![]()
Igor Blodøks spreidde de ijsberenvacht uit in de bedstede en rangschikte de twee zijden hoofdkussens zorgvuldig. Ze waren van een Byzantijnse handelaar afkomstig, die meende dat drie lijfwachten wel voldoende waren en de bruine bloedvlekken versmolten zo goed als onzichtbaar met de geborduurde guirlandes. Hij deed een stap achteruit en knikte. Alleen het beste was goed genoeg voor Igors kersverse bruid. Esme had prachtige groene heksenogen en haar scharlaken als de vlammen die boven een brandende boerderij wapperden.
‘Na u, vrouwe,’ sprak hij en Esme stapte met een heerlijk hese giechel langs hem heen. Haar kleed ritselde omlaag en Igor, die normaal geen bedreven skald was, kon haar prachtig blozende tepels enkel vergelijken met gretige rozeknopjes en haar lijf soepel als een duikende otter noemen.
Esme nestelde zich in zijn armen. ‘Die bijl boven de bedstee?’ vroeg de met oprechte belangstelling. ‘Is dat de bloedbijl, die je je bijnaam gaf?
‘Zeker. De bijl waarvan de steel altijd precies even lang als nodig is. Hij dronk het bloed van negenenzestig mannen en vrouwen. Kinderen en thralls niet meegerekend.’ Hij vertelde dat met een zeker plezier omdat het altijd aangenaam is als je gade zich oprecht voor je stiel interesseert.
Ze rolde zich boven op hem, haar lijf heerlijk warm en zoals de skald zegt: Igors roede richtte zich op als een adder, klaar om zich in de grot der geneugten te storten. Op hetzelfde moment werden zijn oogleden echter zwaar als een omlaagsmakkend valhek. Een onverwacht parfum deed zijn neusgaten tintelen, bedwelmend als zwarte rozen die enkel in het maanlicht bloeien. Zo rook Esme eerst helemaal niet! Naar dophei en kampvuur. Dat was zijn laatste, enigszins verontruste gedachte voor de slaap aanrolde als een golf duistere klaverhoning.
Toen Igor ontwaakte, was het kussen naast hem schokkend leeg. Op het brokaat lag een enkele nachtzwarte roos uitgestald. Elk Viking van Kaupang tot Kyiv wist wat dat betekende: Koschei de Doodloze had Igors bruid gestolen op haar huwelijksnacht. Wat Koschei met de ontvoerde bruiden uitvoerde, was onzeker. In ieder geval had niemand zo’n meisje ooit teruggezien.
Igors kreet van uitzinnige woede en verdriet liet zijn krijgers en thralls wegspringen. Ze hadden zich vol verwachting om de bedstee geschaard om Esmes bebloede bruidskleed te bewonderen en triomfantelijk in de meiboommast te laten wapperen.
Zonder een woord te zeggen, griste Igor de bloedbijl van de muur en galoppeerde weg op zijn beste strijdros. Ieder begreep wat hem te doen stond. Hij moest zijn bruid terughalen uit het kasteel van Koschei de Doodloze en zou daar hoogstwaarschijnlijk in blijven.
Zodra hij uit het zicht van zijn borg was, nam hij vaart terug. Het heeft geen zin een paard tot schuimbekkens toe door te laten draven: hij had nog een hele weg te gaan en eigenlijk had hij geen flauw idee welke kant Koscheis vesting lag.
Zijn paard stopte, stampte toen drie keer op de grond en tuurde omhoog. Een zwarte stip cirkelde daar die Igor als een raaf identificeerde
Door het gedrag van zijn paard begreep hij dat de vogel geen gewone vogel was en dat Igor nu niet meer dan een figurant was, een deel van Koscheis legende. De raaf dook omlaag, beschreef drie cirkels en landde toen op Igors schouder.
‘Ik neem aan dat het te veel is om te verwachten dat Odin een van zijn persoonlijke raven gestuurd heeft?’ zei Igor.
‘Muninn noch Huginn,’ sprak de raaf, ‘is mijn naam en geloof mij, die twee vogels worden schromelijk overschat. Ik kom je de weg wijzen naar de duistere borg van Koschei de Doodloze. Als beloning vraag ik enkel zijn twee uitgerukte ogen die zo heerlijk in mijn snavel knappen. Of, indien je de strijd met hem verliest, de jouwe. Dat is ook mijn afspraak met Koschei zelf. Te veel wraakzuchtige helden zwierven over de taiga tot hun baarden wit kleurden en hun knarsende tanden uit hun kaken vielen.’
