![]()
1 – Naar Acajama
Diep beneden mij doet de Grauwe Woestijn haar naam eer aan. Van het door zandstormen gegeselde oppervlak heb ik nog niets gezien. In de azuurblauwe hemel heerst serene rust, enkel verstoord door zwiepende drakenvleugels. Naast Azar vlieg ik in het eskader dat op weg is naar het zuiden. Voor mij is dit de eerste veldtocht, voor mijn broer de derde. Ik moet aan Kuri denken, die hij de tweede keer meenam.
‘Waar vond je Kuri?’
Azar lacht. ‘Dat doet er niet toe. Dat haar vader steenrijk was, was belangrijker. Hij bood me zijn mooiste dochter aan om zijn hachje te redden. Ik lachte hem uit, onthoofdde hem en liet Kuri zijn kostbaarheden dragen.’
Ik ril van afschuw.
‘Heb je enig idee hoe we Acajama innemen, broertje?’ vraagt Azar.
‘Nee. Ik vraag me af hoe heer Korak dat denkt te doen. Ik hoorde dat het zuidelijke leger honderdduizenden krijgers telt.’
‘Dat is waar en toch weet je zo goed als niets, broertje. Heer Korak bespreekt het krijgsplan enkel met zijn aanvoerders.’
Mijn broer bedoelt dat ik het wel nooit tot aanvoerder zal schoppen. Ik zwijg.
‘Voor deze keer zal ik je ongevraagd iets wijzer maken. De woestijn is levenloos, maar de bergen niet. In de grotten en onderaardse gangen krioelt het van de ghouls. Die heersen over het gebergte en maken een doortocht onmogelijk, tenzij iemand het met hen op een akkoordje gooit. Dat deed Korak. Niet alleen leiden de ghouls ons voetleger door het gebergte, maar ze gaan ook Acajama voor ons innemen, niet voor niets uiteraard. Alles heeft zijn prijs.’
‘Wat is die prijs?’
‘Je zult het zien, broertje.’
Ik huiver. De laatste pieken glijden onder ons voorbij. Azar wijst naar een bruingele streep aan de horizon. ‘De stadsmuren van Acajama. Daar voegen we ons bij het voetvolk.’
Ik klem mijn kaken op elkaar en weet niet of ik nog wil weten wat daar staat te gebeuren.
2 – Het beleg
Azar staat naast mij op een hoogte die een onbelemmerd uitzicht biedt op het terrein rond de stadsmuren. Zijn gezicht staat strak. Ik weet waarom. Op het platform achter ons heeft heer Korak tussen zijn bevelhebbers plaatsgenomen. Een enorme luifel zorgt voor de nodige schaduw. Azar overschatte zichzelf. Ja, hij is aanvoerder, maar enkel van een klein contingent voetsoldaten. Net als ik staat hij gewoon in de brandende zon.
Ik negeer mijn broer en volg tegen wil en dank het schouwspel daar beneden. Een horde harige ghouls maakt een rij gigantische steenwerpers in gereedheid. Achter hen nadert een stoet mannen die grote zakken meezeulen. Schreeuwende ghouls met zwepen zo dik als mijn arm drijven hen voort.
‘Wie zijn die mannen?’ vraag ik de eerste de beste krijger.
‘Zuidelijke krijgsgevangenen. Ze dragen de hoofden van hun gesneuvelde kameraden.’
‘Waarom?’
‘Dat zie je straks vanzelf.’
De zuiderlingen schudden de zakken leeg in grote tonnen naast de steenwerpers. De ene ghoul grijpt twee of drie hoofden tegelijk bij hun haren, doopt ze in een enorme ketel en smijt ze daarna in de kom van de werper. De volgende steekt een brandende fakkel in de kom. Zo gaat het bij de hele rij. Even later zeilen ontelbare hoofden in een vurige boog over de muren van Acajama.
‘Een mengsel van pek, zwavel en fosfor,’ zegt de krijger. ‘Dat brandt als de hel.’
‘Leven de zuiderlingen dan niet in stenen huizen?’
‘Alleen de keizer en zijn gevolg. Alle gewone woningen zijn van hout. Ze maken geen schijn van kans.’
