![]()
Therapie voor een stad
Lamprey is geobsedeerd door de dood, de Stad is immers zelf dood geweest. Ooit roemde men haar vanwege de onverwoestbare bamboestaketsels van haar hoogbouw. Toen kwam het grote Vulgusoproer. Aan de onafzienbaar lange kade vloog een magazijn met walvisolie in brand; een tweede volgde, toen nog een paar. Tenslotte bereikten de vlammen de opslag van Grieks Vuur aan de uiterste pier en brandde de Stad hemelhoog. Opzet, een ongeluk? Wie zal het zeggen. Lamprey smolt, alleen het zwarte en vensterloze IJkgebouw dat de werelden verbindt bleef staan, onaantastbaar.
Om dit immense gebouw ontstond de nieuwe Stad, spoedig een razende metropool van glas en plastiek. Letterlijk een gewetenloze Stad, een Stad zonder monumenten of archaïsche relicten, zonder tastbaar verleden, zonder herinnering.
De psychosoof Isic troont op zijn geliefkoosde kussen met de kwastjes in zijn glimmende zetel. Achter hem gaapt het open venster met uitzicht op de Ampelzee. Tegenover hem, op een hoge en ongemakkelijke bureaukruk die snelle ontboezemingen bevordert, zit zijn patiënt: de Stad Lamprey zelf, vertegenwoordigd door haar Incarnatie, een statige en melancholieke dame met de gevlekte tinten van de zadelzwam. Ze is gehuld in een moskleurig overkleed en rookt een sigaret door een pijpje van elpenbeen; de rook is een gearomatiseerde, zoetige versie van de uitstoot van de chemische fabrieken aan de verre oostkant van de Stad. Op haar hoofd prijkt de rode hoed van de res publica, waarboven enkele decoratieve, koperkleurige radertjes onafgebroken draaien en wentelen.
‘Kortom,’ zegt de hoogedelgestrenge Lamprey, ‘ben ik ook het vorige Lamprey, waaraan ik geen herinnering bezit, of ben ik slechts de ziel van de huidige Stad, als u mij die term vergeeft?’
Ze kijkt uitdrukkingsloos naar Meester Isic, en door hem heen – zo lijkt het – naar het kalme, bijna mauve oppervlak van de Ampelzee, dat zich uitstrekt tot de horizon en vandaar tot aan het wereldeind.
‘Mijn geheugen begint met een besef van een zwart niets, nadat ik wakker of geboren werd en wist dat ik Lamprey was,’ gaat de Incarnatie verder. ‘Is die zwartheid het afgrijselijke gat waarin alle werelden en alle kostbare, unieke entiteiten uiteindelijk gedoemd zijn op te lossen?’ Ze klinkt nu iets schriller, de radertjes boven de hoed lijken een fractie sneller te draaien en te wentelen.
‘Die zwartheid is slechts een projectie van uw bewustzijn,’ zegt Meester Isic sussend. ‘Het niets heeft immers geen kwaliteiten of eigenschappen en bestaat daarom in de meest logische zin niet. Anders was het niets iets en niet niets.’
De blik van de Incarnatie drukt licht misprijzen uit. ‘Sofisterij, woordengegoochel,’ zegt ze.
‘Nee, werkelijk!’ antwoordt Isic. ‘Stel u voor dat u wél herinneringen had aan het oude Lamprey, en na de vernietiging in een doods- of een comatoestand was terechtgekomen. U werd wakker met de gedachte aan de zwartheid, maar zonder concrete herinnering aan die duistere tussenfase. Want die kan immers niet bestaan! De comateuze toestand of zelfs de dood is een beeld in de bewuste gedachten, en dus niet werkelijk in objectieve zin.’
Dat geldt natuurlijk voor alles waaraan je kunt denken. Zelf gelooft Isic dan ook geen woord van wat hij zegt, zijn mededelingen beogen uitsluitend een therapeutisch effect. Hij gelooft alleen in chemie, in de medicatie die hij zichzelf voorschrijft en die zijn lichaam en vooral zijn gedachten in bedwang houdt. De theorie die hij zojuist verkondigde kan waar zijn, of iets van waarheid bevatten, maar kan evengoed een zoveelste illusie zijn, een strohalm om je aan vast te klampen. Hijzelf is die laatste overtuiging toegedaan.
