![]()
Artist: Henry B Kummel
Vandaag is de wereld nog steeds een vreemde en onafgewerkte plek, zoals hij dat altijd was. Het leven ligt in het verlengde van gisteren, en onze intenties zijn slechts voor morgen bestemd. Zo denken wij er allemaal over, terwijl we langzaam zuidwaarts reizen aan boord van een zo goed als leeg Zweeds vrachtschip. De meesten in dit kleine gezelschap zijn aan boord gegaan in Hamburg. We hebben de afbrokkelende kusten van Engeland achter ons gelaten.
Tegenover Gibraltar merkten we een storm op over de Atlantische Oceaan, maar die liet ons ongemoeid. Later, ten noorden van de Canarische Eilanden, passeerden we een door tijd en klimaat aangetast galjoen dat onder de Britse Marinevlag voer, waarschijnlijk een volledig bewapende driedekker. Maar dankzij onze motoren raakten wij hem weer kwijt. Al gauw is hij slechts een herinnering. Al gauw zullen we veel gevaarlijker vijanden proberen te ontlopen.
Nu zijn we onderweg langs de kust van Afrika, een neokoloniaal Afrika dat min of meer bestendigd is in het heden. Geketend aan het heden, zeggen sommigen. We spelen schaak en verschillende kaartspelen, maar nooit voor geld. Het heeft al een tijd geen zin meer om voor geld te spelen.
Vorig jaar rond deze tijd verbleef ik in Palanza, aan het Lago Maggiore, in een luxehotel aan de oever tegenover Stresa. Die stad was bijna verlaten, de grote hotels gesloten. Ooit kwamen daar de rijken samen, om feest te vieren. Palanza had een kleine haven waar de boten aanlegden die de voornaamste stadjes met elkaar en met de eilanden verbonden. Het hotel had een kleine maar aangename tuin en een binnenzwembad. Beide goed onderhouden door de oplettende staf. Dit was ongeveer zes maanden na Het Incident.
Het Incident, zoals het genoemd werd. Tja, het moest een naam hebben, maar niemand voelde zich geïnspireerd. Het kwam onverwacht, en toch hadden we voorbereid moeten zijn. Dat is wat er ons ten kwade werd geduid, dat gebrek aan voorbereiding. We hadden kunnen weten dat ons, de mensheid, iets dergelijke kon overkomen. Je gaat niet knoeien met de fundamentele machten van de natuur — en met fundamentele deeltjes — zonder dat er gevolgen kunnen verwacht worden.
Tenminste niet zonder te verwachten dat er ergens iets, op de een of andere manier, op een totaal fundamentele manier, verkeerd kan gaan. De wetenschappers die de eerste kernbom tot ontploffing brachten, in New Maxico of waar dan ook, verwachtten dat de atmosfeer zou ontbranden. En toch testten ze het ding. Wat een heleboel vertelt over de manier waarop wetenschappers denken.
Dus overviel Het Incident ons, hoewel aanvankelijk niemand wat in de gaten had. Er leek niets ongewoons aan de hand. De dingen begonnen pas de daaropvolgende weken te veranderen. Romeinse soldaten, waarvan men aanvankelijk veronderstelde dat het om enthousiaste uitvoerders van een historische reconstructie ging, verschenen in de buurt van Ipswich. Veel gevolgen had het niet, behalve dan dat twee auto’s met elkaar in botsing kwamen. De soldaten verdwenen vervolgens weer. Daarna werd een volledig opgetuigde Vikingboot opgemerkt door een containerschip, ergens op de noordelijke Atlantische Oceaan.
Niet lang daarna begonnen de dingen werkelijk verkeerd te lopen. Een groep Mongoolse strijders viel een dorp in het noorden van China aan en liet de lichamen van dorpsbewoners achter, doorboord met antieke pijlen. Zeven inwoners van een gehucht in het noorden van Nederland werden afgeslacht door uit het niets verschijnende mannen gekleed in huiden en gewapend met niets meer dan stenen bijlen. Een antieke driedekker beschoot een ongewapend militair konvooi in het westen van Duitsland, vlakbij de Franse grens, waarbij vier soldaten omkwamen.
