![]()
Oni no rusu ni mame hiroi
als de oni weg is, kan je je bonen oprapen
― Japanse uitdrukking
De twee oudjes stonden voor het noren-gordijn van hun badhuis, wuivend, met de oprechte afscheidslach op hun gezichten die decennialange dienstbaarheid verried. Twee geschrompelde gestaltes, de vrouw nog iets kleiner dan de man, in bedrieglijk eenvoudige blauwe kimono’s, indigo met smalle lichtblauwe rimpelpatronen, waar ze kraakheldere bruine werkschorten overheen droegen. Ze wuifden zij aan zij tot het busje van de TV-ploeg uit het zicht was verdween.
De sentō was een oud houten gebouw, zoals zo veel in de voormalige winkelstraat van deze oude buurt in Tokio. Op een cederhouten naambord had een meesterhand ‘Seiketsukan’ gecalligrafeerd. Gezond leven. Het bord glansde sintelrood in de ondergaande zon.
Een in onberispelijk pak gestoken man repte zich nog door de straat, met plastic zakjes vol groenten en tofu uit één van de oude winkels, en groette de oudjes beleefd. Binnenkort zou ook de laatste sararīman verdwenen zijn: de winkelstraat lag ver van de uitgaansbuurt in deze wijk.
De oude man maakte als eerste aanstalten om weer naar binnen te gaan. Pretlijntjes dansten over zijn gegroefde gezicht.
‘Ja, mevrouw van de TV met de lange benen, onze familie baat dit badhuis al generaties lang uit,’ imiteerde het andere oudje hem. De kromgebogen vrouw had een hoge, nasale stem. Ze tikte hem op zijn rug met haar wandelstok. ‘Vijf, zes, zegt u maar hoe veel generaties u wilt zien, mevrouw! Schaam je, Achi, je beledigt onze voorouders die niets met een sentō van doen zouden willen hebben. We hebben onszelf ingekocht!’
‘Ja, Ippa, je hebt gelijk natuurlijk,’ grijnsde de man. ‘Maar ze horen dat zo graag. Hardwerkende lieden zoals jij en ik, die door lange jaren van ploeteren het ambacht van hun ouders en grootouders leren en wiens enige ambitie is om hun kinderen en kleinkinderen datzelfde ambacht bij te brengen. Hét verhaal van Japan, voor buitenlandse consumptie tenminste.’
‘Hmpf, welke kinderen?’ sneerde de oude vrouw. ‘Jij kwijlt liever over de lange benen van TV-presentatrices dan dat je je eens inspant om mij kinderen te geven. Ik ben …’
Een gerimpeld vrouwtje verscheen schuifelend in de uitgang. Ippa slikte haar tirade in en boog diep voor één van hun vaste bezoekers, Rokkaku-sama in formeel Japans bedankend dat zij ook vandaag weer zo goed was geweest om haar onmisbare patronage aan hun nederige sentō te geven.
Ook Rokkaku-sama werd professioneel glimlachend uitgewuifd.
‘Ik maak mijn ronde om zeker te zijn dat al onze daggasten de sentō verlaten hebben, Achi,’ zei Ippa, en stapte met een luid uitgeroepen verontschuldiging de kleedruimte voor dames in.
Toen Ippa even later via de kleedruimte voor heren weer de ontvangsthal betrad, keek Achi somber in het houten geldkistje van de bandai, de verhoging waar hij overdag zat en het toegangsgeld van binnenkomende badgasten in ontvangst nam. ‘3500 yen, onze inkomsten van vandaag. Het uurloon van een barmeid, meer is het niet. Zéven betalende bezoekers, Ippa.’
‘Ach Achi, wat verwacht je ook? De mensen in deze buurt worden ouder. Eén voor één gaan ze dood.’
Achi klapte het kistje dicht. ‘Of ze verhuizen naar een flat met eigen badkamer, dat komt wat mij betreft op hetzelfde neer.’
‘Japan gaat ten onder aan vergrijzing, Achi. Daarom hebben we ons ook zo uitgesloofd voor die mensen van de TV,’ zei Ippa. ‘TV is de nieuwe magie. Bekendheid in het buitenland – Amerika, Europa, enzovoort. Er zijn meer hier toeristen dan ooit. Maar mij zal je niet horen klagen dat overtoerisme een probleem is. Toeristen hebben geld, toeristen betalen.’