De patiënt tegenover hem is evenmin overtuigd. ‘Er zijn meer van die zwarte plekken in mijn herinnering,’ zegt ze. ‘Ze zijn niet allemaal toe te schrijven aan mijn vernietiging door de brand. Het is alsof mijn bestaan als Incarnatie ook in stukjes is opgeknipt, met veel meer afgescheiden hoofdstukken dan de twee uit de fysieke geschiedenis van de Stad waarvan ik de persona ben. Waartoe besta ik anders dan om dit probleem op te lossen? Lamprey accepteert geen eindigheid, geen duisternis. De proef moet op de som worden genomen.’
‘Doe het niet,’ zegt Meester Isic vlak. Maar de hoogedelgestrenge Lamprey staat kalm op en de psychosoof doet geen poging om haar tegen te houden. Elke fysieke benadering van de Incarnatie staat gelijk aan hoogverraad en verzekert je van je eigen, uiterste grenservaring – op het schavot.
De vrouw die de ziel en het wezen van Lamprey is haalt het eindje sigaret uit haar pijpje en trapt het uit op het vloerkleed voor Isics bureau, dat al vele brandplekken vertoont, alsof het zich rekenschap geeft van het dramatische verleden van de Stad waarvan het een miniem onderdeel is. Dan loopt ze als slaapwandelend langs de psychosoof naar het venster achter zijn rug. Het lange overkleed waarin ze zich alleen moeizaam kan bewegen valt. In haar zijden onderjurk klimt de Incarnatie op de smetteloze vensterbank van Isics spreekkamer en laat zich stil naar buiten glijden. Achttien verdiepingen lager slaat ze te pletter.
In de kelders van het Stadspaleis trekt een rilling door een van de lichamen in de lange rij genummerde kisten; een nieuwe versie van de hoogedelgestrenge verrijst druipend uit het conserveermiddel. Dit is werkelijk een soort reïncarnatie, een spitsvondig schaakmat van de vergankelijkheid. Maar het is een technische truc, een schijnoverwinning. Ook de nieuwe Incarnatie, technisch gezien een kloon, zal op zeker moment op de kruk tegenover Isic belanden. ‘Ik zag de grond op mij afkomen,’ zal ze vertellen. ‘Toen was er niets, alleen een impressie van zwart in mijn geest toen ik wakker werd. Was dat een projectie van mijn ontwaakte brein, of een werkelijk signaal van het niets waarin alles moet verdwijnen?’
Isic zal opnieuw zijn argumenten oplepelen. De verschrikkelijke echo van deze therapeutische gesprekken!
‘Lamprey is geobsedeerd door de dood,’ fluistert Isic. Naar het venster lopen om naar beneden te kijken doet hij allang niet meer, laat staan dat hij geschokt is. Hij blijft zitten, kijkt naar zijn handen die vredig in zijn schoot liggen. Zijn maag voelt wrang en leeg. De hoeveelste Incarnatie is nu al niet als een droomgestalte langs hem heen naar dat venster gelopen? Mentale gezondheid is de kunst om je gedachten te kunnen afleiden, weet Meester Isic, het is de enige wijsheid die hij in al zijn decennia als psychosoof heeft opgedaan. Achttien verdiepingen lager is de volledig geautomatiseerde Stadsverschoning vast al bezig om de sporen van het ongeval uit te wissen.
Een been voor de revolutie
Het is donker in de kathedrale vestiging van de Onverdunde Kerk, niet ver van het wijde plein rondom het Stadspaleis in het altijd gonzende hart van Lamprey. Het straatrumoer dringt nauwelijks door in de hoge en kale gewelven, waar uitsluitend spaarzaam licht binnenvalt uit smalle luchtspleten langs de steunberen en enkele, nog hoger geplaatste rozetten. Voor de estrade naar het spreekgestoelte ligt in het gangpad tussen de banken een figuur geknield, van wie alleen een brede, hagelwitte molensteenkraag opvalt; de rest van zijn gestalte gaat met zijn donkere kleding op in de schemer van deze strenge tempel.