Gisteren is weergekeerd, om wraak op ons te nemen.
De smalle parkeerplaats tegenover het hotel in Palanza was vol. Auto’s met Italiaanse nummerplaten, zo goed als geen toeristen. ‘Er is een huwelijksfeest aan de gang in het restaurant,’ zei de portier. ‘Maar dat duurt niet lang meer. We zullen voor uw auto zorgen en brengen hem later op de avond weer terug tot voor het hotel.’
Mijn bagage werd in mijn kamer afgeleverd. Die keek uit over het meer. Een bescheiden zeilboot lag twintig meter uit de kust voor anker. Donkere wolken bedekten de noordelijke horizon, waar Zwitserland lag en waar dingen gebeurden in het CERN. Of waar ze niet gebeurden. Of niet meer. Afhankelijk van wat je verstaat onder dingen.
Deze kant van het meer werd verondersteld rustig te zijn. Minder hotels, en alleen de grote, de echt dure. Ik had mijn aanzienlijke participatie in het bedrijf verkocht en kon mijn verdere leven slijten in dit soort luxe. Ik kon me zorgeloos dit soort hotels veroorloven. Maar ik had iets nodig om mij mee bezig te houden. Iets zinnigs. Ik wilde weer aan onderzoek doen, maar niet meer voor CERN of voor de Amerikanen.
Het leven was echter grondig veranderd sinds Het Incident. Misschien waren mensen zoals ik niet langer meer nodig.
Het restaurant — na afloop van het feest — was slechts voor de helft gevuld. Het was mei, buiten het seizoen. In het hotel verbleven alleen oudere toeristen, of zakenlui met een onkostenrekening.
Acteurs in een historische reconstructie. Zo zagen de mensen de indringers eerst. Ietwat bizarre maar onschuldige lui die ervan genoten hun weekend in een ander tijdperk door te brengen. Dat verklaarde de pijlen niet in de lichamen van de Chinese dorpsbewoners. Dat verklaarde de dode Nederlanders niet, of de driedekker. Aanslagen door terroristen met een bijzonder gevoel voor dramatiek? Die er een punt van wilden maken terug te keren naar vroegere tijden? Die wilden bewijzen dat pijlen en stenen bijlen even doeltreffend konden zijn dan bommen?
Er werd uiteraard druk over gespeculeerd.
Dat was vooraleer een gewapende groep het stadje Sedona, in de Amerikaanse staat Arizona, binnenreed en er begon te moorden en te plunderen. Native Americans, of Indianen, afhankelijk of je politiek correct wilde klinken of niet. Te paard, gewapend met karabijnen, bogen, tomahawks. Overlevenden vertelden dat de aanvallers tegen glazen ramen of deuren aanliepen alsof ze nooit glas gezien hadden. Ze liepen winkels binnen maar hadden er geen idee van wat er te stelen of wat er waarde had, alsof de spullen voor hen betekenisloos waren.
Zeven van hen bleven dood achter. Allemaal gekleed in met de hand gemaakte kleren van huiden en geweven gras. Drie karabijnen ter plekke achtergelaten bleken Winchesters van een model dat na 1890 niet meer gemaakt werd. Goed onderhouden en regelmatig gebruikt. Drieëndertig inwoners van Sedona lieten het leven.
Geen van de dode indianen behoorden tot een van de lokale stammen. Geen van hen kon geïdentificeerd worden.
Een week later landden twee kleine zeilboten van een oud ontwerp ten zuiden van Dover. Ze brachten een twintigtal wilde, stinkende, gewelddadige mannen aan land. Die verkrachtten en verminkten en doodden zowel toeristen als lokale bewoners, vooraleer ze konden teruggedreven worden door een inderhaast gevormde eenheid van gewapende lokale politie en een veiligheidsteam van de nabije marinebasis. Ze lieten geen van hun doden achter en verdwenen weer op zee. Daarna sloot het Verenigd Koninkrijk haar grenzen. Het maakte echter geen verschil uit.