Samen stapten ze het hart van de verlaten sentō binnen. Op de wit-met-zwarte-ruitjes tegelvloer stonden rechts zeven krukjes voor een rij aan de muur hangende doucheslangen, waar bezoekers zich konden afspoelen voor ze het bad instapten. Het olie-achtige water van het ondiepe zwarte bad lag links van de ingang. Door het hoge raam van de sentō schenen de laatste rode stralen van de ondergaande zon over de tegelwand achterin de sentō, een prachtige afbeelding van Mount Fuji op een zonnige, wolkenloze zomerdag. Onder Fuji-san lagen twee grotere met lichtblauwe mozaïeksteentjes afgewerkte baden, afgescheiden van de tegelvloer door een laag muurtje waar bezoekers op konden zitten, om van daar af via een serie treden steeds dieper het bad in te stappen. De achterbaden waren op hun diepste punt drie shaku diep, wat bij de meeste bezoekers tot hun middel reikte. Het water van één van de baden stoomde.
Achi’s lichaam rekte zich uit, werd langer, zijn neus vloeide naar voren, en over zijn lichaam vormde zich een donkerbruine vacht. Het gezicht van de oude man veranderde in de grijnzende snuit van een wezel.
‘Zijn jij en ik niet vijf van hun generaties waard, Ippa?’ grijnsde de wezel. Met een zwierige buiging strekte hij zijn hand uit naar Ippa. Die accepteerde de hand met een revérence. Haar Achi was een rekel natuurlijk, maar wel een charmante, een elegant roofdier. Ippa’s haar verdween en op haar hoofd en handen vormden zich de schubben van een kappa, twee koppen kleiner dan de wezel. Tussen haar vingers werden vliezen zichtbaar.
Ze dansten op onhoorbare muziek in hun sentō. Hij onstuimig, zij zorgvuldig zodat er geen water zou klotsen uit de holte die bovenop haar hoofd was verschenen. ‘Ah, de wals is één van de beste nieuwigheden die Westerlingen naar Japan hebben gebracht,’ gniffelde Achi.
Hij klapte tweemaal dubbel met zijn handen. ‘Tijd voor het échte werk!’ Vanuit alle hoeken kwamen akaname tevoorschijn. De blauwe wezentjes begonnen met hun lange tongen het vuil en de huidschilfers van vloeren en muren af te likken met ellenlange rode dweiltongen. Seiketsukan was al een eeuw lang absoluut smetteloos.
Het inlijven van zich gratis en voor niets uitslovende werkers, dat was Ippa’s idee geweest. Zij had de akaname-kolonie in de sentō ontdekt toen zij en Achi in 1910 na een uit de hand gelopen baldadigheid even moesten onderduiken. Niet lang daarna werden de uitbaters van de sentō door een serie onfortuinlijke ongelukken getroffen. Helaas hadden Achi en Ippa niet doorgrond wat het Zwarte Bad eigenlijk was, niet tot de nacht nadat ze de sentō voor een spotprijsje hadden overgenomen.
Een blauwig schijnsel vulde de sentō, alsof lichtgevende wolken de ruimte vulden. De laatste zonnestraal verdween. De akaname trokken zich terug in de kieren en hoeken waar ze woonden, nog voor de eerste belletjes het water in het Zwarte Bad in beroering brachten. Kikkerdril-achtige bellen stegen op uit het water in slierten, zweefden in de sentō rond als pikzwarte zeepbellen, steeds groter wordend tot de bellen ploppend uiteenbarstten.
Uit de bellen tuimelden wezens op de grond. Kippen zo groot als kalkoenen, een vrouw met duizenden ogen op haar lange armen, krabben met een mensengezicht op hun pantser, een zeemeermin met en vogelbek – al deze bonte bezoekers haastten zich naar de wanddouches. Ze spoelden dril, bloed, grafaarde en vleesresten van hun lichamen voor ze zich rollend, buitelend en schuifelend naar de twee achterste baden haastten. Krijsend en hinnikend plonsden ze in het water.
Een familie negenstaartige vossen joelde om extra handdoeken, en Ippa rende naar ze toe met een stapel. Achi rende met een bezem naar de afvoergoten waar een manshoge vleesklomp de losse stukjes vlees van zijn lichaam had afgespoeld. Een nachtvogel begon in paniek te krijsen omdat ze de menselijke baby uit het oog was verloren die ze als snack had meegebracht, en Ippa zocht koortsachtig elke hoek van de sentō af tot ze de baby had gevonden.