De eerste rookwolken kringelen omhoog. Tegelijkertijd steekt een straffe wind op. De branden in de stad groeien razendsnel uit tot een alles verterende vuurzee.
‘Kom, broertje,’ roept Azar. ‘Ik wil het wat dichterbij gaan bekijken.’ Hij wacht niet op mij, maar begint gelijk aan de afdaling.
Ik voel er weinig voor om hem te volgen, maar ik moet wel. Azar is nu mijn aanvoerder, wiens bevelen ik blindelings op moet volgen. Tussen de ghouls en werpers door volg ik hem naar de voet van de muur.
Met een doffe smak valt iets op de grond. Voor mijn voeten ligt een meisje roerloos op haar rug. Haar open ogen staren naar een met rook gevulde hemel. Dunne straaltjes bloed sijpelen uit haar neus, mond en oren.
Vol afgrijzen kijk ik toe. Dan valt weer iemand uit de lucht. Ik deins naar achteren. Het regent nu lichamen. Bij de stadsmuur vormt zich een groeiende stapel dode en stervende stedelingen. Ik knijp mijn ogen dicht en probeer me af te sluiten voor al die doodskreten.
Azar stompt tegen mijn schouder. ‘Ik heb een idee,’ roept hij. ‘Ik haal een paar mannen en een deken. Als we elk een punt pakken, vangen we een mooi meisje op, helemaal voor jou alleen. Zo’n buitenkans mogen we ons niet laten ontgaan.’
Bijna had ik nee geroepen, maar een stemmetje in mijn geest fluistert me in dat ik op die manier in ieder geval één meisje van de dood kan redden en dat ik niet het recht heb om dat na te laten.
Azar is snel terug met twee mannen en een lap vilt, waarvan hij me een uiteinde aanreikt. ‘Schiet op,’ zegt hij, ‘er springen er al minder. Straks zijn we nog te laat.’
‘Nu,’ schreeuwt hij. Een meisje ploft neer op het doek. Ze glijdt eraf en landt op handen en voeten. Ze krabbelt overeind en slaat de handen voor het gezicht.
Azar grijpt het meisje om haar middel en zet haar voor mijn voeten neer.
‘Vind je haar mooi genoeg?’ Ruw trekt hij de handen weg van haar gezicht. ‘We kunnen haar natuurlijk ook aan de ghouls voeren en het nog eens proberen.’
Ik schud mijn hoofd. ‘Nee,’ zeg ik, zonder naar haar gezicht te hebben gekeken.
‘Prima. Ik verwachtte al dat je niet al te kieskeurig zou zijn. In ieder geval zit er zo te zien alles op en aan. Ze zal je best wel een paar kinderen kunnen baren.’
Azar petst het meisje op haar achterwerk en laat haar los. ‘Weet je wat, broertje? We kunnen het hier ook wel zonder jou af. Breng haar maar vast naar huis. Intussen ga ik kijken wat er voor mijzelf nog te halen valt.’ Hij grijnst en keert me de rug toe.
Het meisje zinkt op haar knieën en slaat opnieuw de handen voor de ogen.
Ik ga op mijn hurken tegenover haar zitten. ‘Kijk me aan,’ zeg ik zo rustig mogelijk. Voorzichtig leg ik een hand op haar schouder.
Het meisje doet wat ik vraag. Ze is mooi, maar ook broodmager. Ik zie dat haar lippen zijn gebarsten en reik haar een waterzak aan. Ze rukt hem bijna uit mijn handen en drinkt gulzig.
Wanneer haar dorst is gelest, leg ik een vinger op mijn borst. ‘Kayan,’ zeg ik. Dan wijs ik naar haar. Ze fronst en reageert niet meteen, al geloof ik dat ze me heel goed begrijpt.
‘Aguya,’ zegt ze ten slotte aarzelend.
Ik wil weg van hier. Uit de berg lichamen klinkt het gejammer en gekreun van hen die zo ongelukkig waren om niet meteen te sterven. Het snijdt door mijn ziel, maar ik kan niets voor hen doen. Alleen voor Aguya kan ik misschien iets doen.
3 – Naar huis
Ik klim op mijn draak en steek een hand uit. Hoe zal Aguya reageren? Wat doe ik als ze ervandoor gaat? Zonder mij gaat ze bijna zeker een ellendig lot tegemoet. Beseft ze dat wel?
