![]()
‘Ik wil niet dat je gaat.’
Door de tranen zag Irina de wereld als door een beregend raam. Ze hief een hand naar Jeffs gezicht. Hij sloot zijn ogen, kantelde zijn hoofd een beetje en drukte zijn wang tegen haar handpalm. Ook zij sloot haar ogen. Voelde hoe hij zijn hand over de hare legde, voorzichtig van zijn gezicht trok en in haar schoot legde. Met haar andere hand veegde ze de tranen uit haar ogen. De omtrek van zijn lichaam bleef onscherp, de deur van de gecapitonneerde kamer schemerde door zijn lichaam. Zijn ogen waren niet meer het vertrouwde stralende blauw maar hadden de kleur van uitgelopen waterverf.
‘Je weet dat dit niet juist is.’ Zijn stem zweefde ijl door de kamer.
Ze wilde haar hand weer naar zijn gezicht brengen, maar hij hield haar met een korte hoofdbeweging tegen.
‘Waarom doe je jezelf dit steeds opnieuw aan? Irina, je martelt jezelf. Stop toch.’ In zijn blik lag medelijden. ‘Dit is gewoon niet juist.’ De vorm van Jeff verloor steeds meer dichtheid, tot hij opgelost was, één met de lucht in de kamer.
Irina liet beide handen in haar schoot vallen. Alleen de ondiepe kuil in de donzen dekens verried waar hij op het bed had gezeten. Haar vorig jaar overleden Jeff.
Irina legde haar hoofd in haar nek en schreeuwde een kreet van pijn, rouw en wanhoop. Ze schreeuwde net zo lang tot een vrouw zonder kloppen de kamer binnenkwam, op de voet gevolgd door een reus van een man. De vrouw sloeg haar handen over haar oren.
‘Jezus, mens, houd je kop! Francis, laat haar ophouden.’
De man stond al naast het bed en schudde Irina aan de schouders. Toen dat niet hielp, gaf hij haar een klap in het gezicht. Dat had het gewenste effect.
Irina keek geschrokken op. Haar bloeddoorlopen ogen gingen van de vrouw naar de man, die haar bij de armen had gepakt, anticiperend op wat er volgde.
‘Nee.’ Irina’s stem was schor van het schreeuwen. ‘Nee!’ Ze begon te worstelen in Francis’ greep. ‘Nog even! Alsjeblieft, nog even!’ Ze trapte om zich heen, hapte als een woeste hond naar Francis, die haar inmiddels in een houdgreep had en haar moeiteloos van het bed tilde.
‘Emily! Deur!’ Francis plantte Irina op de vloer naast het bed. De vrouw weigerde op haar benen te staan en hing als een zoutzak tegen hem aan.
Emily opende de deur, één hand demonstratief tegen een oor gedrukt tegen het ongearticuleerde krijsen dat Irina nu voortbracht
‘Altijd hetzelfde gezeur,’ mompelde ze hoofdschuddend. Ze pakte Irina’s jas van de kapstok, controleerde met een snelle blik of de kamer leeg was en liep achter Francis aan, die Irina door de gang naar de buitendeur zeulde in wat alleen maar een half-trekken, half-dragen genoemd kon worden. Verschillende mensen in de gang sprongen geroutineerd opzij of doken een kamer in.
‘Hey, Dre,’ groette Francis de roodharige vrouw die net vanaf de straat de gang inliep. Hij moest schreeuwen om boven Irina uit te komen. ‘Houd de deur even open, wil je?’
De vrouw drukte zich tegen de muur en hield de deur zo wijd mogelijk open om te voorkomen dat Irina zich pijn deed door tegen de deur te schoppen. Pijn had ze duidelijk al genoeg.
Andrea greep de jas uit de lucht toen die voorbij vloog, gegooid door Emily, die klaarblijkelijk zat was van de verbale aanslag op haar oren.
Francis had de vrouw op de stoep gezet. De ijskoude stenen werkten blijkbaar ontnuchterend. Irina zweeg abrupt. Francis nam de jas aan en drapeerde hem over Irina’s schouders.