Het is commissaris-generaal Maltetrafat, hoofd van de stedelijke politie, die daar geknield ligt voor zijn onpeilbare god. Horen wij tussen zijn devoot gelispel nu en dan een zacht gekreun? Krijgt de politieofficier zijn handen, aaneengeklonken in furieus gebed, ooit nog uiteen? De dappere knuisten, waarmee hij zoveel vloeiende bekentenissen aan zwijgzame verdachten heeft ontlokt? Maltretrafat verkeert in moeilijkheden, zoveel is zeker. Het gaat om tegenstellingen: tussen het lichtende verstand en de duistere drift, tussen de koers die de geest aangeeft en die van de geslachtsorganen, tussen de maatschappelijke positie en de positie op de vloer onder de hoede van de nacht.
Het is allemaal begonnen met die prothese, een been van carnoplast en elzenhout en hertenbloed: rank, glanzend, voorzien van een fraai hertenhoefje. Het was bevestigd aan een manhoer met de toepasselijke artiestennaam Hertenhoef, in een van de meest discrete bordelen van de Stad. Onlesbare lust had van Maltretrafat, toen hij nog inspecteur was, één van de vele klanten gemaakt, die naakt en ruggelings onder dat been en dat schrapende en krassende hoefje hadden gekronkeld, allengs overdekt met rode afdrukken en strepen. De onderwerping aan zo’n teer en onschuldig hoefje, steevast eindigend met een hevige ontlading, was als een kleine dood geweest, een homeopathische verdunning en dus een geneesmiddel tegen de bodemloze angst voor de echte dood. Maltretrafat was zo verzot geraakt op deze fetisj dat hij Hertenhoef liet oppakken en na geringe overreding met zijn vuisten, zuiver en doelgericht door de frequente gebedspraktijk, met diens volledige instemming had laten ontdoen van het illegale been. Vervolgens had Maltretrafat dit in een privékliniekje aan het slanke lijf van Amane laten zetten, één van zijn dienstboden die hem na een korte instructie nu van dienst kon zijn op de bovenverdieping van zijn comfortabele huis aan het Park van de Boomvarens.
Wat moest hij op termijn met Amane, die lieftallige met de kleur van ebbenhout, waartegen het carnoplast van het hertenbloedbeen zo frappant afstak als ze haar zedige rok had laten vallen? Ze was noodgedwongen op de hoogte van zijn zwakheid, die lijnrecht indruiste tegen de zedelijke opgaven van de Onverdunde Kerk. Ze torende avond aan avond boven hem uit terwijl hij zijn zonde genoot, alles in zich opnemend met haar glanzende ogen, en dat was de omgekeerde wereld. Ooit zou er ingegrepen moeten worden. Maar dat moment kwam onverwacht en sneller dan Maltretrafat ooit had kunnen denken. Kan het zo zijn, dat zwarte gedachten over het verbergen van schuld en schaamte onheilspellende gebeurtenissen in gang zetten, zoals een magneet ijzervijlsel in beweging brengt?
Op een ochtend bleek Amane verdwenen. Astace, de andere dienstbode die een gezicht als een weggeworpen zigzagfolder door het leven torste, bracht de eieren voor het ontbijt en ook een zojuist afgegeven verzegelde brief.
‘Waar is Amane?’ vroeg Maltretrafat, terwijl hij ongerust een toastje besmeerde.
‘Weet ik niet. Weggelopen zeker, en anderen kunnen het werk doen.’ En daar slofte Astace alweer terug naar de keuken om zich voor de wereld te verschuilen. De Onverdunde Kerk was haar enige troost, niet de medemensen en zelfs niet haar medegelovigen.
De commissaris weifelde tussen een warm ei en de brief. Hij koos de brief, verbrak het zegel, las.
Het ei bleef onaangeroerd.
Aan de voet van het IJkgebouw, onder het raadselachtige getal 432.000 dat sinds kort op de eindeloos klimmende achtergevel glanst, heeft een automatische karos met geblindeerde vensters hem opgehaald. En nu zit Maltretrafat aan een wrakkige tafel tegenover een specimen van het slag waarvan hij jarenlang vertegenwoordigers heeft gemarteld en naar het schavot gezonden.
‘Je kunt mij Meester Populus noemen,’ zegt de man in zijn clichématige kapmantel tegenover hem. ‘Meester Anonymus mag ook.’ Enkele trawanten achter zijn rug, allen in kapmantels, grijnzen hun onregelmatige gebitten bloot; één van hen heeft regelmatige, hagelwitte tanden.