Tot mijn opluchting pakt Aguya wel degelijk mijn hand, zodat ik haar omhoog kan trekken. Ze lijkt wel gewichtloos. Mijn draak zal haar aanwezigheid nauwelijks opmerken…
Al snel laten we het brandende Acajama achter ons en vliegen we over het Grensgebergte. Ik had verwacht dat Aguya zich angstig aan mij vast zou klampen, maar ze is moediger dan ik dacht. Ze raakt me met geen vinger aan en blijft zo stil dat ik voor de zekerheid even omkijk.
Wanneer we ook de woestijn achter ons laten, land ik midden op de steppe, want we vertrokken te laat om het tentenkamp voor zonsondergang te bereiken. Bij een heldere nacht, zeker bij maanlicht, zou dat geen probleem zijn, maar nu is heel de hemel loodgrijs.
Eerst laat ik mijn draak drinken en voer hem. Daarna leg ik een vuur aan en maak van takken en een lap vilt een provisorische tent. In gebarentaal leg ik Aguya uit dat ze het vuur brandend moet houden, terwijl ik op jacht ga. Gelukkig weet ik snel een steppehaas te schieten. Terug bij Aguya haal ik mijn mes uit de schede, reik het haar aan en wijs eerst naar haar en dan naar de haas voor haar voeten. Vol afschuw kijkt Aguya me aan. Voor het eerst moet ik om haar lachen en wordt me iets duidelijker hoe anders haar leven in een stad als Acajama moet zijn geweest.
Een eindje verder vil ik de haas en zoek ik een paar geschikte takken voor een spit. Wanneer het vlees gaar is, reik ik eerst Aguya een stuk aan. Misschien begrijpt ze dan dat ik anders ben dan mijn broer. Als ze goed heeft opgelet, weet ze dat nu waarschijnlijk al.
Wanneer we verzadigd zijn, is het vuur bijna gedoofd en de zon onder de horizon verdwenen. Ik rol een paar huiden en dekens uit en beduid Aguya dat ze kan gaan slapen. Mijn gebaar ziet ze niet. Ze kijkt ergens anders naar. Ik volg haar blik. Die is duidelijk gericht op het mes voor mijn voeten waarmee ik de haas vilde en het vlees sneed. Ik probeer haar gedachten te raden. Gaat ze me met dat mes in mijn slaap de keel doorsnijden als ze de kans krijgt? Dat geloof ik niet. De kans lijkt me groter dat ze zichzelf doodt om aan het wrede leven van een slavin te ontsnappen. In een opwelling doe ik iets dat Aguya ervan moet overtuigen dat ze niets van mij te vrezen heeft en dat ik haar vertrouw. Wie weet geeft haar dat genoeg moed om verder te willen leven. Ik glimlach naar Aguya, pak het mes en leg het naast haar neer. Sprakeloos kijkt Aguya van mij naar het mes en weer terug. Net als ik denk dat mijn poging vruchteloos is, begint er bij Aguya iets te dagen. Ik zie het aan haar gezichtsuitdrukking. Aguya knikt, gaat liggen en keert me meteen de rug toe. Even later slaapt ze. Dat hoor ik aan haar rustige ademhaling. Een tijdlang kijk ik naar haar en denk na over hoe het nu verder moet gaan met ons beider leven. Dan ga ik aan de andere zijde van het mes liggen. Ik val in een diepe, droomloze slaap.
4 – Aguya
Een streep zonlicht zet de binnenwand van de tent in een gouden gloed. Ik heb er geen oog voor. Al mijn aandacht gaat uit naar Aguya, die buiten de tent op haar knieën zit. Zonet schraapte ze nog restjes vet van een drakenhuid. Nu rusten de handen in haar schoot en staart ze uitdrukkingloos voor zich uit. Op een lendendoek na is ze naakt. Zo lang ze niet zwanger is, verspilt moeder geen lap stof aan haar.
Ik weet waar Aguya’s geest rondwaart. Dat is ver van hier, voorbij de woestijn en de bergen die ons van het vruchtbare zuiden scheiden. Ze zal aan haar jeugd terugdenken en aan de tijd voordat mijn volk van haar geboortestad een oord van as en knekels maakte.
