![]()
Ar scáth a chéile a mhaireann na daoine.
Under the shelter of each other, people survive.
Ní neart go cur le chéile.
There is no strength without unity.
Ierse spreekwoorden
Op de meest heidense der avonden weet Róisín het even niet meer. De vloertegels voelen koud als de aanstaande winter onder haar blote voeten. Killer zelfs dan het kerkhof verderop dat nauwelijks bezoekers krijgt. Róisín staart naar de pillen in haar handen. Rustig maar. Moet ze de groene pil nemen, of de rode? Of allebei? Ze heeft slechts één kans, anders moet ze weer een jaar wachten. Het had haar meer dan een maand gekost, maar uiteindelijk was ze er toch in geslaagd van elke pil één exemplaar te stelen tijdens een ochtendlijk bezoek van de nieuwe verpleegster, Miss Doherty. (‘Maar, mevrouw, noemt u me alstublieft Aoibheann.’) De andere buitgemaakte pillen, de dagelijkse troep die ze maar al te goed kende, had Róisín doorgespoeld. Ach, hoe jonger de dames zijn, hoe naïever. ‘Miss Doherty,’ had Róisín gekreund, ‘eh, Aoibheann, mijn buik! Ik krijg ineens zulke vreselijke krampen.’ Nee, Róisín denkt meestal niet helder, zoals toen bij die noodlottige val, maar als het er echt toe doet wel. Toen Miss Doherty zich naar haar toe boog om haar te onderzoeken, had Róisín zo luid mogelijk gekermd en tegelijk in de sleetse schort van de nietsvermoedende vrouw getast.
Róisín rolt de pillen over en weer op haar met striemen bezaaide handpalmen, een luguber aandenken aan het incident. Maar dat behoort tot het verleden. Ze moet naar hem toe straks, daarbuiten. Op an t-Samhain komen zij die door het kwade gescheiden werden weer samen, zolang er maar een geleider is, een soitheach. Zo heeft haar moeder het haar destijds verteld, tussen de hoestbuien door. Vannacht moet het dus gebeuren, met dit hulpmiddeltje. De vraag blijft: rood of groen?
De zwakke lamp knippert als vanouds tussen de spinnenwebben aan het plafond; grillige schaduwen dansen om Róisín heen. Ze klemt haar vingers om de pillen en krijgt een verbeten trek om de mond. Ook in het donker weet ze haar stilzwijgende metgezellen in haar buurt: het schamele bed met de bevlekte lakens, de wastafel waarin een barst zit, de kast waarin wel kleren liggen, maar geen kapstokken.
Ze snuift. Haar kamer heeft geen ramen; toch is de muffe geur van Lough Cuilinn ook hierbinnen alomtegenwoordig. Erg vindt ze het niet; Róisín verkiest het meer boven de zee. An Mhuir Cheilteach, de Keltische Zee, ligt gelukkig vele kilometers naar het zuiden. Ze dwingt haar gedachten terug naar het nabijgelegen meer. Bij volle maan razen lijkbleke jongens over het oppervlak van Lough Cuilinn, dat weet zelfs de kleinste páiste. Ze hitsen elkaar op en slingeren beledigingen naar de heks die hen in geesten veranderde. Soms hoort Róisín hun ijselijke kreten door de muren. Vanavond is het echter stil. Is de nacht inktzwart of heeft de oerkracht van an t-Samhain de verdronken jongens terug naar het dorp gevoerd en hen met hun rouwende ouders verenigd?
Op de gang, voorbij de zware, vergrendelde deur, is het ook muisstil. Róisín heeft het zich al eerder afgevraagd: is zij de enige patiënt in dit macabere gebouw? Voor wie zijn dan de andere pillen bestemd? Voor de Fomóire, afzichtelijke zeereuzen die geen genade kennen? Of voor die eens ongrijpbaar geachte onthoofde ruiters, de Dúlachán? Is zij daadwerkelijk de enige verschrikking die hier zit opgesloten?
Mrs O’Brien, de nachtzuster, heeft vanavond, tegen haar gewoonte in, nog niet eenmaal door het luikje in de deur gekeken. Misschien gaat ze met haar dochtertje Saoirse de huizen van Cill Mochua langs voor snoep? Het zou Róisín niks verbazen. Bah, dat nieuwerwetse Hallowe’en. Róisín vond er als kind al weinig aan. Te stemmig versierde huizen, bordkartonnen monsters, vrolijk gillende klasgenoten. Allemaal bedrog. Haar moeder was sowieso meestal te ziek om met haar op tocht te gaan door het slaperige dorp. Gelukkig kon de kleine Róisín zich in haar slaapkamer warmen aan mama’s Keltische vertellingen over de bloeddorstige Abhartach en krijsende banshees.
Roísín legt haar hoofd in haar nek en zucht. Ze moet beslissen. Groen of rood? Groen klinkt even saai en veilig als het lusteloze smaragden eiland waarop ze elke dag ontwaakt. Het vaderland dat haar de rug heeft toegekeerd, het land waar legenden tegenwoordig als onschadelijke verzinsels afgedaan worden. Groen klinkt als een bedwelmend middel, een downer. Dat nooit. Of … Róisín stopt de groene pil in een zak van haar gekreukelde jeans. Ze grijnst en slikt de rode pil in.