Niet alle ontmoetingen waren gewelddadig. Maar gezien de voorkeur van de mensheid voor conflict, verovering en de verwaarlozing van het menselijke leven, waren de kansen groot dat elk voorval slachtoffers maakte.
Als er al een vijand was, waren wij dat.
Pas later bleken er ook andere bezoekers te zijn. Diegenen die niet wilden opvallen.
Ik koos voor ravioli met spinazie en een hoofdschotel van vis met zoete aardappelen in lookbotersaus. Ik dronk alleen maar water. Toen ik naar mijn kamer terugkeerde, merkte ik twee gewapende mannen op die net buiten het gebouw de wacht optrokken. Ze zagen er ontspannen uit. Maar ze droegen automatische wapens.
Nu, een jaar later, kan ik me nog precies de vrouw in de gang herinneren, die een probleem had met haar kamersleutel. Ze was alleen, vooraan de vijftig, slank. Ze kwam me bekend voor. Misschien had ik ergens haar foto van haar gezien, misschien haar afbeelding in een museum. Sommigen proberen zich een plaats te vinden. Sommigen beseffen dat zij verloren zijn gelopen en zoeken zich een plek in onze tijd. Het is niet makkelijk. Alleszins niet toen er nog maar zo weinig van hen waren.
Indien het niet bij CERN was gebeurd, was het wel elders voorgevallen. Er wordt zoveel fundamenteel onderzoek gedaan. Er zijn zovele bizarre experimenten, zodat het niet mag verbazen dat op het een of andere moment de realiteit in verwarring wordt gebracht. We weten niet eens wat er mis ging. We weten zelfs niet eens of er wel iets mis ging. En niemand weet hoe dat allemaal weer in orde te brengen.
Een pad, dat zichzelf definitief achter ons afsluit.
Aan het ontbijt zat de vrouw aan een van de tafels. Ze was alleen. Ik kreeg een plek met zicht op het meer. Ik bestelde koffie. Hij was romig en zwart en erg sterk. Terwijl ik daar zat, en eieren en bacon at en naar de bomen en de oever van het meer keek, probeerde ik de vrouw te negeren. Ik wilde niet betrokken worden. Ik zou maar enkele dagen blijven logeren en dan weer vertrekken. Waarschijnlijk naar Milaan.
Ik wilde Milaan zien en op het dak van de Duomo lopen. Dat was wat je verondersteld werd te doen. De Duomo zou zwaar bewaakt zijn, omdat het gebouw van historische waarde was. De voorbije maanden waren er verschillende bedreigingen geuit aan het adres van de Katholieke Kerk. Alsof die verantwoordelijk was. De oude religieuze veten weigerden uit te sterven.
Na het ontbijt nam ik mijn laptop mee naar de bar. Twee oudere koppels bezetten de diepe, comfortabele fauteuils in een hoek en dronken thee. Ik had ruim genoeg koffie gehad en bestelde sprankelend water. Ik kreeg daarbij een kommetje noten en een ander met olijven. Ik had recent software geïnstalleerd zodat ik in staat was complexe wiskundige formules te noteren. Ik kopieerde ze uit mijn aantekeningenboek, waarin ik ze twee dagen eerder had opgeschreven. In een ander hotel, een ander land. Een man in kerkelijk zwart had zich ervoor geïnteresseerd, of voor mij, maar ik had hem ontweken. Er zijn niet veel plekken meer voor hen om zich te verschuilen. Ik moet dus oppassen wanneer ik aan formules of theorieën werk. Iemand die dat doet heeft vele vijanden.
Het aantal mensen uit het verleden overtreft in aanzienlijke mate het aantal die vandaag in leven zijn. Dat houd ik de hele tijd in gedachten.
