![]()
In het jaar des Heeren 1607, zynde het neegende der vorsten Albrecht en Isabella, vondt te ‘s Graven-Leerne de terechtstelling plaets van Janne Callens, Passchyne Neyts en Joosyne Celis. Janne Callens stondt beschuldigd ene koe te behexen door ze met hare linkerhand over den rug te wryven. Den volgenden dag stierf het beest, lydende vreeselyke kolieken.
De heer van ‘s Graven-Leerne, Johannes van Heemskerke, liet Janne Callens voorleiden en ondervroeg haar in het byzyn van den baljuw, doch het vrouwmensch ontkende alle hare misdaaden. Daarop zondt heer Van Heemskerke enen bode naar Gent. De advocaten van den Raet van Vlaenderen boden hem de diensten van den beul, Ortwin Oudspeck.
By grondig onderzoek vondt Oudspeck drie duivelsmerken op het lichaam van Janne Callens. Zy bezwoer dat zy de merktekenen reeds van kindsbeen af droeg, waarop tot den waakproef besloten wierd. Callens werd des avonds voor een hoog oplaaiend vuur geplaatst en nog voor den ochtend bekende zy hare donkere kunsten.
Zy bekende met den duivel gemeenschap te hebben gehad, en zyn aarsgat te hebben gekust. Bovendien beschreef zy naer waerheit zyn yskoude lid. Zy beschreef den nachtelyken heksensabbat waarop zy met andere heksen danschte en zwarte magie pleegde. Onder tortuur noemde zy de namen van Passchyne Neyts en Joosyne Celis. Den volgenden dag herhaalde zy hare bekentenis uit vryen wil en zonder tortuur.
Daarop beval heer Van Heemskerke den baljuw om den brandstapel in te richten en de twee andere heksen terstond te arresteren.
(Uit: De kronieken van ‘s Graven-Leerne,
Hippolytus Gandavensis, 1793)
*
Passchyne was het licht, ik een verwarde nachtvlinder. Ik kon niet anders dan haar te zoeken, haar te volgen, me te warmen in haar gloed.
Aan mijn echte moeder heb ik niet veel herinneringen. Ik weet nog hoe ik haar hand vasthield, hoe ik bij haar kwam liggen. Hoe ze stierf, ben ik vergeten. Ze liet een leegte achter die vader langzaam opslokte. Ik ontsnapte eraan door rond te zwerven, doelloos door de velden, steeds verder van huis, tot in de schaduwen van het bos. Vader zwierf ook stuurloos rond, maar dan van herberg naar herberg. Wat hij daar dacht te vinden, heb ik nooit begrepen, en het onbegrip was wederzijds.
Ik ben nooit bang geweest van eenzaamheid, ook niet van het donker. In de eenzaamheid is er geen wereld, geen gevaar. In het bos kon ik schuilen en trok de wereld aan me voorbij. Alleen Passchyne, zij trok niet voorbij.
‘Wat zoek je, meisje?’
‘Niets. Of alles. Vrijheid, mezelf, iets beters dan wat was, het goede en het kwade.’
‘Vrijheid vind je pas voorbij het goede en het kwade, maar je bent nog jong. Vind jij maar eerst jezelf; dat is een goede plek om te beginnen.’
‘En iets beters dan?’
‘Je moet eerst zien wat er is, voor je het kunt veranderen.’
‘En jij, weet jij dan wat er is?’
‘Ik weet sommige dingen. Andere blijven een enigma – dat moet je leren te aanvaarden.’
Ze nam me mee naar haar huis, ze gaf me te eten en te drinken; voor het eerst sinds moeders dood was ik veilig. Passchynes huis werd beschermd door haar spreuken en intenties.
“Lucht, laat ons ademen, laat ons leven, aarde, wil ons lichaam voedsel geven, water, drenk ons in uw moederkracht, vuur, bescherm ons met uw macht. Geesten, bescherm deze plek van liefde.”
*
Een voorbeeld van een beperkte kettingreactie zien we in de casus van de heksenvervolgingen te ‘s Graven-Leerne. Eén beschuldiging en een bekentenis (uitgelokt onder foltering) leidden er tot meerdere beschuldigingen, processen en terechtstellingen. Anderzijds moet worden opgemerkt dat ten gevolge van deze zogenoemde “heksenwaan” ook niet meer dan drie vrouwen werden terechtgesteld. Vanuit ons hedendaagse perspectief zijn dat weliswaar drie (waarschijnlijk onschuldige) slachtoffers te veel, maar duidelijk onvoldoende om te spreken van een systematische campagne, laat staan een “georganiseerde femicide” zoals sommige feministisch geïnspireerde historici het fenomeen pogen te duiden.