‘Ik wil meer,’ mompelde Irina terwijl ze haar knieën optrok, haar armen om haar benen sloeg en haar hoofd tegen haar knieën legde. ‘Ik wil Jeff.’ Het klonk als een nukkig kind.
‘Verdomde junkies,’ mompelde Francis terwijl hij naar binnen liep. ‘Hey, Dre!’
#
‘Dat zei je al,’ reageerde Andrea droog. Vanuit de droge haven van de gang keek ze naar de vrouw op de stoep. De vrouw schokschouderde. Omdat ze huilde, het koud had, omdat ze was teruggegooid in de ontnuchterende realiteit van het verlies van een dierbare, of alledrie tegelijk.
Francis had gelijk. Het was duidelijk een junkie, verslaafd aan de drugs die ze gebruikte in het Pand. En daar zat ze nu, waarschijnlijk voor de zoveelste keer, op een regenachtige herfstnacht op de stoep, solliciterend naar een longontsteking.
Ze is jong, dacht Andrea. Wie heeft ze verloren? Wie verliest ze steeds opnieuw als de drugs uitwerken? Moeder? Zuster? Broer? Partner?
Andrea twijfelde een moment, toen duwde ze de deur dicht. Ze schudde het beeld van de wanhopige vrouw van zich af. En dat beeld, dames en heren, is reden genoeg om nooit aan die troep te beginnen.
De enige manier waarop Andrea met de drugs in aanraking kwam, was in zakjes. Kunstig gemaakte linnen buideltjes met een geborduurd zandlopertje, die mede dankzij dealers zoals Andrea dagelijks in tientallen van eigenaar wisselden.
Ze had eens een buideltje opengemaakt om te zien wat ze verkocht. Dat bleek een tamelijk ongeïnspireerd, doorzichtig plastic zakje te zijn, aan de randen geseald als een sauszakje dat je bij de sushi kreeg. In het zakje zat een fijn poeder in een al even ongeïnspireerde kleur.
‘Als zand,’ zei een collega eens. ‘Van dat grijze zilverzand waarin je vroeger speelde in de zandbak.’
Andrea vond dat het meer leek op beendermeel, maar hield dat wijselijk voor zich.
De bijnaam “zand” bleef plakken en al snel kregen de dealers de naam ‘zandmannen’. Als enige vrouw in de groep snoof Andrea verongelijkt, maar het kwaad was al geschied.
Eigenlijk toepasselijk. Dankzij zand “droomde” je over je dierbare. Thuis, op een straathoek, in het gras onder een boom of op een bankje in het park. Of in het Pand, in een kamer die was ingericht passend bij de persoon die je wilde zien. Aan een gezellige keukentafel voor thee met je grootmoeder. In een comfortabel bed in een geluiddichte kamer voor een vrijpartij met je partner of minnaar. Aan een bureau voor een gesprek met je zakenpartner.
Maar wel eerst betalen. Vooraf, uiteraard. Achteraf was voor veel mensen geen optie. Wakker worden was vaak een nachtmerrie. Op de stoep eindigen zoals de vrouw van daareven was meer een regel dan een uitzondering. Ontwakend, gedesillusioneerd gegrepen door de realiteit, rillend in de regen met je achterste op de tegels, je voeten in de goot en je hoofd tegen je knieën.
Andrea was nooit in de verleiding gekomen de drugs te gebruiken. Op haar zeventiende binnengelokt als dealer en ondergedompeld in de wereld van verslaving en andere vormen van afhankelijkheid, was voor haar een uitstekende antireclame voor drugs en drank. En waren vriendschap en liefde niet ook vormen van afhankelijkheid? Er was dan ook geen verloren dierbare die ze wilde zien.
Bedankt maar nee bedankt. Deze vrouw is van niets en niemand afhankelijk.
Zand was vijf jaar geleden op de markt verschenen. Of beter: aan de deur van het Pand. Emily, die de deur opende toen er hardnekkig werd geklopt, kreeg een kartonnen doos in haar handen geduwd.
‘Een vrouwelijke stem, het gezicht verscholen onder een capuchon,’ zei ze toen ze de doos op het bureau in het kantoor zette. ‘Maar meer dan dat heb ik niet.’ Verschillende mensen, waaronder Andrea, hadden zich om het bureau verzameld. “Voor iedereen die iemand mist” stond op de doos.