En nu, op ons vrachtschip, proberen we opnieuw een veilige plek te vinden, hoopvol maar bezorgd. CERN is gesloten, zoals de meeste onderzoekcentra in Europa en de Verenigde Staten. Er wordt niets meer gepubliceerd, tenzij op bepaalde zorgvuldig beveiligde sites op het web.
De kapitein is Deens, hij is al twintig jaren op zee. Hij vermoedt dat dit zijn laatste reis is. Hij vertelt ons niet over toen zijn schip bijna gekaapt werd door piraten, in de Indische Oceaan. Hij verloor toen twee bemanningsleden, zo fluisterde de tweede maat ons. Dat heeft de kapitein achterdochtig gemaakt. Het is een kwaliteit die wij kunnen waarderen.
‘Het is van het uiterste belang,’ zo informeert professor Urquart ons, de tweede avond na ons vertrek, ‘dat we zoveel mogelijk geïsoleerd blijven van de rest van de wereld. Het schip heeft brandstof en voorraden nodig, en het moet dus soms een haven aandoen. We zullen dan in onze hut blijven tot we terug op zee zijn. We mogen niet door de plaatselijke bevolking gezien worden. Nieuws verspreid zich snel.’
‘Dan is er nog het probleem van onze communicatie met Houston,’ zegt Miss Brunner. Ze is software engineer en werkte een poos geleden voor Google’s Terraforming Unit. Vandaar haar intieme kennis van de meer discrete facetten van digitale metasystemen. ‘We moeten onze rapporten aan hen doorgeven, anders verbreken ze de verbinding.’
‘We hebben nog niets te rapporteren,’ zegt Brian Aldiss, de bejaarde auteur van speculatieve fictie. Hij is hier omwille van zijn reputatie. We accepteren iedereen met de juiste instelling.
‘Brian, de dingen zijn helemaal niet zo eenvoudig,’ herinner ik hem. ‘Het is geen kwestie van wat we rapporteren. Ze verwachten helemaal niets meer van ons. Voorlopig toch niet. Maar ze moeten weten dat we er nog steeds zijn.’
‘Miss Brunner zal instaan voor de communicatie,’ komt Urquart tussenbeide. ‘Dit was geregeld vooraleer we vertrokken. Ieder van ons heeft zijn rol te spelen.’
De twee laatste leden van de groep blijven stil. We pikten hen op in Antwerpen, beiden wetenschappers van het Europese Centrum voor Pollutie en Epidemies. Dat gaf hen een specifieke benadering met betrekking tot de manier waarop besmettingen zich verspreidden.
Alsof Het Incident de bron is van een besmetting.
Dat is het niet.
Hoe dan ook, waar vind je de juiste specialisten?
De twee jongemannen zijn meestal bezig met hun laptops en hun satelliettelefoons en andere uitrusting. Beide zijn vooraan in de dertig. Binnenkort is deze wereld de enige die ze ooit gekend hebben. Een wereld die slechts bestaat uit schaduwen van het verleden.
We zien zelden een van de bemanningsleden. We dineren slechts met de kapitein en drie van zijn officieren. We worden afgescheiden gehouden van de anderen. Ze weten dat we hier zijn. Ze speculeren. Ze roddelen. Occasioneel merken ze ons op, van op een afstand. Wij zijn het onderwerp van mythen. We worden ongetwijfeld even gevreesd als gehaat.
Maar zelf zien wij ons als slachtoffers. Dat is vreemd, en toch niet. We werden verraden door de wetenschap. Nu hopen we op redding door de wetenschap. Dat klinkt ongetwijfeld verwarrend. Dat klinkt tegenstrijdig. Het probleem is echter, dat wetenschap een menselijke uitvinding is. Ze is incompleet, bestaat voornamelijk uit raadsels. Ze is grotendeels gefaald. Maar ze is het enige middel waarmee wij onszelf kunnen redden. Of de mensheid. Alleen vragen we ons af: welke mensheid zullen wij redden? En wie bedoelen we, wanneer we het hebben over de mensheid?