‘Jij bent dus zijn lokvogel?’
‘Daar komt het wel op neer, ja.’
‘Zoals elke skald je kan vertellen,’ vervolgde de raaf, ‘woont Koschei de Doodloze in een kasteel met muren van levend hout en een vloer van beenderen en schedels. Ergens diep in het Woud dat de Wereld Omcirkelt. Wat qua richting geen bijster bruikbare aanwijzing is.’
Igor knikte. ‘Ik had als enige richting zo ver mogelijk van hier gekozen, want waar ik ook was, in ieder geval niet aan de rand van de wereld.’
‘Ik zal je gids zijn en wie weet haal je zelfs de rand van het Woud dat de Wereld Omcirkelt?’
In het kielzog van de raaf galoppeerde Igor door de doodstille naaldwouden van de Taiga, over velden van veenmos waar een enkele misstap je smadelijk in de gorgelende dieptes deed wegzinken en niet meer achterliet dan een pesterig boerende modderbel.
De raaf bleek een goede raadgever en Igor stribbelde nooit tegen, hoe bizar de raad van zijn gids ook leek.
Toen er een oud vrouwtje uit de struiken stapte, haar hand smekend opgeheven, kraste de raaf: ‘Je weet wat je te doen staat.’
Igor knikte en haalde uit met de bijl waarvan de steel precies even lang was als nodig is en liet haar hoofd door de hei rollen. Prompt ploepten twee nieuwe hoofden uit de nek omhoog en pas bij het vijfde afgehakte hoofd, viel het trollenwijf aan Igors voeten neer.
Voor de raaf was dit een feestmaal: niet minder dan tien ogen en dan rekende hij de twee wolvenogen nog niet eens mee die in haar handpalmen groeiden!
‘Heerlijk,’ monkelde raaf. ‘Niet zo krachtig als helden-ogen natuurlijk. Die zitten zo vol levenskracht dat ik al drie ravenlevens meega en ik verwacht heel wat van de jouwe.’
Igor merkte nu pas op dat de raaf twee verschillende ogen had: een ordentelijk zwart vogeloog en een magisch, met de pupil van een lynx en een iris zo geel als barnsteen. Nu ja, hij wist al dat deze vogel geen gewone raaf was.
Igor wist de volgende dag wel beter dan de vuurrobijnen op te rapen die de mensenetende dwergen over het mos gestrooid hadden. Het waren slijmzwammen, had de raaf hem ingefluisterd, zo giftig dat een enkele aanraking je vlees drabbig van je vingerkootjes liet druipen en je dood was voor je de grond raakte.
Toen ze langs het kristalheldere meer reden, had Igor de rode pijp-aarde al lang en breed diep in zijn oren geduwd en ving hij geen woord op van het lied dat de rusalka’s al luider en luider zongen om tenslotte sissend van nijd stil te vallen.
Weken werden maanden en Igors bloedbijl hoefde nooit lang dorstig te blijven. De gigantensmid Welland had de kop lang geleden uit een neergestorte ster gesmeed, terwijl de steel uit een wortel van de Wereldboom gesneden was. Maar dat is een ander verhaal.
‘Je loopt weinig kans hem te verslaan,’ zei de raaf, die nog steeds zijn naam niet verteld had. ‘Koschei heet niet voor niets de Doodloze.’
‘Niemand is onsterfelijk,’ protesteerde Igor. ‘Zelfs de goden niet.’
‘Sommige giganten en trollen verstopten hun leven op een geheime plaats,’ zei de raaf. ‘In een versteende boom of een adamanten kruik die in een lavameer dobberde. Pas als je zijn leven gevonden had, kon je hem doden.’
‘Ik heb gehoord dat Koschei ook zoiets uitgehaald heeft,’ knikte Igor.
‘Alleen deed hij dat precies andersom. Hij verborg zijn dood, niet zijn leven. Hij smeedde zijn laatste ademtocht, zijn doodsreutel tot een naald en prikte die diep in een eendenei en dat ei stak hij diep in een eend met een ijzeren snavel. De eend nestelde in de buik van een vos en de vos maakte zijn burcht in de maag van een zwarte beer. Een beer zo hoog als de runensteen van Fossegrimm.’
‘Ik had zoiets al vernomen, ja.’
‘Ook dat die beer klauwen heeft als sikkels? Sikkels zo scherp dat een zwieper drie eiken tegelijk kan omhalen?’