Voor het eerst van zijn leven zit Maltretrafat tegenover een openlijke vertegenwoordiging van het Plebejisch Beraad, de schimmige club die naar verluidt de brand op zijn geweten heeft, die lang geleden het oude Lamprey vernietigde. En deze anarchisten hebben hem in een ijzeren greep.
‘Wij hebben Amane met haar nieuwe been,’ zegt Meester Populus. Hij gebaart achter zich. Eén van de trawanten laat de kap vallen, schikt de mantel opzij en toont het verlokkende hertenbloedbeen. Het is de anarchist met de mooie tanden – het is Amane en ze glimlacht even toegeeflijk als tijdens hun intieme sessies in het bovenhuis.
‘We kunnen een en ander aan de grote klok hangen,’ vervolgt Populus. ‘Dat is dan het einde van je loopbaan, je aanzien, van heel je fijne leventje eigenlijk.’
Maltretrafat zwijgt ontzet, staart naar Amane’s prothese die alweer onder de mantel verdwijnt.
‘We kunnen het ook niet doen,’ gaat Meester Populus verder. ‘Maar dan moet jij iets voor ons doen. Een geringe daad, maar van onschatbare revolutionaire waarde.’
De Onverdunde Kerk heeft haar eens voorbeeldige lidmaat razendsnel uitgestoten en verloochend. De voormalige commissaris-generaal spartelt en bokt poedelnaakt in een tuigje aan de kraan boven het met guirlandes opgesmukte schavot. Alleen de verfomfaaide molensteenkraag omkranst nog zijn dikke nek. Vergeefs natuurlijk, dat spartelen, de beul hanteert zijn hendels en laat hem feilloos in het grote aquarium op het schavot zakken, dat tjokvol zit met hongerige lampreien en murenen in allerlei grootte.
Zijn doelwit in opdracht van Populus was Meester Isic geweest, de psychosoof die alleen gezagsdragers en officiële figuren behandelt, onder wie zelfs de allerhoogste in rang: de Incarnatie. Isics dood zou het bestuurssysteem van Lamprey flink ontwrichten. Maltretrafat had met zwaar gemoed een consult aangevraagd. Hij zat tegenover de Meester, die op een kussen met kwastjes troonde, en had zich even verwonderd over de brandvlekken in het tapijt voor Isics bureau. De arts maakte een vaag vertrouwde en vertrouwenwekkende indruk, de truc van alle psychosofen. Toen was Maltretrafat opgestaan, met de door Populus verstrekte doodsstempel verborgen in zijn hand, de stempel die terstond het einde brengt zonder enig spoor van geweld. Maar voor hij één stap kon zetten waren drie wachters vanachter de draperieën gekomen en hadden hem vastgegrepen. Hij kende ze allemaal, administratief gezien waren ze zijn ondergeschikten.
De verrader was verraden, de wraak van het Plebejisch Beraad op hun vervolger ten uitvoer gebracht. Het proces werd snel afgehandeld, met het enig mogelijke vonnis als uitkomst.
De sensatiebeluste menigte verdringt zich op deze zonnige ochtend om het schavot. Iedereen wil zien hoe de rijen scherpe tanden in de mondopeningen van de monsters uit de Ampelzee zich fanatiek vastbijten in de ooit zo gevreesde commissaris-generaal, om hem doeltreffend leeg te zuigen.
De dag dat het IJkgebouw vervaagde
De dienstbode Astace, met haar lelijke en bijna opvouwbare gezicht, is al bijna een oude vrouw en nu ook nog werkeloos en dakloos, sinds haar werkgever is terechtgesteld. Commissaris Maltretrafat heeft in zijn testament geen enkele voorziening voor zijn personeel getroffen. Bovendien zijn al zijn goederen en tegoeden door de Stad verbeurd verklaard.
Astace heeft altijd een afkeer van haar steeds maar voortrazende en gewetenloze Stad gehad, maar nu haat zij Lamprey. Ze haat ook de Incarnatie, ze haat het somptueuze Park van de Boomvarens, het Stadspaleis, de brede lanen en avenues. Bovenal haat ze het onbegrijpelijke en onoverwinnelijke IJkgebouw dat zich overal in je blikveld dringt.