De vrouw in het hotel lag uitgestrekt op een van de zonnebedden in de tuin. Ze droeg een kleine, witte bikini, wat aantoonde hoe goed ze zich aan deze tijd aangepast had. Haar ogen waren gesloten. Ze zag me niet. Ik hield afstand en zocht me een bed, dichter bij de bomen. Ik wilde niet urenlang in de zon liggen. Ik had dingen te lezen. Fundamenten van quantumverstrengeling. Ergens was het antwoord te vinden. Ergens lag er een antwoord voor de hand, ongetwijfeld in de quantumfysica. We zouden het antwoord ongetwijfeld per toeval kunnen ontdekken, dat was mijn hoop. Een schot in het donker, eigenlijk, maar zo radeloos waren we. Zo radeloos was ik, en dat ben ik nog steeds.
Het blonde meisje van de bar kwam naderbij. Ze vroeg me of ik iets wilde drinken. Ik bestelde een grote fles sprankelend water en een glas met ijs en limoen. Dit werd meteen gebracht. Ik zou de rekening betalen met de kredietkaart van het bedrijf. Dat waren ze me nog verschuldigd. Ze hielden me in dienst als een soort van externe specialist. Terwille van vroeger.
De vrouw zat rechtop. Ze keek naar mij. Misschien probeerde ze zich te herinneren of ze mij eerder al gezien had. Vaak doen ze dat, maar dat begrepen we toen nog niet. Ze zoeken naar wat hen bekend moet voorkomen. Ze zoeken anderen, uit hun eigen tijd. We begrepen dat toen niet. Ze waren nog nieuw voor ons. We verwelkomden de niet-gewelddadigen. Tenzij we hen negeerden. Dat was wat ik met de vrouw deed.
Ze had een boek bij zich. Kleurrijke omslag, een paperback. Was waarschijnlijk een vreemd idee voor haar, de in grote hoeveelheden gedrukte goedkope boeken. Ze was misschien gewend aan in leer gebonden volumes die alleen voor de heel rijken bestemd waren. Dat veronderstelde ik. Ik veronderstelde heel wat.
Toen wisten we zo goed als niets over hen. Contact was moeilijk. Ze waren menselijk, en dus wilden we niet op hen experimenteren. We gingen hen niet opensnijden om uit te zoeken hoe ze in elkaar zaten. Ze zijn menselijk, op de een of andere manier.
Ze kwam overeind en stapte naar me toe. Zo, in die uitdagende bikini van haar. ‘Is het mogelijk de Borromeese eilanden te bezoeken?’ vroeg ze me. Ze sprak Engels, uitstekend zelfs.
Haar haren waren natuurlijk blond, haar huid al wat getaand. Ze droeg geen make-up.
‘Er is een boot vanuit Palanza, zo is me verteld,’ zei ik. ‘Als een busdienst. Hij vaart langs alle locaties rondom het meer.’ Ik had dat gelezen in de toeristische gids. Ik was ook slechts een passant. ‘Welk eiland wilt u bezoeken?’
‘Allemaal,’ zei ze. ‘Ze zijn belangrijk voor mij. Maar specifiek Isola Bella. Het paleis. Ik wil het paleis zien. Wilt u mij begeleiden? Ik weet niet of ik verondersteld word er alleen naartoe te gaan. Ik weet niet of dat hoort voor een dame.’
Dat was in de beginperiode hun voornaamste probleem, alleszins voor diegenen die zich wilden aanpassen. Ze twijfelden over onze gebruiken. Hun kennis was gedateerd. Het was hen moeilijk zich aan te passen. Zoveel hebben we tenminste geleerd in het anderhalf jaar na Het Incident. Maar toen, toen het nog allemaal nieuw was, begreep ik niet zo meteen wat ze bedoelde. Ik maakte echter geen vooronderstellingen. Ik was zelfs wat geflatteerd toen ze mij uitkoos bij wijze van bescherming.