En ondertusssen bleven nieuwe nachtgasten uit het zwarte bad opborrelen. Eén-ogige kindergeesten, reusachtige duizendpoten, een beeldschone brugdemon. Een monsterlijke stoet met hun vuil, hun ego’s en hun niet aflatende vermogen problemen te veroorzaken. Een onikuma-beer trapte op de enorme balzak van een wasbeer, en Achi kon de ruzie maar net sussen. Een kamikire-kapper probeerde stiekem het haar van de brugdemon af te knippen, en dát … ach, zo ging het maar door. Achi en Ippa renden de hele nacht op en neer, hun setta-sandalen klepperend over de steeds groezeliger wordende tegels.
Een nieuwe dag begon. De laatste yokai was net teruggesprongen in het olie-achtige water van het Zwarte Bad, en Ippa en Achi zaten uitgeput onderuitgezakt op een krukje. De akaname kwamen tevoorschijn voor hun uitgebreid ontbijt van vuil en smurrie.
‘Genoeg volk ’s nachts,’ hijgde Ippa.
‘Méér dan genoeg,’ beaamde de wezel. ‘Jammer alleen dat onze yokai-broeders en -zusters geen interesse hebben voor menselijke uitvindingen als geld. Ze komen wel, maar ze betalen niets!’ Hij hees zich op van de kruk. ‘Tegenhouden kunnen we ze niet: als ze boos worden, breken ze heel Tokio af, en ons erbij. Ze kennen onze geur. De meest populaire sentō in Tokio, en toch gaan we zo failliet, tenzij we meer daggasten krijgen.’
‘Geld dankzij toeristen, toeristen dankzij de nieuwe magie van TV,’ zuchtte Ippa. Het klonk nu al uitgesleten. Lange uitputtende nachten hadden dat effect.
Achi en Ippa hadden in 1970 maar liefst twee TV-toestellen bemachtigd. Toen kwamen er nog veel meer daggasten, en die hadden het de hele tijd over de wonderen van Expo 70, de grote wereldtentoonstelling in Osaka. Ippa had Achi met niet aflatend gezeur overtuigd dat ze nog meer gasten zouden krijgen als die TV-beelden van de Expo konden zien, want gezinnen met een TV waren er nog nauwelijks in hun wijk. En voor een tijdje was het ook extra druk geweest, en zaten hun bezoekers bijna elke dag in groepjes pratend rond de TV. Maar in september was de Expo afgelopen, en de vaste bezoeker verzuchtten: ‘die rust is toch wel zalig, hoor! Dat hebben we gemist.’ Dus had Achi de TV’s stilletjes weggeborgen.
Deze avond had hij één van de toestellen voor het eerst in vijftig jaar weer tevoorschijn gehaald. De beeldbuis in het notenhouten kastje lichtte meteen op toen Achi de aan-knop omdraaide, wat bij mevrouw Rokkaku een ‘da’s toch ouderwets degelijk, nietwaar?’ ontlokte, maar Achi totaal niet verbaasde.
Drie getrouwe bezoekers hadden zich met Achi en Ippa in een halve kring om de TV geschaard. Zij zagen Ippa en Achi in schokkerig zwart-wit in de sentō rondlopen. Elke keer dat ze iets vertelden aan de presentatrice met de lange benen, verscheen een totaal onbegrijpelijke reeks tekens onderaan het scherm. ‘Dat is Engels,’ wist mevrouw Maekawa, een rijzige oude vrouw die op vakantie in het buitenland was geweest.
TV was toch werkelijk iets magisch, vond Achi. Hij en Ippa zagen zichzelf op het scherm duidelijk in hun eigenlijke yokai-gedaanten, maar de mensen zagen op het TV-scherm alleen de mensengedaanten die de wezel en de kappa hadden aangenomen.
Toen het half uur voorbij was, waren hun vaste gasten het er roerend over eens dat Ippa en Achi er volledig in waren geslaagd om de charmes van hun sentō onweerstaanbaar overtuigend te introduceren. ‘Daar komen toeristen in drommen op af!’ zei mevrouw Rokkaku vol enthousiasme. De andere twee dames knikten ‘Zo is het, zo is het,’ in eenstemmige ondersteuning. ‘Morgen gaat een drukke dag voor je worden, Ippa,’ lachte mevrouw Maekawa, ‘met al die nieuwe gasten!’