Bitter zwerft Astace elke dag door het Park, waar overdag haar berooide lotgenoten op bankjes liggen, wachtend op de dienders die hen weg komen knuppelen. Ze volgt hen dan naar hun schuilplaatsen in de meer dan manshoge riolen van centraal Lamprey, en naar de kelders die soms naar nog diepere kelders leiden en die volgens onbetrouwbaar gefluister toebehoorden aan vergeten gebouwen van het oude Lamprey. In een van de diepste holen verblijft Flegeton, die beweert 432 jaar te hebben geslapen en al ondergronds is gegaan vóór de brand van het Vulgusoproer.
Astace is bereid dit te geloven. Ze denkt dat hun ontmoeting een teken inhoudt van haar onkenbare god, een teken van haar uitverkiezing. Op haar beurt verkiest zij Flegeton tot haar adjudant en die oeroude zwerver met zijn baard tot aan zijn navel accepteert dit achteloos. Alles glijdt af van Flegeton, de ene toestand lijkt voor hem zo goed of slecht als de andere. Maar alle schooiers en reddelozen uit de diepste krochten van Lamprey volgen hem.
Astace met haar verkreukelde gezicht heeft haar levenslange toevlucht, de Onverdunde Kerk, gewogen en te licht bevonden. Hoe had immers een adder als Maltretrafat zich aan haar boezem kunnen schurken, als zij de Ware Kerk was geweest? Het is nu aan haar, een verstoten en versleten dienstbode, om Lamprey van zichzelf te redden, een zware taak die zelfs de Onverdunde Kerk niet kon volbrengen. Maar het zwakke overwint niet zelden het sterke, het lot van eenieder is onleesbaar en onvoorspelbaar.
Luister, dit is het probleem met het IJkgebouw waar het nieuwe Lamprey zich als een krolse kat omheen heeft gekruld: het staat er wel en het staat er niet. Het verrijst in elke en tegelijk in geen enkele wereld. Volgens de Canon is het gebouw een soort as of spil van de noösfeer, een eeuwigheidsveld dat grof gezegd de vier dimensies van de ruimtetijd omvat en waarin werelden met verwante trillingsgetallen verbonden zijn in ontelbare ketens. De Onverdunde Kerk, die volstrekte toewijding eist aan haar onkenbare en naamloze god, protesteert al generaties tegen de zwijgende aanwezigheid van het IJkgebouw, dat stoffelijkheid met eeuwigheid schijnt te verbinden en dat is nu eenmaal blasfemie. Volgens de Kerk is er maar één wereld en één eeuwige god, de rest is begoocheling en duivelswerk.
Maar je kunt net zo goed protesteren tegen bewustzijn of elektromagnetische straling. Deze zaken trekken zich immers niets aan van je protesten. Astace, die alleen haar brandende geloof heeft, kent de tradities. ‘Het IJkgebouw is de kurk waarop onze zondige Stad drijft en er is wel degelijk iets tegen te ondernemen,’ onderwijst ze aan haar steeds groeiende schare bedelaars en ongelukkigen, terwijl Flegeton zich als een bewegende schaduw aftekent tussen de flambouwen op de achtergrond. ‘Er is lang geleden een nóg hogere en nog godslasterlijker toren geweest. De mensen aan zijn voet spraken in vele talen tegen elkaar, begrepen elkaar niet, en toen stortte die toren in. Ook was er ooit een stad met hoge, onneembare muren. De mensen trokken er zevenmaal omheen en bliezen hun hoorns. Toen vielen en verbrokkelden de muren, de stad lag weerloos als een schildpad op zijn rug. Als we de zonden van Lamprey weg willen wassen, moeten we dat verfoeilijke IJkgebouw aanpakken, dus volg mij!’
Flegeton beweegt zijn armen in de mouwen van zijn gerafelde en bevlekte kaftan. Misschien wil hij zijn ongewassen tors krabben, maar zijn volgelingen zien er een aanwijzing in en brullen: ‘Naar het IJkgebouw, naar het IJkgebouw!’ Eindelijk is er een concreet doel om de bittere teleurstelling van hun leven op te projecteren. Geestdriftig volgen de mismaakten en vervuilden de vrouw die net zo vuil en afzichtelijk is als zij, en die gesecondeerd wordt door de meest duistere van hen allemaal: Flegeton, de man uit kelders onder kelders.
