva.
‘Dat weten we niet precies. Misschien een paar minuten, misschien een paar uur. Zeker niet meer.’ De technicus haalde haar schouders op. ‘De aandrijving werkt alleen bij reizen van minimaal een paar lichtjaar. Dat is dus wat we nu doen: starten, de minimumafstand afleggen en dan direct weer afremmen. En vervolgens dezelfde reis terug.’
‘En daarna…’
‘Na terugkomst gaan we analyseren hoe het schip zich gedraagt, hoe de onderdelen de reis hebben overleefd, hoe de software het heeft gedaan en hoe Alice met ons scheepsbrein heeft samengewerkt.’ De technicus wordt enthousiaster, Eva herkent een soortgelijk fanatisme als dat van Alice. ‘Een paar maanden analyse, denk ik, en dan kunnen we met de resultaten verdere reizen gaan maken.’
Alice was ongeduldig, wist Eva. Ze gunde het haar echtgenote: Alice wilde zo snel mogelijk zien wat het schip zag, ervaren wat het schip meemaakte. Al haar ervaringen zouden in het logboek worden opgeslagen. Na thuiskomst zouden plannen worden gemaakt voor nieuwe ontdekkingsreizen: verder en exotischer. Alice kon er niet op wachten…
Het vertrek ging anders dan gepland. Toen Eva in de controlekamer aankwam, stond op alle monitoren in grote letters: ‘Vaarwel, mijn lief.’
Het schip dreef niet langzaam naar buiten. Terwijl Eva toekeek, vervaagden de omtrekken en loste de Cheshire Cat op in het vacuüm. De toekijkende wetenschappers waren verbijsterd. Van het kwantumschip zagen ze geen teken meer. Niet in een uur, niet in een dag, niet in een week.
Eva herinnert zich het afscheid als de dag van gisteren. Het is drie jaar geleden.
***
Wanneer Eva’s shuttle op Lagrange 2 aankomt, staan de begeleiders klaar om haar naar de scheepswerf te brengen.
Tijdens de reis heeft ze via de monitoren van het scheepje de noodkreet van Alice gehoord en gezien. Zodra de bus dichtbij genoeg was om de scheepscomputer te synchroniseren met de kwantumsystemen van het ruimtestation, nam het de noodkreet over: ‘EVA!’ Elke twee minuten. De monitoren in de cabine sprong een moment op zwart, de letters EVA verschenen in massieve chocoladeletters in felgeel. Toen kwam de vluchtinformatie weer terug.
Het krijsen ging haar door merg en been. Het was de stem van Alice en toch ook niet. Toen ze het de eerste keer hoorde, kreeg ze kippenvel. Dat effect was na een paar keer verdwenen, wat overbleef was een alles doordringende, onbestemde angst. Ze was er zelf na een half uur bijna gek van geworden, op Lagrange 2 ging het al drie weken door. Zonder onderbreken.
‘Niemand heeft het kunnen stopzetten, mevrouw,’ vertelt de begeleider terwijl ze zich haasten door de gangen van het ruimtestation. ‘Het is als een virus, het gekrijs begint op elke computer die in nauw contact met de onze komt.’
In de controlekamer zitten twee vrouwen vastgesnoerd achter hun schermen.
‘EVA!’, krijst hun computer. Het scherm toont het alarmerende beeld en springt dan weer terug naar de data waarmee ze bezig waren. De vrouwen gaan door met hun discussie alsof ze niet onderbroken zijn. Zelfs aan krijsen passen mensen zich aan.
‘Kijk, daar. Die tijdlijn van de Cat schip gaat drieduizend jaar door. We hebben hier van meer dan drie millennia data.’
‘Het schip is dus door de ruimtetijd gegaan. Niet alleen door ruimte.’
‘Minstens. Zeker niet alleen in deze tijd. Maar misschien ook niet alleen in deze ruimte.’
‘Misschien niet. Daarvoor moeten we beter naar de data kijken. Of op een andere manier.’
‘Zouden we dat dan kunnen herkennen?’
‘Geen idee. Nu nog niet, maar wie weet …’
Eva kijkt over de schouders mee. Ze ziet beelden van onmogelijk snel naderende interstellaire gaswolken, onvoorstelbaar gedetailleerde bewegende beelden van een exploderende ster, ze herkent beelden van een val in een zwart gat – het lijkt in de verte inderdaad op de simulaties die Alice haar tijdens hun verkering heeft laten zien. De meeste beelden zijn onherkenbaar, haar hersenen kunnen niets aanvangen met de ruis in alle vormen en kleuren, waanzinnige kleurschakeringen in onvoorstelbaar knipperende flitsen, explosies als fluisteringen en vloeiende beelden als explosies.