Uit: Albrecht en Isabella – Vlaanderen tussen hemel en hel, Johannes G. Waterscha, 1994
*
Het ondoorgrondelijke bos lokte me, weg van vader, weg van verleden tijden, weg van alles wat ik wou vermijden. Passchyne leerde mij veel van wat ik weet: hoe met dieren te spreken, hoe de zilverachtige schemering van het woud te betoveren tot veiligheid, hoe te dromen zonder grenzen. Ze was een goed mens, als ze niet meer was dan dat.
‘Dit is zevenblad. Pluk er maar van – het groeit snel terug, en we kunnen het drogen en een hele winter bewaren. Het helpt bij verkoudheden en pijnlijke gewrichten.’
‘Dit is geen zevenblad, Passchyne, deze heeft maar zes blaadjes.’
Ze glimlachte. Haar geduld was even onuitputtelijk als haar kennis.
‘Wat waardevol is, is ontelbaar, Willeke. Toverkracht gaat dieper dan woorden en getallen – anders is ze waardeloos.
Dieren vluchtten niet weg van Passchyne; ze leek wel een lokaas voor hen. Passchyne zei altijd dat ze geen lievelingsdier had, dat was de enige leugen die ze ooit heeft uitgesproken.
Een eenzame hinde, die vaak van haar kudde afdwaalde, kwam naar Passchyne toe zodra ik wat verder weg was. Van mij was het dier bang, maar Passchyne praatte tegen haar alsof ze haar al jaren kende; dat was waarschijnlijk ook zo. Ik zag haar zelfs het schuwe dier omhelzen, en de hinde legde haar kop zachtjes op haar schouder. In de avondschemering leken ze even een te zijn.
*
Het waren de getuigenissen van buren en bekenden die Passchyne Neyts wellicht de das omdeden: verschillende buren getuigden dat ze Passchyne bij volle maan naar het bos hadden zien trekken. Een van hen meende een “wilden dansch” te hebben waargenomen. Drie getuigen verklaarden dat ze Passchyne in het gezelschap van een jong meisje hadden ontmoet, en een van hen identificeerde haar als Willemyne Sveermans, dochter van Gerbrandt Sveermans, een “timmerman ende dronkaert” uit de stad.
Willemyne Sveermans is terug te vinden in het doopregister: ze werd geboren in 1595. Daarna duikt haar naam niet meer op in de archieven. Hippolytus Gandavensis vermeldt haar wel kort in zijn kronieken, op basis van een bron die wellicht verloren is gegaan: ‘Eene hexenleerlinge, Willemiene [sic] die zonder eenig spoor verdween.’
Uit: Schuldig! Een reconstructie van de heksenprocessen te ‘s Graven Leerne, Pieter-Jan Verwoerdt, 2003)
*
Slechts weinigen verdragen de leegte, ook al is ze overal aanwezig, ook al slokte ze onschuldigen als Passchyne op. Ze haalden haar bij valavond; ze waren met velen. Ze sleepten haar van haar huisje naar het kasteel, geketend maar met geheven hoofd. Ik stond aan de kant van de weg en zag de stoet voorbijtrekken. De leegte die moeder naliet, bleef me achtervolgen en toen Passchyne me voorbijging, die laatste maal, begroette ik de leegte als een oude vriendin. Drie dagen dreven voorbij. Terwijl ik in rouw en verdriet bleef vasthangen, werd Passchyne gekweld en gepijnigd.
Ik zag Passchyne terug voor het kasteel; op de stapel van hout en stro stond ze. De beul maakte zich gereed om de stapel in brand te steken en zij keek toe, ze leek niet bang of onrustig, maar eerder vredig en nuchter, alsof ze haar lot accepteerde. Ik, daarentegen, wilde het niet accepteren. Ze verdiende het niet om verbrand te worden wegens haar wijsheid.
Het spektakel begon, de massa joelde, het duurde niet lang voor Passchyne ondergedompeld werd in vuur, even groot als mijn woede maar kleiner dan mijn verlangen naar wraak. Haar vastgebonden lichaam werd slap, haar ademen werd stilgelegd door de rook. Haar huid liep rood aan, het leek alsof haar lichaam nog een poging deed tot bewegen, een poging iets te verwoorden, een laatste les, een laatste spreuk.
Het omhulsel dat Passchyne was, kreeg witte blaren en brandend rode plekken, haar lichaam leek steeds minder op het hare, het leek slechts nog op alle anderen die de vuurdood niet verdienden. Ik moest en zou haar wreken ik zou hen allen straffen, in naam van Passchyne en in naam van alle onschuldige vrouwen die nooit meer zullen wederkeren.