Meteen valt ze achterover, net naast het bed. Een harde klap, maar pijn heeft ze niet. Integendeel, een warm gevoel trekt door haar lijf. Haar lippen krullen omhoog, een giechel ontsnapt haar. Ah, een opwekkend middel, precies wat ze op an t-Samhain nodig heeft. Róisín heeft juist gekozen. Eerst tintelen haar voeten, dan haar benen, en zo gaat het verder tot haar gezicht. Vooral haar handen voelen anders, gevaarlijker. Ze brengt gretig een hand naar haar ogen. Die is roder dan voorheen, groter ook. Doet haar denken aan toen ze … nee, stop. Ze gaat met haar klauwhand door haar broze grijze haar. Hoelang zit ze hier eigenlijk al opgesloten? Het haar is kleverig. Bloed? Niets dat Róisín nog niet heeft meegemaakt in de voorbije jaren.
Even blijft ze op de vloer liggen, haar armen opnieuw langs haar uitgestrekte magere lijf. De kilte raakt haar niet meer. Ze geniet van de ongekende kracht diep in haar die woelt, golft, overspoelt, neemt en geeft. Dan: beweging, heerlijk helse beweging. Haar opgezwollen handen krommen onnatuurlijk terug. Haar lange en benige vingers beroeren haar elleboogholten. Róisín begint te schokken en stoot onmenselijke klanken uit. Traag maar zeker komt haar lichaam van de koude vloer los. ‘Tho… Tho… Thoir mi gu mo leannan,’ hijgt ze. Woorden van lang geleden komen terug. Breng me naar mijn geliefde.
Eerst denkt ze dat de kamer om haar heen tolt. Ze begrijpt evenwel al gauw hoe het werkelijk zit: zij draait in het rond, en wel steeds sneller … en hoger. Hoewel de lamp aan het plafond nog steeds knippert, baadt de kamer nu in een strak en fel licht. Doet zij dit? Róisín kijkt al rondwervelend naar haar krampachtig gespreide handen; het kost haar behoorlijk veel moeite. Ze is niet eens verbaasd als ze merkt hoe onaards haar handen glanzen. Almaar grotere cirkels beschrijvend stijgt ze naar het plafond. ‘Gluais dhomh,’ beveelt ze de rottende balken. Wijk voor mij. De zinnen komen onderhand als vanzelf.
Bang is Róisín niet. Nooit geweest, trouwens. Haar moeder, al vroeg weduwe geworden, heeft haar geleerd zowel moedig als meedogenloos te zijn. Róisín hoort hoe de balken met luid gekraak versplinteren als haar hoofd het plafond raakt. Niet meer dan lichte pluimpjes op haar voorhoofd zijn ze. ‘Tha mi neo-sheasmhach.’ Ik ben onstopbaar. Ze boort zich bruut de zolder in. Buiten, ze moet naar buiten! Naar hem toe. Flitsen van oude ziekenhuisbedden, ze ziet ook de omtrekken van kapotte stoelen en een dossierkast met open laden. Sneller, steeds sneller. Ze wordt stilaan duizelig. Haar ogen prikken, het zweet parelt op haar voorhoofd. De rode pil is veel sterker dan wat ze ooit eerder moest slikken. Dan toch voer bestemd voor de Fomoíre. Vermoedt ze. Sinds ze hier verblijft na de val, is ze nergens meer werkelijk zeker van. Maar er is geen tijd om na te denken; een dakpan streelt al haar voorhoofd. Ze heeft haar keuze gemaakt. Róisín breekt onweerstaanbaar door het dak.
Vrijheid, gitzwarte vrijheid. De maan laat zich niet zien, bang misschien voor de vreemde krachten die vannacht aan het werk zijn. En gloeit Róisín zelf nog? Jawel, maar de nacht is zo duister dat hij haar licht bijna opslokt. Ze cirkelt intussen hoog boven het verwaarloosde gebouw. Er staat een strakke wind, een huilende wind; ze drijft weg van de plek die haar leven zo lang bevroor. ‘Chan urrainn sin tachairt.’ Nee, dat mag niet. Haar stem komt amper boven de klaaglijke wind uit. Ze herkent ternauwernood de toppen van de zwarte elzen ten westen van de inrichting. Zij waren een heel stuk kleiner toen ze hierheen gebracht werd. Iets verderop blinkt Lough Cuilinn, een rimpelloze zilveren spiegel. Hoe raakt ze bij het kerkhof? Ze zwenkt de verkeerde richting uit, naar het meer toe.