‘Wat zien we toch allemaal?’ vraagt Eva verbijsterd.
‘We hebben geen flauw idee, mevrouw,’ zegt een de vrouwen zonder op te kijken. ‘Deze beelden zijn een verwerking van stimuli in een optische modus. Een vertaling van iets in zichtbare beelden. Maar wat de originele ervaringen zijn die in het kwantumbrein of in het menselijke brein deze resten hebben nagelaten? We weten het werkelijk niet.’
‘EVA!’, krijst hun computer.
De vrouw achter de monitor draait zich nu naar Eva om. ‘We zien alleen de manier waarop de visuele cortex de stimuli heeft vertaald. Het kan iets met werkelijke beelden te maken hebben, maar dat hoeft helemaal niet. Eigenlijk…’ ze weifelt even, ‘… vermoeden we dat het niets met visuele observaties te maken heeft. Het was iets groters. Iets dat te groots was om netjes verwerkt te kunnen worden.’
De vrouw droomt een beetje weg, ziet Eva. Ze kijkt op dezelfde manier in de verte als Alice wanneer ze vertelde over de wonderen van het universum, over de eerste microseconde van hun heelal, over de betoverende raadselen van oersoep en symmetrieverbreking, over het heerlijke wiskundige gespeculeer rond multiversums en exotische snarenmodellen.
‘Misschien zijn de Cheshire Cat en Alice in dit heelal gebleven, misschien ook niet. Andere universa? Andere werkelijkheden?’ Dan komt de technicus weer terug in de realiteit. ‘We weten het niet. We hebben genoeg materiaal om ons decennia met de analyse bezig te houden. Misschien zullen we het nooit begrijpen.’
Alice heeft haar wonderland gekregen, begrijpt Eva. De Cheschire Cat en met het schip Alice heeft rondgezworven in werelden die onbegrijpelijk waren. Het kwantumbrein van het schip heeft het niet kunnen verwerken. Niemand heeft een idee wat wonderland met de geest van Alice heeft gedaan. Wonderland blijkt niet ongevaarlijk.
‘EVA!’, krijst het door de controlekamer.
‘Ik ga naar Alice kijken.’
Als Eva de stasiskist opent, ligt haar echtgenote daar. De laatste balsemvloeistof sijpelt in de afvoer, de koude lucht die opwalmt uit de kist ruikt naar verdunde oplosmiddelen en conserveringsmiddelen, de dunne flarden mist lossen op in de inmiddels warme atmosfeer.
Alice ziet eruit als op de dag dat Eva de kist sloot. Voor Eva is het drie jaar geleden, voor haar lief waren het drieduizend jaar.
‘EVA!’, schreeuwt ook de boordcomputer in de Cheshire.
‘Alice. Alice, ik ben er.’ Eva legt haar hand op haar wang, ze is koel maar niet koud. Een lichte damp verraadt dat ze ademt.
‘Alice. Ik ben er.’
Langzaam gaan de ogen open. Ze kijken niet naar haar, ziet Eva, Alice kijkt zonder focus dwars door haar heen naar boven. Ze ziet iets wat Eva niet ziet, iets in de verste verte. Iets achter het gordijn van deze werkelijkheid.
Haar mond fluistert: ‘Ik wil naar huis.’
Heeft ze Eva’s stem herkend? Eva legt haar hand op Alice’s voorhoofd. Het voelt koud aan. Ze vertrekt geen spier, maar haar ogen volgen traag de beweging van haar hand.
‘Waar is thuis, Alice? Wil je terug naar de sterren?’
‘Neeeeeee! Niet nog eens. Niet nog eens. Niet nog eens.’ De korte vlaag van paniek trekt snel weer weg uit de stem.
‘Stil maar. Wat wil je dan, mijn lief?’
Alice’s gezicht verstrakt, in de starende ogen meent Eva angst te zien. Ze ziet ervaringen die te groot zijn voor menselijk verstand, werkelijkheden die te ongrijpbaar zijn voor menselijke hersenen. Te veel, te groot, te complex, te absurd, te overweldigend. Kortsluiting.
‘Ik wil naar huis. Naar mezelf. Naar Eva.’ De stem fluistert steeds zachter.