*
Ja, ik herinner me grootmoeders verhalen nog heel goed. Ze kon vertellen als de beste, en in die tijd was er ‘s avonds nog niet veel te doen he. Geen tv, en een radio hadden we ook nog niet. Wie niet op café zat, zat thuis verhalen te vertellen. Ze vertelde sprookjes, maar ook stukjes geschiedenis van ‘s Graven-Leerne. Ik weet niet waar al haar kennis vandaan kwam, maar ze was een wandelende encyclopedie, die vrouw.
Het liefst van al vertelde ze over de heksenwaan, en over de dwaze kasteelheer en zijn baljuw. Ze wist zelf ook ontzettend veel over planten en kruiden, ik denk dat ze daarom zo zot was van die heksen. Misschien was ze zelf een beetje een heks. (lacht)
Mijn lievelingsverhaal ging over het kleine meisje dat in de leer was bij een heks en ontsnapte toen ze haar ook wilden arresteren. Dat kleine meisje was de heldin van het verhaal, en ik vond het een geweldig idee, dat een meisje al die grote mannen te slim af zou zijn. Ja, dat waren schone verhalen, van grootmoeder. Het zal wel allemaal niet waar geweest zijn, natuurlijk, maar zo passeerde de avond.
Interview met mevrouw Wilma Neyt, twee dagen voor haar honderdste verjaardag.
Uit: Spreken tegen het vergeten. Orale tradities in de Scheldevallei, Rutger Bekaert, masterscriptie UGent, 2010)
*
Ik liep en bleef lopen, op zoek naar vrijheid en wraak; wraak op alle mannen die beter wilden weten, wraak voor alles wat ik op heb moeten geven. Vrijheid zocht ik in de eindeloosheid van het bos waar ik ooit Passchyne lief had als een moeder, waar zij van mij hield als van een dochter.
Diep in het bos vond ik de hinde, of zij vond mij. Ze leerde me wat Passchyne me niet meer leren kon. Ik verkreeg vaardigheden van haar, vaardigheden even donker als het firmament dat ‘s avonds boven Passchynes huis opgetrokken werd, het firmament waaronder ik veilig was.
‘Wat jij wilt is wraak, Willemyne, en wat je daarvoor nodig hebt, is gevaarlijk.’
‘Zwarte magie, bedoel je?’
‘Zo noemen mensen het die het niet begrijpen, ja. Maar magie is niet wit of zwart. Het is energie, het is kracht, het heeft niets te maken met zo’n simpele ideeën als goed en kwaad. Die moet je loslaten, anders kan ik je niets leren.’
‘Loslaten is geen vaardigheid, het is ervaring en omgaan met het leven.’
Ik dacht al veel te weten – wat was ik nog jong. De hinde leerde me dat ik beter zou vergeten en opnieuw beginnen. ‘Vergeet alles behalve je verlangens,’ zei ze, ‘vergeet alles behalve het maanlicht, het bos, het oude huis, en de wind.’ De hinde legde haar kop op mijn schouder, en even voelde ik dat Passchyne bij ons was.
Ik sliep onder de varens, ik dronk van de rivier en leerde van de hinde. Toen zij stierf – want alle wijsheid moet ooit sterven – groef ik een kuil en gaf haar lichaam terug aan de aarde en het woud. Ik liet haar gaan; zoals ik moeder en Passchyne ook had laten gaan. Leven is loslaten. Loslaten is leven.
Na de jaren in het bos, na eeuwen van dromen, vond ik mezelf in het oord dat ooit Passchynes thuis was.
“Lucht, laat ons ademen, laat ons leven, aarde, wil ons lichaam voedsel geven, water, drenk ons in uw moederkracht, vuur, bescherm ons met uw macht. Geesten, bescherm deze plek van liefde.”
Ik verbleef er graag, in haar huis, in ons thuis. Het voelde goed om terug te zijn, het was goed om terug te keren naar wat Passchyne had achtergelaten. Alles stond nog op dezelfde plaats, de theepot op het fornuis, de zetel voor het grote raam met uitzicht op het bos, het tafeltje dat ernaast stond met een openliggend boek dat ze nooit verder lezen zal. Het was goed om een hoofdstuk af te sluiten, voor Passchyne, voor mij.
Ik bewoog door haar huis, de stilte werd onrustig. Passchyne was hier, Passchyne was weg, Passchyne was slechts een gedachte, een schim die ik zag in elke hoek van mijn blikveld. Ik pakte het boek op, de pagina’s trilden, alsof haar magie zich nog vastklampte aan de inkt. Een laatste boodschap, een laatste gebed.