‘Gabh am pill uaine,’ klinkt het in haar hoofd. Een stem die niet de hare is, maar toch zo vertrouwd klinkt. Neem de groene pil. De downer! In volle vlucht propt ze haar hand in haar broekzak. Haar jeans zit erg strak, het kost haar veel tijd om de pil tevoorschijn te halen. Bijna laat ze de pil vallen als ze die in haar mond wil stoppen. Die verduivelde wind …
Róisín slikt de pil in. De verandering is onmiddellijk merkbaar. Na de immense kracht van daarnet komt nu zaligmakende rust, niet alleen in haar, maar zelfs rondom haar. De strakke bries neemt stelselmatig af. An t-Samhain, de nacht van de ommekeer. Terwijl Róisín wiegend als een veertje neerdaalt, voelt ze elk lichaamsdeel dat ze ooit brak. Met de rust komt vreemd genoeg ook de oude pijn terug. Haar gehavende lichaam schrijnt, minstens zo sterk als toen, na de val. Ze wil brullen van de pijn, maar iets in haar zegt: ‘Bi sàmhach, mo ghràidh.’ Stil maar, liefste.
Als Róisín op een open plek in het elzenbos landt, zijn haar kleren doorweekt. Heeft ze zichzelf ondergeplast? Haar handen klauwen in het gras en de aarde, zo ondraaglijk is de pijn. Ze gaat kreunend rechtop zitten en haalt diep adem. De prikkelende geur van dorre bladeren mengt zich met de bedompte lucht van het meer. Ze heeft al zo lang gewacht, daarbinnen. Dit is haar kans. Ze moet vooruit. En toch is er die rust. Róisíns lijf schreeuwt het uit als ze gaat staan, maar haar geest is kalm. Doodkalm. Gebroken pols, beenbreuk, schouder uit de kom. En meer, zoveel meer. Ze voelt het allemaal opnieuw. Maakt niet uit.
De tocht lijkt een eeuwigheid te duren. Af en toe zakt Róisín ineen van uitputting. Opgeven mag niet. In Cill Mochua, een eind voorbij de inrichting, drentelen kinderen om deze tijd nietsvermoedend van huis tot huis, blij met de lekkernijen die ze krijgen. Róisín laat de gedachte opkomen, duwt haar niet weg. Ze begrijpt nu: Hallowe’en is er voor wie vandaag leeft, an t-Samhain voor wie een brug tussen heden en verleden slaat. Leig leis a’ chloinn cluich. Laat de kinderen spelen. Agus leig dhomh sìth a lorg. En laat mij vrede vinden. Vastbesloten strompelt ze naar de begraafplaats. Eindelijk doemt de lage heuvel voor haar op. Het kerkhof ligt tussen de inrichting en het dorp in, op de grens tussen vergeten en weten.
De hoge poort zwaait geluidloos open als Róisín de begraafplaats betreedt. Zwaar ademend zoekt ze hem op. Haar handen trillen. Ze kijkt ernaar. Dit zijn niet langer de klauwen van zo-even, ook niet die van de fatale dag.
‘Mannanán Morrisey, diepbetreurde echtgenoot,’ leest ze in eenvoudige letters op zijn zerk. Zijn naam komt haar vreemd voor. Ze noemde hem steevast Manny, een grapje tussen hen, uit de tijd toen het nog goed ging. Manannán mac Lir, noemden zijn zuipmaatjes hem. Als hij niet met hen in de inn de tijd doodde, zat hij namelijk op zee, ver van Róisín. Hij was ginds nochtans ook niet eenzaam, o nee.
Ach Manny … Ze streelt zijn naam. Misschien was alles anders gelopen als ze kinderen hadden gehad. In de voorbije jaren, toen ze wegkwijnde in haar benepen kamer, was Manny steeds zo dichtbij, en toch veraf. Net zoals voorheen, alles welbeschouwd. Op de sobere grafsteen staat een ijzeren sierroos met bloedrode hartvormige bloemblaadjes, die Róisín er zette toen ze laatst met Miss Doherty, die nieuwe, een bezoekje aan haar man bracht. Een bezoekje waarvan niemand af mocht weten. ‘Koop mij in het dorp een geschenk voor mijn lieveling,’ had ze de verpleegster gevraagd. ‘Het zal me rustig maken. Ik weet precies wat ik wil.’ Miss Doherty had begrijpend geknikt.
Dat was toen. Nu klinken er andere woorden. ‘Leig leis na peacaidhean a bhith air an nighe air falbh.’ Laat de zonden weggewassen worden. Róisín herkent Manny’s zachte stem uit duizenden.
Geen gedachten meer. Geen pijn meer. Zelfs geen legenden meer. Róisín grijpt resoluut de roos en duwt het scherpe kleinood met forse kracht in haar nek. Bloed welt op. Haar ogen stralen van geluk. Eindelijk. Ze zijgt neer op de grafsteen. ‘Leig le bàs tròcaireach tighinn gu luath.’ Laat de genadige dood snel komen. Ze zegt het tegelijk met Manny, en hoewel ze meer gorgelt dan spreekt, zijn de twee stemmen nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Ten langen leste is Róisín Alice Morrisey, née Kyteler, herenigd met haar ontrouwe man, die ze bij een onaangekondigd bezoek aan het kustplaatsje Hook Head ziedend over de reling in de schuimende golven, vele meters lager, duwde. Pas op dat allerlaatste en allerinnigste moment bleek dat Manny haar toch niet kon loslaten. Twee gingen de woeste zee in, één kwam eruit. Tha aithreachas a’ teachd an deigh peacaidh. Berouw komt na de zonde.