‘Ik kan u daar naartoe brengen,’ zei ik, in de hoop dat mijn uitspraak niet verkeerd begrepen werd.
Ze dacht een moment lang na over mijn antwoord. Dan zei ze: ‘Wanneer bent u vrij?’
‘Deze namiddag? Ik zal even de vertrektijden nakijken.’
‘Misschien kunnen we er meteen naartoe en er iets eten?’
‘Waarom niet?’
‘Tenzij dit niet strookt met uw plannen?’
‘Helemaal geen probleem,’ zei ik. Ik kwam overeind. ‘Zal ik de concièrge vragen om de vertrektijden van de boot?’
‘U bent erg vriendelijk’, zei ze, met een glimlach.
Nauwelijks een half uurtje later wachtten we op de kade in Palanza, voor een boot die ons naar Isola Bella zou brengen.
Tijdens de maanden die volgden op Het Incident kwamen alle sociale structuren onder druk te staan. Politieke structuren ook, omdat het duidelijk werd dat politici zich helemaal niet hadden ingelaten met wetenschappelijke experimenten, waarvan ze overigens niets begrepen. Het publiek kreeg sterk de indruk dat de wetenschappelijke wereld gewoon haar gang mocht gaan, onder de leiding van weinig scrupuleuze onderzoekers die slechts hun private financiële belangen en hun carrière op het oog hadden. En dat alles misgelopen was vanwege een pertinent en bijna misdadig gebrek aan controle. De politiek had de gewone mensen in de steek gelaten.
Dit was uiteraard een wat te simplistische redenering. Maar in tijden van verwarring en verontwaardiging was er nauwelijks plaats voor subtiliteiten en voor juiste inzichten in de manier waarop de internationale wetenschappelijke gemeenschap functioneerde. Populisten begrepen meteen dat ze daar hun voordeel konden mee halen, en stookten de vuurtjes nog wat verder op. In de Westerse naties werden wetten gestemd die wetenschappelijk onderzoek in bepaalde fundamentele gebieden streng aan banden legde. Dat gebeurde echter niet in China en in de Verenigde Staten. De implicaties daarvan werden gaandeweg duidelijk. Dan was het echter te laat. Wetenschappers gaan daar waar onderzoek aangemoedigd wordt.
Terwijl we de Afrikaanse kust volgen, net buiten de Marokkaanse territoriale wateren, pikken we een grote verscheidenheid aan radiosignalen op. We hebben geen idee over hun kwaliteit en waarheidsgehalte, maar het ziet er naar uit dat verschillende Aziatische landen in detail het onderzoek van CERN en andere Europese instellingen bestuderen. Ze proberen te ontdekken wat er precies tot Het Incident leidde. Het is onduidelijk wat hun intenties zijn. Willen ze een anti-incident creëren? Willen ze alles weer in orde brengen? Of willen ze die kennis uitbuiten, te gelde maken, militair benutten? Dit lijkt ons vergezocht. Maar tegelijk ook weer niet. We kennen onze vijanden goed genoeg.
‘Dit is inderdaad erg vergezocht,’ zegt Urquart. ‘We hebben er geen idee van wat precies Het Incident veroorzaakte. Er waren geen indicaties dat er ergens iets verkeerd liep. We hebben geen idee van oorzaken. Hoe kan iemand ervan dromen dit incident weer recht te zetten? Dit is geen echte wetenschap.’ Over de andere aspecten zegt hij niets. Hij is echter niet naïef. De deur is opengegooid, het onbekende wenkt, we zijn een onzeker tijdperk ingestapt.
De officieren die we drie keer per dag aan tafel ontmoeten, vragen ons nooit naar ons werk. Occasioneel merken ze ons aan dek op, terwijl we contact zoeken met satellieten. Ze weten dat we ons bezighouden met die recente gebeurtenissen, met Het Incident en de gevolgen ervan, maar de kapitein heeft hen verboden daar met ons over te spreken.