‘Dat mag dan wel zo zijn: die sikkels zijn vast niet scherper dan mijn strijdbijl.’
‘O, misschien lukt het je wel om de beer te verslaan, al heb ik nog nooit gehoord dat zoiets een van de wraakzuchtige helden gelukt is. Alleen is dat nog maar het begin: zodra je de dode beer opensnijdt op zoek naar de naald, springt de vos uit zijn buik. Bij elke stap ontbrandt de gortdroge hei in zijn spoor en ren je door een tunnel van vlammen achter hem aan.’
Igor grijnsde en tikte de boog aan die hij over zijn schouder droeg. ‘Hoorn en drie soorten gelakt hout. Een boogpees die uit het haar van een moerasheks gevlochten werd. Mijn pijlen schieten op honderdzestig passen dwars door het schild van Varangier heen. Een vluchtende vos komt echt niet ver.’
‘Ah, je hebt overal een antwoord op. Ook op de Eend met de IJzeren Bek die daarna uit zijn muil wegvliegt en sneller dan de Noordenwind het luchtruim kiest en twintig dagen en nachten onvermoeibaar blijft door vliegen?’
‘Je stelt de verkeerde vragen,’ zei Igor. ‘Ik hoef hem niet te doden. Enkel te verslaan en Esme mee te nemen.’
‘De kans dat je bruid nog maagdelijk is, lijkt mij niet groot.’
De raaf zat hem duidelijk te stangen.
‘Een prachtig en levenslustig meisje als zij?’ grijnsde Igor. ‘Natuurlijk was ze op onze huwelijksnacht geen maagd meer en voor een ordentelijk bebloed bruidskleed hoort een echtgenoot zich zonder klagen een jaap in de duim te geven.’
Bij de volgende monstervrouw die uit de modder rees, liet Igor zijn bijl in de draagband zitten en reikte hij niet naar zijn pijlenkoker. In plaats daarvan liet hij zijn buidel met munten rinkelen.
‘Schone Dame van het Meer, dit zijn gouden drachmes en vers geslagen zilverthalers, stuk voor stuk met bloed bevlekt. Ik zoek geen strijd, maar uw kunde.’
Ze giechelde, omdat Igor haar een Schone dame van het Meer genoemd had, een benaming die gewoonlijk enkel voor nimfen gebruikt werd en niet voor gedrochten met een kromme wortelneus en een tong vol weerhaken.
‘Mijn kunde?’
‘Ik zoek een vergif. Eentje dat meteen verlamt.’
Ze fronste. ‘Je wil hem niet laten sterven?’
‘Dat, helaas, is geen optie.’
Ze rook aan de zak. ‘Alleen de zilverlingen zitten onder het hartenbloed van de voormalige bezitter. De drachmen? Och, hij overleefde je bijlslag en mist nu enkel een hand.’ Ze keek op naar de raaf die zoals gewoonlijk op Igors schouders zat. ‘Ik denk dat ik wel weet wat je ware naam is, al ben ik niet dwaas genoeg om die uit te spreken. Wat is volgens jou de juiste prijs voor een volle zwemblaas met zo’n soort vergif?’
‘De zilverlingen en zijn linkerpink,’ zei de raaf prompt. ‘Een krijger heeft geen pinken nodig om zijn boog te spannen of zijn bijl te zwaaien.’
‘Dat moet dan maar,’ zei Igor. ‘Alleen heb ik liever dat je hem niet zelf afbijt. Ik doe het zelf wel.’ Hij hoopte dat het niet tot een bijnaam zou leiden: de Berserker zonder Linkerpink klonk niet bijster indrukwekkend.
‘Negen tellen,’ zei de monstervrouw, ‘en hij ligt daar even slap en opgezwollen als een verdronken schaap. Maar let wel: na een half uur ontwaakt hij, fit als een kikker die uit de wintermodder omhoogklimt.’
In de afgelopen zes dorpen had Igor alle lege wijnzakken opgekocht: geitenhuiden die aan elkaar genaaid waren en met hars ingesmeerd om ze helemaal waterdicht te maken.
‘Jij bent heel wat van plan,’ zei de raaf. Het was duidelijk een vraag, maar Igor knikte enkel. ‘Dat klopt.’
Het Woud aan de Rand van de Wereld bleef dagenlang een grijsgroene streep, maar ineens leek het uit het kniehoge korstmos omhoog te springen: een muur van vervlochten lariksen en zilversparren. Het zag er even ondoordringbaar uit als de bramenmuur om de veste van de Spinster.