De volgende dag hadden Achi en Ippa hun beste kimono’s aan, die ze ook voor het TV-programma hadden gedragen. Ze openden hun deuren een half uur vroeger dan anders, vol gespannen verwachting. Maar een rij wachtende toeristen was er niet. Nee, er was niemand. ‘Het vroege uur,’ zei Ippa. ‘Toeristen komen later in de ochtend.’
Tien uur kwam, elf uur kwam, de noen arriveerde. Nog steeds was er niemand.
Om drie uur arriveerde hun eerste gast. Mevrouw Rokkaku, die altijd om drie uur arriveerde. ‘En?’ zei ze. Maar Ippa kon geen woord uitbrengen, haar verslagenheid was te groot.
‘Geen enkele toerist,’ zei Achi bitter toen hij de deuren van de sentō om zes uur sloot. ‘Niet één, Ippa! Kijken buitenlanders soms geen TV?’ Hij ijsbeerde rond met zijn tanden ontbloot, zo gefrustreerd was hij.
‘Kalmeer, Achi,’ zuchtte Ippa. ‘TV heeft ons misschien niets opgeleverd, maar het kost ook niets. We hebben erger tegenslagen overleefd, heus.’
De sentō was ook deze avond alweer volgestroomd met yokai uit het Zwarte Bad. Ippa en Achi werkten als altijd als bezetenen.
Opeens klonk er onverwacht rumoer vanaf de straatkant. Achi keek op. Wat was daar in vredesnaam aan de hand? Geen zichzelf respecterende Japanner zou ’s avonds zo veel herrie op straat maken.
Het lawaai nam toe. Volk in de kleedhokjes!
Achi liet een dweil uit zijn handen vallen en rende naar voren. Hij botste tegen de eerste figuur aan die uit de hokjes de sentō instapte. Een withuidige vrouw, westers, adembenemend en een kop groter dan Achi. Hij siste in paniek. Wat deed die toeriste hier zo laat op de avond?
De vrouw greep Achi in de kraag, tilde hem moeiteloos met één hand op en keek hem in het gezicht. Haar snijtanden verlengden zich, en ze zei in gebroken Japans tegen de kermende wezel: ‘Later doen we meer boemp misschien, kleintje. Nu gaat Ludmilla baden in water.’ Ze liet de wezel vallen en stapte over hem heen.
Door de spleetjes tussen zijn vingers zag Achi hoe Ippa vergeefs een paar toevliegende elfjes probeerde schoon te spoelen voor ze het bad in doken, maar geen partij was voor de dartele sierlijkheid van de tsjirpende pixies. Een wolfman probeerde een vossenvrouw te besnuffelen, die begon te sissen. Een bergtrol wilde per sé een potje armworstelen met een oni, midden in de sentō, en een roedel bebaarde leprechauns vormde een lawaaiige kring om de twee reuzen heen en moedigde de krachtpatsers aan tot ze beiden rood zagen. Ze gooiden een fles whiskey rond in de kring, die Ippa tevergeefs probeerde te onderscheppen, en dronken juichend en boerend enorme slokken. Ippa maakte een einde aan de worstelpartij door een handvol bonen op de vloer tussen de worstelaars te gooien. Toen de wolfman met een lik van zijn grote hondentong Ippa’s waterholte in één keer leeg likte en Ippa als gevolg verstijfde, vermande Achi zich en haastte zich overeind. Wat een chaos …
Vlak voor zonsopgang verlieten de westerse bezoekers de sentō in een vrolijk zwalkende en hoogst ongepaste optocht. ‘TV had gelijk,’ bralde een leprechaun in erbarmelijk Japans vanaf de schouder van de bergtrol, ‘sentō mooi traditie, boel fun. Alle vrienden zeggen. Morgen zijn er allemaal!’
Hoe hadden ze ooit kunnen geloven dat ze de afgelopen 110 jaar ondraaglijke drukke nachten hadden gehad? dacht Achi. Hij was geradbraakt. Wát een bezoeking waren die westerlingen. Even wispelturig als hun eigen yokai waren, maar dan zonder manieren.
Op één punt slechts herkende Achi het gedrag van de Westerse duisterlingen die op hun TV-uitzending waren afgekomen: Achi’s geldkistje was even leeg gebleven als elke nacht.