We namen de lunch in een klein restaurant aan het water, op Isola Bella. Ze dronk alleen een frisdrank. Op de boot hadden we nauwelijks iets tot elkaar gezegd. De overtocht nam dan ook maar tien minuten in beslag, van Palanza naar dit eiland. Ik kwam haar naam te weten, Isobella, en ik vertelde haar mijn naam. Ik wilde weten waar ze vandaan kwam, maar dat zou een faux pas zijn, zeker onder die omstandigheden. Een dergelijke vraag kon op een bijna oneindig aantal manieren geïnterpreteerd worden. Dezer dagen zijn tijdlijnen zoveel meer vloeibaar dan geografie.
‘Ik was hier eerder al,’ zei ze plots, alsof ze besloten had mij deze erg persoonlijke informatie toe te vertrouwen. Haar blik richtte zich op mij, maar ik wist dat ze naar haar verleden keek. ‘Vanuit uw standpunt, een lange tijd geleden.’ En het leek alsof haar glimlach iets plagerigs had.
‘Het was hier toen waarschijnlijk net zo mooi als nu,’ zei ik. Ik behield mentaal een afstand. ‘Maar waarschijnlijk minder toeristen? Of alleszins niet dit soort toeristen?’
Ze keek om zich heen, naar de koppels, de ouwe mensen, de mannen in geruite short en sandalen, en de vrouwen in gestreepte short en sandalen. Indien iets al vreemd was voor haar, dan zou het wel de terloopse kledij van de mensen zijn.
Ik wilde de voor de hand liggende vraag niet stellen.
Wanneer was je hier.
Toen al voelde ik aan, wat later een algeheel taboe werd. Zij vertellen jou wanneer ze vandaan komen, of ze doen dat niet. Je vraagt daar niet naar.
‘U zou het oude geschiedenis noemen,’ zei ze. ‘Misschien vergeten door vele mensen. Misschien nauwelijks vermeld in geschiedenisboeken. En zeker onbekend bij de jeugd.’ Ze had een continentaal accent, maar ze had waarschijnlijk flink wat tijd doorgebracht in Engeland en misschien zelfs in Schotland.
‘Ook deze tijd zal binnenkort geschiedenis zijn,’ zei ik. En ik begreep te laat dat dit misschien niet de meest wijze opmerking was. Allicht was de geschiedenis tot stilstand gekomen op het moment van Het Incident.
Later bezochten we het paleis. Indien ze dat eerder al bezocht had, dan was dat alleszins na 1632, toen de bouw ervan startte onder toezicht van Carlo van het Huis van Borromeo. Waarschijnlijk was ze hier veel later geweest, want de bouw nam verschillende decennia in beslag. Gilberto Borromeo maakte het meest gebruik van het paleis, en hij leefde van 1751 tot 1837. Daarvoor werd het zowat uitsluitend bezocht door vrienden en familieleden. Maar misschien was zij een vertrouwelinge van de familie Borromeo.
‘Bonaparte was hier,’ zei ze, op zeker ogenblik. We wandelden door een van de salons, en door de slaapkamers, en we bekeken de schilderijen en de meubels. ‘Hij bleef maar één nacht. Hij kwam samen met zijn vrouw, Josephine de Beauharnais. Ze was erg onaangenaam tegenover de bedienden. Ze was een erg onaangename vrouw.’
Alsof ze haar persoonlijk gekend had.
Daar wilde ik dus niet naar vragen.
Een aantal kleinere steden in landen zoals Hongarije en Griekenland werden bijna helemaal overgenomen. De inwoners werd verzocht te vertrekken. Ze mochten alleen wat kleine spullen meenemen. De rest moesten ze achterlaten, voor de nieuwelingen. De overheid kwam niet tussenbeide. Ze wist zich machteloos, hoewel er nauwelijks geweld gebruikt werd.