‘Dit is Igor Blodøks,’ riep de raaf met een verrassend welluidende stem, ‘en hij komt zijn bruid halen!’
De stammen sidderden, ontrafelden zich tot er een brede allee voor hen lag.
Geen echte raaf kon ooit met zo’n prachtig welluidende stem spreken en Igor wist nu zo goed als zeker wie de raaf was en met wiens tong hij gesproken had. De sluwe en wrede bomen van dit woud konden slechts een meester gehoorzamen.
Ze schreden door een laan van juichend smaragdgroen gras en bij elke stap knapten de wervels en ribben van eerdere wrekers onder Igors laarzen. Tussen de boleten glansden schedels in hun gekliefde helmen en het was Igor duidelijk dat Koschei een bedreven zwaardvechter en magiër moest zijn. Sommige van die helmen waren immers met runen overdekt en flakkerden nog met ijselijke bezweringen.
Koschei zoekt zijn vijanden niet zomaar uit. Heel wat van hen moeten befaamde strijders of gruwelijk machtige sjamanen geweest zijn. Ik moet zijn aandacht aan mijn magische bloedbijl danken. Igor begreep dat ze al door de gangen van Koscheis kasteel liepen, dat het Woud aan de Rand van de Wereld zelf zijn woning was. Hij stopte en doopte zijn pijlen een voor een in het kwabbige, blauwe vergif. Hetzelfde deed hij met het scherp van zijn bijl.
Geen moment te vroeg: een enkele zonnestraal speerde omlaag uit de al dagenlang bewolkte hemel. Op een open plek hurkten een dozijn jonge meisjes om een kampvuur, Esme middenin.
‘Dit is het dan,’ sprak de raaf. ‘Het einde van je reis. De beloning van al je inspanningen.’
Igor was bijna vergeten hoe prachtig zijn bruid was, wat een gelukkig man hij was dat ze hem uitgekozen had. Dat alles kwam nu terug, bijna als de klap in je gezicht waarin een strijdmakker je uit een te diepe slaap wekt. Vader Odin, haar prachtig fonkelende groene ogen, haar glanzende haar.
‘Esme,’ fluisterde hij en stapte toen naar voren, riep haar naam. De echo’s stierven tussen de stammen weg en ze bleef doodstil zitten, keek niet op.
Koschei stapte uit de schaduwen, een wezen dat glad als gelakt berkenhout was, met een masker van geribbeld mammoetivoor als gezicht. Hij zag nu dat zijn vijand net als de raaf twee verschillende ogen had. Ze ruilden hun linkerogen. De hele reis keek Koschei al met mij mee.
‘Is ze niet geslaagd?’ zei Koschei en zijn stem was pure muziek, als het aanslaan van een harp of een langeleik. ’Ik looide haar huid met het vet van civetkatten en de tranen van selkies. Het gezicht van jouw Esme zal nooit rimpelen en zacht blijven als een rozenblaadje waarop de eerste dauwdruppels parelen. Haar ogen zijn nu smaragden, haar lokken golvend gouddraad.’
Hoe groot de woede en smart van een krijger ook is, hij blijft een krijger. De eerste pijl raakte Koschei in zijn linkeroog, de tweede boorde zich in zijn hart, precies tussen de juiste ribben. Hij plukte ze er achteloos uit, mikte ze op de grond en ving de derde pijl in een opgeheven handpalm op. ‘Misschien zijn jullie mijn verhaal intussen vergeten? Daar aan de Dnjepr? Over mijn dood en de naald in het eendenei?’ Hij trok een zwaard van een metaal dat glansde als een Byzantijnse spiegel en bezet was met een zaagrand van haaientanden. ‘Dit was beslist amusant. Niet veel wrekers bereiken mijn paleis en …’
Igor haalde uit met zijn bijl waarvan de steel precies even lang was als nodig is en Koscheis hand met het zwaard plofte in het mos. Er spoot geen bloed uit de pols en de hand rende rap terug, sprong omhoog naar zijn pols.
Igor legde echter geen nieuwe pijl op zijn boogpees, maar zei enkel: ‘En dat is dan zeven.’
Koschei fronste. ‘Waar slaat dat nu weer op?’
‘Acht en negen.’
De bruidenmoordenaar smakte voorover op de grond, even slap en opgezwollen als een verdronken schaap. Het gif van de moerasvrouw deed precies wat ze beloofd had.