*
In het jaar des Heeren 1616 trof rampspoed onze schoone gemeente ‘s Graven-Leerne, toen een nooyt geziene plaeg de meest edele slachtoffers belaagde ende den dood injoeg. De baljuw was de eerschte dien de plaeg overmeesterde: eenes avonds zeide hij, zich onwel te voelen en trok zich terug, doch des nachts werden zyne huisgenooten gewekt door luid geschreeuw. Doeken, in koel water gedrenkt, boden geen soelaes voor de heevige koortsen, en het gelaet en lichaam van den baljuw waren vuurrood, en later overtrokken met builen en uitslag. Tegen den ochtend overleed hy in hevige pynen, onherkenbaar zelfs voor zyne geliefden.
Den volgenden dag maeckte de plaeg zich meester van den heer, Johannes van Heemskerke zelve. Slechts ene kloosterzuster en een ouden chirurgyn dierven tot by hem te komen, om hem te verzorgen en zyne laatste uren draaglyk te maken. In de geschriften van den chirurgyn vond ick deeze aentekening:
“Heer van Heemskerke, gekweld als van den duvel zelven, leedt heevige koortsen ende pynen. Er was geen vuur in zyne kamer, doch het geleek alsof hy leevend verbrandde, zy het seer langsaem. Zyne huid verkleurde rood als vuur, en trock in witte blaeren los van zyn lichaem. Na eenige uuren werden de plekken zwart als duyvelsmerken, en zyn schreeuwen werdt stiller. Ick had geen hoop voor zyn leven, maar het sterven ging traeg, en ick wenschte dat God hem spoedig tot zich zoude nemen. Hy stierf tegen den avent en geen der dienaeren dierf hem te wasschen of in dezelfde kamer te koomen. Ick nam my vooren, als de ziekte my zoude treffen, myzelven de kele af te steken – dusveel leeds is niet des Godes, doch behoort den vyant van der helle.”
Kort na den dood van den baljuw en den kasteelheer, wierd ook den beul van Gent, Ortwin Oudspeck, tot den Heere geroepen. Eenigen spraecken van enen vloeck der hexen, die hier tien jaren tevoren waren gerecht, doch Oudspeck werd te Gent dootgeslaegen door enen dronkaert, Gerbrant Sveermans, en van gener hexe betoovert.
(Uit: De kronieken van ‘s Graven-Leerne,
Hippolytus Gandavensis, 1793)
*
Wraak is geen magie; wraak is het herstellen van het evenwicht in de natuur. Passchyne begreep dat evenwicht beter dan wie ook, ze danste over het koord en hield mij recht toen de werkelijkheid wankelde. Het was mijn plicht om het evenwicht te herstellen, en ik denk dat ik mijn plicht heb vervuld. Zelfs vader heeft zijn plicht gedaan.
Voor u, mijn geliefde Passchyne, voor u die beter wou, voor u die beter verdiende, voor wat deze mannen u aandeden, voor waar zij niet aan hadden gedacht toen zij uw gedachten stopzetten. Ik laat ze branden, ik laat ze inzien. Ik weet hoe het werkt. Eerlijk, ik weet al zo lang hoe het werkt. Moeders zullen het vertellen aan dochters, aan kleindochters, tot het einde der tijden. Ik zal de leegte opvullen; ik zal doen wat ik beloofde en dan mezelf vergeven.
*
Bibliografie
Bekaert, Rutger. Spreken tegen het vergeten. Orale tradities in de Scheldevallei. Gent, UGent, 2010. lib.ugent.be.
Gandavensis, Hippolytus. De kronieken van ‘s Graven-Leerne. Gent, ca. 1793.
Verwoerdt, Pieter-Jan. Schuldig! Een reconstructie van de heksenprocessen te ‘s Graven-Leerne. ‘s Graven-Leerne, Heemkundige kring, 2003.
Waterscha, Johannes G. Albrecht en Isabella – Vlaanderen tussen hemel en hel. Groendonk, Historiae, 1994.
Verantwoording
We gebruiken in dit verhaal de namen van vier vrouwen die voor hekserij terechtgesteld werden in Laarne. Ons verhaal is fictie, maar deze vrouwen waren echt; we dragen ons verhaal in alle eerbied en bescheidenheid aan hen op.
“Eerlijk, ik weet al zo lang hoe het werkt” is een citaat van Kaat Van Stralen – enigszins een moderne heks.
Alle “bronnen” in dit verhaal zijn geheel en al fictief.