‘Vaag.’ Emily trok het plakband los en duwde de kartonnen flappen opzij. In de doos zaten rond de vijftig linnen buideltjes in verschillende kleuren.
Emily opende een buideltje en ritste met een geroutineerd gebaar het plastic zakje dat erin zat open. Voorzichtig strooide ze wat poeder op een velletje vloeipaper.
‘Proberen?’ Ze keek de groep rond.
‘Ben je gek?’ De verbijstering op het gezicht van Francis ging over in een grijns toen hij daaraan toevoegde: ‘Daar hebben we de junkies voor.’
Andrea wilde niet zien hoe iemand zich kapot snoof aan een naamloze, onbekende drug die in een doos aan de deur was overhandigd door iemand die het gezicht niet toonde, en verdween naar buiten.
Toen ze een paar uur later de gang instapte, kon ze nog net een serpentine ontwijken.
‘Allemensen, wat zit er in die zakjes?’
‘Goud.’ Emily drukte haar een glas champagne in de hand. Andrea gaf het glas door aan Francis en volgde haar baas naar het kantoor, waar haar de resultaten van het “experiment” uit de doeken gedaan werd.
‘Ik wil het niet gebruiken en ik hoef niet te zien hoe het gebruikt wordt.’ Andrea hield voet bij stuk, ook toen na een jaar bleek dat de drug geen fysieke aftakeling veroorzaakte. Het middel bleek echter mentaal verwoestend. De emotionele achtbaan waarin de gebruiker voor de duur van de werking zat, was formidabel. De blijdschap een voor altijd verloren gewaande dierbare te zien. Genieten van samen kletsen, nooit gestelde vragen stellen, vrijen of naar een serie kijken waarin je samen zat en nooit kon uitkijken omdat de Dood roet in het eten gooide. Het moment van afscheid nemen omdat de drugs uitwerken. Moeten loslaten, rouwen en wensen dat je een nieuwe kans krijgt bij het volgende buideltje dat je koopt. Als je het kan betalen.
‘Het is als mijn dementerende grootmoeder,’ had Emily eens gezegd toen Andrea vroeg of haar baas zelf gebruikte. ‘Het ene moment is haar geest helder, kan ze vragen beantwoorden, herinneringen ophalen, hebben we samen de grootste lol. Het volgende moment trekt er een sluier over haar brein en weet ze niet wie ik ben. Iedere keer denk ik ‘dit was het laatste heldere moment’ en neem afscheid. Loodzwaar. Dus om antwoord te geven op je vraag. Nee, ik gebruik niet. Ik kan het emotioneel niet aan.’
‘En je vindt het geen probleem dat anderen wel in die achtbaan stappen?’
Emily had haar schouders opgehaald. ‘Het zijn volwassenen. Het is hun keuze. Misschien zijn zij emotioneel sterker dan ik. We dwingen ze tot niets.’ Daarmee was het gesprek ten einde.
#
‘Dit trek ik niet meer.’ Jeff klonk uitgeput. ‘Ze houdt zich groot, mijn Irina. De momenten samen zijn fijn. Maar Antoon.’ Er lag een smekende klank in zijn stem. ‘Ze moet het loslaten. Moet mij loslaten. Ze heeft nog een heel leven voor zich.’
Antoon knikte afwezig. Hij was meer bij zijn eigen gedachten dan bij Jeffs woorden, die hij al honderden keren had gehoord, van evenzoveel mensen. Altijd kwamen ze bij hem uit. Uiteraard. Het was tenslotte zijn schuld dat ze steeds weer teruggetrokken werden naar de wereld van de levenden.
De eerste keer was even schrikken. Zo was je hier, onderdeel van een groter geheel, comfortabel, veilig. Zo voelde je hoe je werd weggetrokken en zat je ineens tegenover je vrouw, je broer, je grootmoeder die je snikkend om de hals viel.
‘Ik wil Irina niet teleurstellen. Ik mis haar ook. Maar …’ Jeff hief zijn handen in een radeloos gebaar.