Als eerste handeling hakte Igor het hoofd af. Hij wipte ogen uit de kassen en wierp ze de raaf toe, ook al vermoedde hij dat ze onverteerbaar zouden blijken te zijn. De armen en benen volgden, toen de handen en voeten. Een haal van zijn zwaard opende de romp en hij trok het traag kloppende hart uit zijn nest van ribben. Vervolgens sjorde hij de windingen van de darmen los tot ze als lange, glinsterende lussen in het gras lagen.
‘En nu?’ vroeg de raaf.
‘Ik naai elk stukje Koschei stevig in een wijnzak en begraaf die op dagreizen van elkaar. Het kost tientallen jaren voor een wijnzak ver genoeg vergaan is dat een hand zich uit de grond omhoog kan klauwen om op zoek te gaan naar de rest van zijn lijf.’
‘Tenzij iemand precies weet waar je ze begraven hebt,’ zei de raaf.
‘Daar heb ik uiteraard aan gedacht.’
De eerste pijl miste de wegschietende raaf. Iets dat Igor zelden overkwam. Hij moet mijn wapens behekst hebben. Nu ja, voor Koschei werkten ze nog prima.
Voor een tweede schot was de raaf al te ver. Hij was letterlijk pijlsnel de hemel ingeschoten en nu bogen de takken zich naar elkaar toe, als om hem af te schermen.
Hij zette Esme voor zich op zijn paard en vertrok. Igor had half verwacht dat het Woud hem zou insluiten om hem tussen haar stammen te vermorzelen of met haar wortels zou proberen te wurgen. De laan bleef echter open en heel in de verte kon hij zelfs de mosvelden zien schemeren, met een rij piepkleine rendiersilhouetten.
Igor Blodøks keerde nooit in zijn borg terug en een neef erfde de landerijen en de kudde voortreffelijk melkvee.
In Skraversholm betrok tegen dezelfde tijd een houthakker met zijn jonge vrouw de hut van de houtskoolbrander die al negen jaar leeg stond.
Soms vingen de dorpelingen een glimp op van zijn dame: ze was beeldschoon en zat in een eigen zetel in het zonlicht dat haar lokken als golvend gouddraad deed glinsteren.
Het bleef bij niet meer dan een glimp. De nieuwe houthakker en zijn vrouw waren duidelijk op hun privacy gesteld en die twee hadden genoeg aan elkaar. Bovendien droeg hij steevast een allemachtig grote bijl over zijn schouder en als hij je aankeek, zat er een vreemde schittering in zijn ogen. Een sjamanenblik bijna, alsof hij dwars door je heen keek en zaken zag waarvoor jij blind bleef.
Door de kieren van het luik viel het maanlicht naar binnen.
‘Iemand klopt op de deur, Esme,’ zei Igor.
Ik denk dat je wel weet wie dat is, leek Esme te zeggen. Vreemd hoe hij haar gezicht en lippen zo duidelijk voor zich zag, hoewel het maanlicht haar helemaal niet aanraakte.
Het klinkt nogal laag bij de grond, vervolgde ze. Alsof de bezoeker op zijn buik ligt.
In het licht van de volle maan leek alles kristalhelder: iedere haar op de losse hand, de kromme nagels waaraan de aarde nog kleefde. De hand sprong Igor naar de keel, snel als een jachtspin maar de zwaai van zijn bijl sloeg hem hoog de takken in. Een trap van zijn met ijzerbeslagen laars brak alle vingerkootjes van de tweede hand en dreef hem diep de humus in.
Dat is twee. Hij haalde diep adem, trok zijn schouders recht. Het grootste gevaar is nu zijn hoofd. Ongetwijfeld heeft hij holle giftanden gegroeid en trekt hij zich voort met een tong als een levende zweep.
Van een hogere tak klonk een uitdagend gekras: het hoofd en de kraai zaten gebroederlijk naast elkaar en Igor zag dat elk zijn eigen ogen weer terug had: Koschei met irissen van barnsteen en de raaf inktzwarte knikkers.
Igor hief zijn bijl en stormde naar voren. Hij wist heel zeker dat zijn steel precies lang genoeg zou zijn om die twee faliekant doormidden te slaan. Uit de boomtoppen zwiepte een strop van levende darmen omlaag en rukte hem omhoog. De knak waarmee zijn nek brak, leek schokkend luid door het woud te echoën.
Pas toen Igors tong niet langer schokte en zwart begon te kleuren streek de raaf op Igors kruin neer om de ogen op zijn gemak uit te pikken.