Onderweg krijgt de stroom armoedzaaiers onverwachte versterking. Meester Populus en zijn kameraden van het Plebejisch Beraad, verborgen in hun wijde kappen, voegen zich bij de troep. Astace weifelt, ze is eigenlijk niet gediend van deze revolutionairen aan wie een helse brandlucht kleeft. Maar het doel heiligt soms de middelen, Astace heeft sowieso niet de macht om de plebejers tegen te houden. Want Flegeton maakt geen bezwaar tegen hun aanwezigheid en de stroom strompelende en sluipende bedelaars volgt nu eenmaal zijn aanwijzingen, Astace dient alleen om hen aan te vuren met haar scherpe tong.
Eindelijk bereikt het naamloze legioen het IJkgebouw. Astace leidt haar schare om de enorme, bijna tot de wolken reikende structuur. Op haar aanwijzing barst de menigte los in onbegrijpelijk gebrabbel en dierlijk gekwaak; sommigen zetten gestolen hoorns en fluiten aan hun lippen en produceren een hemeltergend lawaai. Het IJkgebouw moet wel inzakken of vervagen als zij dit minstens zeven ronden volhouden. Astace’s magere armen dirigeren het maatloze kabaal en ook zij brengt schrille, onbegrijpelijke kreten voort. Maar het IJkgebouw is niet alleen hoog, het is ook verschrikkelijk breed. Aan het begin van de vierde, kakofonische ronde is iedereen al uitgeput. Uit de richting van de Ampelzee verschijnen bovendien stippen. Ze komen dichterbij – het zijn ornitopters van de militie, vleermuisachtige machines met leerachtige, half doorschijnende vleugels die draaien, wentelen en klapperen. Hun snorrende geluid met piepende uithalen wordt overstemd door een verhevigd lawaai uit het leger van Astace en Populus.
De militie is te laat! Er ontstaat een groenige, zoete nevel en het IJkgebouw begint waarlijk te vervagen, zoals voorspeld. Astace spreidt triomferend haar armen als ze in de verblekende zwarte muur een lichtend deurtje ziet verschijnen. (Waar is Flegeton eigenlijk gebleven, is die dekselse zwerver alweer ondergronds gegaan?) Uit het deurtje valt een wijde bundel eveneens groenig, maar onaards licht en Astace, licht wankelend nu, ziet in dat licht welige boomkruinen opdoemen en een glooiende vlakte met bloemen in duizend kleuren. Er bestaat dus toch een andere, mooiere wereld dan deze. (Waarom trok Meester Populus zijn kap helemaal over zijn hoofd, zodat die op een ondoordringbaar masker lijkt?) Astace’s ogen glanzen, ze heeft het altijd mis gehad, de Onverdunde Kerk heeft altijd gelogen en dat besef blijkt juist haar overwinning. Ze zal een stap nemen en nog een, en dan dat deurtje vol heerlijke beloften binnengaan.
De zoetgroene nevel is natuurlijk het gas dat de ornitopters over het ongewenste bevolkingsdeel van Lamprey uitstoten. Het uitschot uit riolen en kelders is op ideale wijze vergaderd in de openlucht, open en bloot, hoe vaak doet zo’n gelegenheid zich voor? In Lamprey is mededogen schaars. Meester Populus is ook Meester Isic, de psychosoof in dienst van de Stad. Elke metropool moet zijn onderwereld en zijn revolutionaire genootschappen hebben. En dan is het wel zo gemakkelijk als zelfs die geleid worden door de Stad zelf.
De ornitopters zijn nu geland tussen de lijken en de stervenden, de leerachtige vleugels zijgen neer. Meester Isic, zonder plebejische kap nu, waadt door de menigte slachtoffers, vergezeld door een overste van de militie. De stilte doet vreemd aan na al dat kabaal. De karren van de Stadsverschoning rollen al aan. Vlakbij de roerloze muur van het IJkgebouw stuiten ze op een gedaante in wonderlijke rigor mortis. Het is Astace. Ze staat nog overeind, met één been een stukje voor het andere en haar beide dorre armen naar de gevel van het IJkgebouw uitgestrekt, waar nooit een deurtje was en nooit een deurtje zal verschijnen.