‘Aguya is al een jaar hier. Ze is nog altijd niet zwanger en te dom om onze taal te leren. Hoeveel geduld heb je nog met haar, Kayan? Voer dat scharminkel aan je draak en koop een echte vrouw.’
Wat bezielt moeder? Tot nu toe liet ze enkel met gebaren blijken wat ze van Aguya vindt. ‘Nee, dat doe ik pas als ik zeker weet dat ze onvruchtbaar is.’
Dat Aguya nog maagd is, blijft een van mijn geheimen. Mijn broer lacht zich dood als hij hoort dat ik haar niet met geweld wil nemen. Ook moeder zou er niets van begrijpen.
Aguya staart nog altijd nietsziend voor zich uit. Toch is iets in haar blik veranderd. Ik kan er niet helemaal de vinger op leggen, maar vermoed dat het alles met haar verleden te maken heeft. Ik sluit de ogen en zweef terug in de tijd…
5 – Het mes
Na moeders wrede woorden besluit ik dat het zo geen dag verder mag gaan. Haar voorstel om Aguya als drakenvoer te gebruiken was de laatste druppel. De volgende morgen ga ik meteen op zoek naar Aguya. Een eind achter onze tent zit ze te melken. Ze kijkt me niet aan als ik voor haar sta en doet net of ze enkel aandacht heeft voor de spenen van de ooi.
‘Waar is je mes, Aguya?’
Aguya zwijgt, maar een lichte hapering verraadt haar.
Zonder pardon pak ik de ooi bij de achterpoten en zet haar een eind verder neer. Ik keer terug naar Aguya, ga op mijn hurken voor haar zitten en til haar kin omhoog.
‘Waar is je mes, Aguya?’ vraag ik opnieuw.
In haar ogen zie ik een eerste vonk van begrip. Even aarzelt ze nog. Dan tast ze onder haar lendendoek en haalt het mes tevoorschijn.
‘Wil je het terug, Kayan?’ vraagt ze, zo zacht dat ik het nauwelijks hoor. Maar hoe onwennig het ook klinkt, het is wel degelijk onze taal die ze spreekt.
‘Nee, Aguya,’ antwoord ik, ‘ik wil alleen maar weten of je me daarmee wil doden als ik doe wat moeder van mij verwacht?’
Zoals ik al vermoedde, begrijpt Aguya ook die langere zinnen. Ze slaat een hand voor de mond. Dan doet ze iets wat ze nooit eerder deed. Ze laat zich pardoes in mijn armen vallen en begraaft haar gezicht in mijn tuniek…
Ik wrijf over haar rug. ‘Je zou dus jezelf hebben gedood. Waarom dan, Aguya?’
Aguya’s lichaam schokt. Even denk ik dat ze in tranen uit gaat barsten, maar dat gebeurt niet. Ze maakt zich los uit mijn armen en gaat voor mij zitten.
‘Je begrijpt het niet, Kayan. Als ik kinderen krijg als een slavin, zullen die ook in slavernij opgroeien. Dat wil ik niet. Ik sterf nog liever.’
Ik leg mijn handen op haar knieën en kijk haar langer aan dan ik ooit deed. ‘Daar valt iets aan te doen. Kun je raden wat, Aguya?’
Ze schudt het hoofd.
‘Ik ga je iets beloven. Kom mee. Ook moeder moet het horen.’
6 – Het geheim
In de warmte van de ochtendzon voedt Aguya de kleine Sarnai. Aguya ziet hoe aandachtig ik toekijk. Ze reageert met een gelukzalige glimlach.
‘Je geduld is uiteindelijk beloond, Kayan,’ zegt moeder. ‘Toch vraag ik me nog altijd af waarom je Aguya haar vrijheid gaf.’
‘Dat blijft ons geheim, moeder.’
Over mijn nieuwste belofte aan Aguya zwijg ik ook. Sarnai is nu oud genoeg om een lange reis aan te kunnen. Morgenvroeg vliegen we weg van hier om een plek vinden waar niet de dood regeert, maar vrede heerst, waar ter wereld dat ook mag zijn.
Ik sta op om een extra portie vlees voor mijn draak te halen. Hij zal het nodig hebben…