Hetzelfde gebeurde op een aantal plekken in Wales en Schotland. Het zag er naar uit dat de grotere, de meer moderne steden gespaard bleven. Voorlopig toch. Zij wilden rustig leven, in kleine gemeenschappen, ver van de moderne dingen, wachtend op méér nieuwkomers en langzaam groeiend in aantallen.
Zij. We hebben nog steeds geen collectieve naam voor hen. Ze kregen in de kranten een heleboel namen naar het hoofd geslingerd, maar uiteindelijk hielden die kranten op te bestaan en zij kregen nooit officieel een collectieve aanduiding. Ze waren eenvoudigweg Zij.
Na twee weken besloot ze te vertrekken. ‘Het was bijzonder aangenaam,’ zei ze, in bed. We sliepen de ene keer in haar kamer, dan in de mijne. Beide hadden een dubbel bed. ‘Dit is het beste wat me in lange tijd is overkomen.’ Wat in haar geval een wel erg bijzondere betekenis had. ‘Maar ik kan niet leven met jou. Ik kan mijn leven niet met jou delen. Alles is vreemd. Alles zal altijd vreemd zijn. Wij zijn vreemden in jullie leven. Je taal is vreemd. Je persoonlijke rituelen zijn vreemd.’
Zoveel had ik zelf ook al wel begrepen, tijdens de voorbije twee weken. Ook de manier waarop ze zich kleedde, maakte haar ongemakkelijk. Ze hield ervan in de zon te liggen, met alleen die bikini aan. Het was, vertelde ze me, een soort van vrijheid die ze niet eerder gekend had. Maar het bleef vreemd dat ze zoveel van haar lichaam kon tonen zonder dat iemand er aanstoot aan nam.
Ze ging de ochtend erop weg en nam slechts een kleine valies mee. Een auto kwam haar ophalen. Een oude, zwarte Mercedes. Ik kon het gezicht van de chauffeur niet zien, maar ik had de indruk dat een jonge vrouw achter het stuur zat.
We gaan uiteindelijk van boord in Conakry, waar de dokken rustig zijn. We merken verschillende uitgebrande loodsen op, en andere beschadigd door wat misschien inslagen zijn van artilleriegranaten. Alles lijkt nu vredig. Zoals we gevraagd hebben, wachten vier terreinwagens op ons.
‘We moeten al onze instrumenten meteen meenemen,’ merkt Miss Brunner op. ‘We kunnen hier niets achterlaten voor later.’
‘Het zijn maar wat kratten en dozen,’ herinnert professor Urquart haar er aan. ‘Het past best allemaal in de voertuigen.’
We hebben ook een militaire escorte. Een dozijn zwaarbewapende soldaten in netjes gesteven uniform, alsof wij belangrijke buitenlandse dignitarissen zijn. Orde en beschaving regeren hier weer. De majoor die het escorte leidt, bevestigt dit. Er waren gevechten met rebellen, twee weken geleden, maar sindsdien is de kalmte teruggekeerd. De revolte werd geleid door twee stammen uit de heuvels die de koloniale machten wilden verdrijven. Ze leken niet te begrijpen dat die machten het land reeds zeventig jaar eerder hadden verlaten.
We vinden een onderkomen in een gebouw dat ooit toebehoorde aan een centrum voor het onderzoek naar tropische ziekten. Dat lijkt ironisch. We houden ons niet met een ziekte bezig, maar met een fundamentele eigenschap van de natuurwetten. Ik denk weer aan Isobella, en hoe haar naam klonk als de echo van het eiland wat we bezochten. Dat ligt in het verleden.
Ik wil daar weer naartoe, naar Palanza en naar Isobella, maar ik weet dat het niet kan. Alleszins nu niet. Later kunnen zovele dingen weer mogelijk worden, wanneer we begrijpen wat Het Incident betekent. Als er al iets is wat we tijdens het voorbije anderhalve jaar leerden, dan is het dat het verleden kan gerecupereerd worden.