Hotel Argosie
Lamprey is geobsedeerd door de dood. En ook door wat daar mogelijk achter ligt. Hotel Argosie aan de door palmen en platanen omzoomde Baan van de Echidna heeft al jaren geen reguliere gasten ontvangen. Maar het statige, in fomoriaanse stijl opgetrokken gebouw is toch elke nacht boordevol en vervuld van rumoer. Het geniet grote belangstelling van de autoriteiten. De Stad heeft een blinde omheining om het fraaie gebouw laten zetten. Er zijn maatregelen op til. Als spookhotel kleeft aan het pand een odium van subversiviteit, het evenwicht is in gevaar.
Ja, evenwicht. Meester Isic, psychosoof van Stadswege, is voortdurend bezig met het bijstellen van de dosering en verhouding van de coca- en opiumessences die hij zichzelf voorschrijft. Geesten en spoken heeft hij genoeg gezien tijdens de crisisnachten die nu eenmaal onvermijdelijk zijn bij deze verslaving. Herinneringen aan de obscure taken die hij voor de Stad heeft moeten uitvoeren, spoken bovendien onmiddellijk door zijn hoofd als hij de toediening van zijn doses verwaarloost.
Om Hotel Argosie van zijn plaag te verlossen heeft Isic de zwerverkoning Flegeton ingeschakeld, door wie hij is geïntrigeerd. Flegeton behoort zeker tot de meest stabiele personen in Lamprey, ook al riekt hij naar stof en aarde, zweet en excrement en verblijft hij in nooit onderzochte en gesondeerde kelders onder de riolen en substructuren van de Stad. Niets schijnt hem te deren, zelfs niet het verlies van de meeste van zijn volgelingen tijdens het Oproer bij het IJkgebouw, enkele jaren terug. Tegelijk gaat er een vreemde, bijna magnetische invloed van hem uit.
Ze staan binnen de omheining. De maan boven hen is een beschimmelde kaas, uit het hotel klinken gierende jammerklachten.
‘Alle spoken daar manifesteren zich als zelfmoordenares,’ fluistert Isic onwillekeurig tegen de rijzige baardman naast hem (die gelukkig uit de wind staat). ‘En wel zeer specifieke. Namelijk de incarnaties van de hoogedelgestrenge Incarnatie zelf; alle versies van haar die zich uit een zeker venster hebben gestort, om in naam van de Stad het geheim van het leven en de dood te doorgronden.’
De psychosoof snapt allang dat er bij de productie van de Incarnatieklonen iets verkeerd is gegaan. Hun dwangmatige suïcidaliteit berust zeker en vast op een productiefout, maar welk residu of krachtveld van de verpletterde versies zorgt voor de spookverschijnselen?
‘Hoe kunnen we een eind maken aan deze kermis, voor er een cultus of bedevaarthausse ontstaat?’ vraagt hij aan de zwijgzame man naast zich, als dat tenminste een man of een mens is.
‘Hoe moet ik dat weten,’ antwoordt Flegeton bot en hij knijpt iets dood in zijn baard.
‘U met uw magnetische krachten, ik dacht …’ Ja, wat dacht Isic precies, hij weet het zelf niet. Hij weet alleen dat hij deze Flegeton in Stadsdienst wil hebben, zodat het wakend oog van Lamprey zelfs doordringt in de diepste holen waar individuen zich aan haar controle onttrekken.
Flegeton staart naar de aristocratische grijze gevel van Hotel Argosie. ‘Spoken zijn spoken,’ zegt hij dan. ‘Ze zijn ergens blijven hangen en moeten verder geholpen worden. Je wilt kennelijk dat ik je help en daarom zal ik je helpen.’
‘Wat wil je voor je diensten hebben?’ informeert Meester Isic zo luchtig mogelijk.
‘Ik wil één keer uitgebreid mijn behoefte doen op de trappen van het Stadspaleis zonder gearresteerd te worden,’ antwoordt Flegeton onmiddellijk.
Isic is verbijsterd. Is dit het volmaakte nihilisme, of houdt zo’n daad een boodschap in? Over vergankelijkheid en het loon van hoogmoed of zoiets? In elk geval zal de Stadsverschoning ook met de vuige deponering van Flegeton in een wip korte metten maken.
‘Akkoord,’ zegt Meester Isic.