Die woorden vatten de tweestrijd samen waarin iedere dierbare verkeerde die teruggetrokken werd. Aan de ene kant het gemis van het leven en geliefden. Aan de andere kant het verlangen naar rust, naar een bestaan zonder tijd, zonder moeten of willen, zonder angst of pijn. Gevangen tussen leven en dood.
Dit was niet hoe het moest zijn. Dat wist Antoon. Antoon, die tijdens zijn leven een middel had gevonden om de brug tussen het leven en de dood te slaan in de vorm van een poeder dat je opsnoof. Antoon, die na zijn dood probeerde die brug te vernietigen.
Ik heb alles tenminste goed vastgelegd. Met die gedachte troostte hij zich. Geen wildgroei aan gebruikers. Het alleenrecht op het gebruik is voor het Pand. En het Pand is gegaan naar degene die ik het meest vertrouw. Alleen had ik Emily eerder moeten inlichten over mijn ontdekking. Gebruikte zij maar. Dan kon ik haar vertellen wat het met de mensen hier deed.
Maar Emily gebruikte niet.
Val niet in dezelfde put als de mensen waaraan je verkoopt. Ik heb een verstandige dochter grootgebracht.
Hij kon niemand met de boodschap naar Emily sturen. Een dierbare kon niet van de zijde van een levende wijken. Eén, twee meter van een gebruiker en de band tussen beiden brak.
Ik kan haar niet bereiken.
Antoon schrok op uit zijn gedachten. Er werd aan hem getrokken. Hij begreep dadelijk wat er gebeurde. Vele anderen hadden het al eens beschreven. Alsof hij door een tornado wordt gegrepen. Zou het huis van Dorothy zich zo gevoeld hebben toen het naar Oz geblazen werd?
Toen trok de storm op en stond hij oog in oog met de roodharige vrouw van het Pand. Andrea gaf een gil en deinsde achteruit.
Snel deed Antoon een stap naar haar toe.
‘Niet weglopen. De band mag niet breken!’ Antoon zag dat haar gezicht bedekt was met vegen zilvergrijs poeder. Of ze was wel heel enthousiast geweest het te gebruiken, of iemand had het in haar gezicht gegooid.
Aan de grond genageld keek de vrouw naar een punt over zijn schouder. Antoon draaide zich om.
Hij stond tussen haar en een vijftal jongeren. Ik ben niet de reden waarom ze achteruit deinsde. Antoon telde drie vuurwapens. Twee jongens hielden het wapen vast zoals je alleen in films zag, de enige vrouw in het groepje wist echt wat ze deed. Alle vijf leken ze van hun stuk gebracht door Antoons plotselinge verschijnen.
Antoon keek van Andrea naar het wapen. Ze gilde niet omdat ze mij zag. Andrea drukte haar rechterhand tegen haar linkerbovenarm, het gezicht een grimas van pijn.
‘Sodemieter op!’ siste Antoon op vervaarlijke toon naar het vijftal. Hij deed dreigend een paar stappen in hun richting en liet de vorm van zijn lichaam een beetje zinderen, zoals hij vroeger ‘demonen’ in films wel had zien doen. Dat had het gewenste effect. Vier zetten het geschrokken op een lopen, de vijfde, de vrouw die op Andrea had geschoten, aarzelde even. Toen besloot ze dat twee tegen een, waarvan een duidelijk al niet meer leefde, geen eerlijke strijd was.
Alsof vijf mensen met drie wapens tegen een ongewapende vrouw eerlijk is.
Andrea vloekte binnensmonds terwijl ze haar jas uittrok en de schade aan haar arm bekeek. ‘Klotekinderen,’ mopperde ze. ‘Anti-drugs fanaten. “Alle dealers moeten dood. Drugs zijn schadelijk.” En een vuurwapen is dat niet?’
Antoon wachtte tot ze klaar was met haar gemopper en haar jas weer had aangetrokken. Pas toen keek ze op.
‘Antoon.’ Ze klonk niet in het minst verbaasd. ‘Waarom ben je hier?’
‘Ik ben de reden dat die vrouw zojuist op jou schoot.’ Omdat hij niet wist hoeveel tijd hij had, besloot hij met de deur in huis te vallen.