‘Hebben jullie dit gehoord?’ vraagt Eva.
‘Ja, we hebben meegeluisterd.’ De controlekamer antwoordt over de intercom. ‘Loskoppelen, dat kunnen we niet zomaar doen. We hebben geen idee wat er dan met haar gebeurt. Of met het schip. We moeten het eerst onderzoeken.’
Voordat de boodschap tot Eva is doorgedrongen, hoort ze Alice zachtjes zeggen: ‘Ik moet hier weg. Ik moet terug.’ Hoe fluisterend ook, de stem klinkt wanhopig.
‘EVA!’ krijsen alle luidsprekers, overal verschijnt het schermvullende ‘EVA’ op de monitors Dit duurt een seconde, daarna gaan alle computers door met waar ze mee bezig waren. Tien seconden later herhaalt het verschijnsel zich. Tien seconden later weer. Tien seconden later weer. Digitaal kan Alice nog krijsen. ‘EVA!’
‘De frequentie van de ingreep in onze computers is omhoog gegaan. Dit gaat fout, straks vallen er systemen uit.’ In de stem uit de intercom klinkt nu paniek.
‘EVA!’
‘Koppel haar dan los,’ snauwt Eva. ‘Dat schip luistert mee. Doe wat Alice wil. Onmiddellijk!’
‘EVA!’ krijsen de computers.
Op de intercom blijft het even stil. Dan klinkt er een stuk minder zelfverzekerd: ‘Akkoord. We kunnen niet anders. Maar we weten werkelijk niet wat er met haar gaat gebeuren als we dat doen.’
‘EVA!’
‘We doen het. We zetten nu het protocol in werking om de verbinding tussen de kwantumcomputer en het brein te verbreken,’ klinkt over de intercom. ‘Drie, twee, een, nu.’
Het gekrijs uit de computers stopt onmiddellijk, evenals het geknipper van de schermen.
Eva kijkt naar Alice in de stasiskist. Haar ogen zijn wijd opengesperd, ze staren nog steeds in de verte. Het fluisteren is gestopt, de lippen zijn stijf op elkaar geklemd.
‘De koppeling tussen het schip en de stasiskist is nu volledig verbroken,’ klinkt de stem uit de controlekamer over de intercom. ‘Er komt een technicus om de kabels los te maken. En we sturen een arts voor Alice.’
***
Maanden later ligt Alice op haar eigen bed. Eindelijk thuis, na drie jaar reizen en weken van eindeloos onderzoek in een militair ziekenhuis.
De vrouwen uit Lagrange2 die gisteren op bezoek kwam, vertelden dat de Cheshire Cat dood is. Na de ontkoppeling van Alice communiceert de kwantumcomputer niet meer, het brein is volledig doorgebrand en alle geheugeninhoud is opgelost in betekenisloze ruis. De direct gemaakte download van het logboek is het enige dat is overgebleven van de expeditie: een databestand van een reis van drieduizend jaar. Er komt geen nieuw kwantumschip tot bekend is waar de geest van deze is gebleven.
Alice ligt op haar rug. Net zoals ze de afgelopen drieduizend jaar heeft gelegen, denkt Eva. Niets beweegt, ze staart. Permanent. Heel incidenteel knipperen haar ogen en lijkt ze ergens op te focussen. Net als sommigen van de dokters is Eva ervan overtuigd dat ze iets ziet.
Tijdens de maanden in het ziekenhuis heeft Alice een paar keer gefluisterd, één keer heeft ze nog ‘EVA!’ geroepen, zo hard als haar stem na de millennia stilte kon opbrengen. Toen Eva bij haar kwam en Alice’s wang aanraakte met een zacht ‘Ik ben er’, was ze stil geworden. Een paar keer maakte ze geluiden die niemand kon verstaan. Het leken woorden, misschien was het een vreemde taal en misschien ook waren ze zonder betekenis.
Is ze levend dood, zoals een arts suggereerde? Is haar geest vertrokken naar de onbekende bestemming waar iedere geest heen gaat? Of reist ze nog steeds door het wonderland waar ze de afgelopen millennia is geweest? Eva weet het niet. Niemand weet het.
Eva zit vaak naast haar lief, kijkend naar haar strakke blik. Elk trekken van de oogleden en elke kleine beweging geeft hoop: misschien dat ze ooit zal terugkeren uit Wonderland. Naar huis.
Alice’s ogen staren in de verte.