Onder toezicht van Isic graven motormollen van de Stad een rond gat in de nog altijd glanzende vloer van de grote hotellounge. Ze werken alleen overdag, als het gebouw in rust verkeert. Diep gaat het, ‘tot onder de kelders onder kelders,’ heeft Flegeton bevolen, ‘en dieper nog tot in de aardmantel zelf, waar de aarde een brandende rivier is en de elementen samensmelten.’
Als ze kennelijk diep genoeg zijn en niet verder kunnen, zet iemand de loeiende motoren van de mollen uit. Er heerst daar beneden volledige duisternis, maar het is Flegeton die de motoren heeft uitgeschakeld, de camera’s van de mollen liegen niet. Hoe is hij op de bodem van dat onvoorstelbare gat terechtgekomen, zijn er misschien zijgangen en waar komen die dan vandaan?
Flegeton verdwijnt als een schaduw in de gewelven van de aarde. Ook Meester Isic trekt zich terug uit het Hotel, met roodomrande ogen achter donkere glazen, en in zijn binnenzak het foedraal waarin zijn glazen spuitje rust in fluweel en zijde.
Voor de aanvang van het graafwerk heeft Isic zijn nachtelijke inspectie uitgevoerd. Al in de entree van het hotel sloeg de rook hem verstikkend op de keel: niet de aromatische, gezoete sigarettenwalm uit het elpenbenen pijpje van de Incarnatie, maar de onverhulde, verpestende stank en nevel waarin de uitgestrekte oostelijke fabrieksterreinen van Lamprey gehuld zijn. In de lounge was het verraderlijk stil, dus waagde Meester Isic zich op de brede trap naar de eerste verdieping. Ademen kon hij bijna niet meer. Midden op de trap werd hij plots overvallen door een gekrijs en gegil dat de kakofonie van het Oproer bij het IJkgebouw evenaarde. Stoelen stommelden daarboven, glas brak.
‘Wat is dat zwart vóór en na mijn aanwezigheid!’ gilde iets in zijn oor en de gekwelde spiegeling van een gevlekt gelaat onder een rood hoedje zweefde aan hem voorbij. ‘Is vóór en na een verzinsel, of juist het ware zwarte gat?’ krijste een andere en tegelijk dezelfde stem. Iets trok aan zijn mouw, gloeiende as schroeide zijn pols; er was hysterisch lachen, beantwoord door desolaat gehuil. Vertekende gezichten dansten boven slierten van lichamen. Spoken waren dit van wezens die niet eens wezens waren geweest, maar trucages van carnoplast: klonen, avatars, incarnaties van de ware Incarnatie die er ooit moest zijn geweest. Hun aard was hun verklaring: wat nooit echt heeft geleefd, kan ook niet sterven. Meester Isic rende in paniek de trap weer af, kreeg een duw in zijn rug en rolde van de laatste treden. Met de handen op zijn oren vluchtte hij Hotel Argosie uit.
Slapen doet hij sindsdien niet meer, verhoging van het opiaatgehalte van zijn medicatie heeft geen effect. De chemie waarin hij zo vast heeft geloofd, met haar wetten, schema’s en formules, is misschien zelf een projectie, een emanatie uit onverlichte kelders van de psyche. Staan die kelders misschien in verband met de kelders onder de kelders van Lamprey, is Isic daarom zo in de ban geraakt van Flegeton, die hij juist in zijn eigen ban had willen slaan?
Het afdrijven van geesten in de aarde kan alleen ongecontroleerde woeling tot gevolg hebben, aardbeving, rampspoed. Isic vermoedt dit, maar heeft niet de kracht om zich ertegen te verzetten. Flegeton weet het, maar blijft onbewogen. Hij moet wel een wezen zonder ziel zijn, hij is zelf een natuurkracht, alles glijdt langs hem af als regen langs een berghelling en de toekomst van Lamprey beroert hem evenmin als haar getroebleerde verleden.
Het ijselijke rumoer van de incarnatiespoken verstomt als ze in een lange, zwevende stoet in het ronde gat in de lounge afdalen. Eindelijk zullen ze, door in de zwartheid van de diepte op te gaan, de kennis bekomen waarnaar ze zo hebben verlangd. Daarboven, waar de Stad altijd raast en gonst, trekt een rilling door een lichaam in een genummerde kist.