‘En ik zie jou omdat …? Je was mijn baas. Geen dierbare.’
‘Ik denk dat het middel twee kanten op werkt. Jij hebt geen dierbare die je heel graag wilt zien. Ik wil heel graag iemand zien. Jij gebruikt het middel …’
Andrea hief haar handen. ‘Ze duwden het spul in mijn gezicht. Ik gebruik geen drugs. Ik denk dat ze mij een overdosis probeerden te geven. Van alle drugs hebben ze dan net het verkeerde middel gekozen.’ Ze grijnsde en wilde het poeder wegvegen.
Antoon hield haar tegen.
‘Niet doen! Anders werkt het misschien uit.’
Andrea veegde met haar hand snel over haar mond. ‘Bah, vies spul. Wat is het eigenlijk?’
‘Geheim van de smid,’ reageerde Antoon met een knipoog. ‘Maar een belangrijk ingrediënt is vermalen beenderen.’
De ogen van de vrouw werden groot. ‘Beendermeel … Van dieren?’
‘Eh, nou …’
‘Gatver!’ Ze spuwde op de grond.
‘Het zorgt voor de sterkste band. Maar we dwalen af.’ Hij keek bezorgd naar haar arm.
‘Geen zorgen, het lijkt erger dan het is. Het brandt alleen behoorlijk.’ Ze keek van haar arm naar hem. ‘Je zei dat je weinig tijd had.’
Antoon knikte. Kort legde hij uit wat er aan zijn kant gebeurde als iemand het middel gebruikte. ‘Een overledene wordt teruggetrokken naar de wereld van de levenden. Dit is niet zoals het hoort. Het is niet juist. Andrea, dit moet stoppen.’
‘Jij ziet wat het doet met de doden. Ik zie wat het doet met de levenden. Ik dacht dat het fantasie was.’ Ze zocht naar de juiste woorden. ‘Een illusie, een droom. Niet… echt.’ Andrea trok haar wenkbrauwen op. ‘Je verdwijnt.’
Antoon hief een arm waarvan de omtrek trilde. ‘Het middel werkt uit.’
‘Nee!’ Andrea besefte wat hij van haar vroeg. ‘Er zit mens in!’ Toen vermande ze zich, trok haar hand over haar wang, bracht hem naar haar neus en snoof. Ze moest duidelijk haar best doen een kokhalsneiging te onderdrukken.
Antoon voelde zich stabiliseren.
‘En nu?’ kuchte Andrea met tranende ogen.
‘Nee.’ Door Emily’s stem klonk een mengeling van vastberadenheid en twijfel. ‘Het levert ons een fortuin op. En jij,’ ze wees naar Antoon, ‘bent dood. Je hebt het Pand aan mij nagelaten. Het is mijn keuze, mijn verantwoordelijkheid.’
Antoon wreef zich in een vermoeid gebaar over zijn gezicht. ‘Em, wat hier gebeurt …’ Hij werd onderbroken door een kreet van wanhoop en pijn die uit een van de kamers kwam. Antoon zag hoe Emily fysiek en mentaal even in elkaar kromp. Meer dan die fractie van een seconde had hij niet nodig. ‘Je weet heel goed wat ik bedoel.’
Emily zuchtte, liet haar schouders zakken en wreef over haar gezicht in een echo van Antoons gebaar van zo-even. ‘Shit.’
Zo vader, zo dochter. Antoon glimlachte inwendig. Dit komt wel goed.
#
Op veilige afstand keek Andrea naar de vlammen die uit de loods in het havengebied sloegen. Een zwerm brandweerlieden, ambulancemedewerkers, rechercheurs en een busje van de EOD bevolkte de parkeerplaats voor de loods.
Links van Andrea stond Emily heel erg te doen alsof ze er zwaar de pest in had. Andrea kon het weinig schelen. Het Pand ging terug naar de oude business, zij bleef verzekerd van werk, had een dak boven haar hoofd en de garantie dat ze, als het haar tijd eenmaal was geweest, niet naar het land van de levenden werd getrokken omdat iemand haar zo nodig wilde zien.
