![]()
Tap tap tap tap … tap … taptap …
Anna’s ogen vlogen open. De cijfers van haar wekker kwamen wazig in beeld terwijl ze slaapdronken probeerde haar ogen te focussen. Zeventien over drie. Waarom was ze wakker?
Tap tap tap tap … tap … taptap …
Ze schoot overeind. Het tikken klonk vaag, hol in de nog niet helemaal ingerichte ruimten van het appartement. Waar was het vandaan gekomen? Anna hield haar adem in en luisterde aandachtig, maar het tikken herhaalde zich niet. Waren het de leidingen geweest misschien?
Ze zwaaide haar voeten op verschoten tapijt van haar slaapkamer en stond op. Buiten was een gure wind opgestoken en de vergeelde vitrage wapperde in de windstoten die om het appartementencomplex gierden. Ze reikte omhoog en trok het schuifraam naar beneden zodat er nog maar een kiertje open stond. Misschien had de wind iets tegen het raam geblazen en was het dat wat ze had gehoord.
Ze trok de dunne badjas aan die aan het eind van haar bed op de dekens lag, schoof haar voeten in haar pantoffels en scharrelde naar de keuken zonder de lichten aan te doen. Overal stonden dozen en in de gang stootte ze haar grote teen pijnlijk tegen een van de deurposten. Ze was duidelijk nog niet gewend aan alle hoekjes en gaatjes van haar nieuwe woning.
Milou wreef zichzelf liefkozend tegen haar schenen en Anna lachte zachtjes. ‘Het is nog lang geen etenstijd, dame.’ Ze bukte zich om de kleine zwart-witte kat een aai over de rug te geven. ‘Maar ik ben wel blij dat je er bent … zonder jou was het allemaal heel raar geweest hier.’
Ze besloot een kop thee voor zichzelf te zetten. Ze was toch wakker en het voelde aan alsof het lastig zou zijn om meteen weer in slaap te vallen. Het galerijlicht viel door het keukenraam naar binnen en het stapeltje post op de kleine keukentafel in de hoek staarde haar beschuldigend aan. Nog zoveel te doen. Adressen om laten zetten, de verhuizers betalen. Een brief van de gemeente waarvan ze de inhoud nog niet wist. Het raarste van alles was nog wel haar meisjesnaam op elk stuk. Anna staarde ernaar, probeerde te duiden hoe ze zich voelde, maar slaagde daar niet goed in. Verdoofd kwam er misschien het dichtste bij.
Tap tap tap tap … tap … taptap …
Daar was het weer. De huid op Anna’s armen verhief zich in kippenvel. Een onprettige sensatie en eentje die ze niet goed begreep, want het was niet koud in huis. Milou trippelde de keuken uit, oren gespitst.
Jij hoort het ook …
Anna kwam in beweging. Met haar handen rond de mok liep ze behoedzaam door de aangrenzende ruimten van het nog onbekend aanvoelende appartement, hier en daar de lichtknopjes met haar elleboog indrukkend. Naarmate er meer lampen aanfloepten voelde ze zich veiliger. Ze vond Milou in haar slaapkamer op het bed, opgerold en met de snoet naar de lege muur achter het bed gericht. Daar wilde ze binnenkort iets aan de muur hangen. Misschien kon ze iets leuks vinden bij de kringloop. De kat leek weer tot rust gekomen en Anna kroop haast haar in het zachte beddengoed. Ze viel in slaap met de dampende mok nog op haar nachtkastje en alle lampen in haar nieuwe huis aan.
##
De oude vrouw in de deuropening keek Anna argwanend aan. ‘Ja?’ Het klonk niet bijster vriendelijk. Achter de vrouw liep dezelfde gang als die van Anna verder de flat in, alleen dan gespiegeld. Haar naaste buurvrouw had de hal behangen met gestreept behang van plafond tot vloer, hier en daar onderbroken door planken met snuisterijen en foto’s in krullerige lijsten.
Anna stak haar hand uit en trok deze vervolgens aarzelend weer terug toen de buurvrouw geen aanstalten maakte om haar de hand te drukken. Ze voelde zich er verlegen mee – als een schoolmeisje dat deur aan deur koekjes kwam verkopen in plaats van als een volwassen vrouw. Het beton waaruit het complex opgetrokken was rook vochtig en er drupte met enige regelmaat water uit een kier tussen de betonplaten waaruit het bovenliggende dak bestond. Het gedruppel maakte een naargeestig spetterend geluid.
Het complex was niet heel groot, en oud. Het had vier verdiepingen en geen lift. De appartementen leken allemaal op elkaar en waren klein, geschikt voor één of twee personen. Op iedere woonlaag waren er vier en ze waren elkaars spiegelbeeld. Anna’s flat lag helemaal aan het einde van de galerij, waardoor haar slaapkamer aan de buitenmuur van het complex grensde. Ze huurde particulier – dat was de enige manier waarop ze snel een nieuwe woning had kunnen vinden. Haar woonkamer en hal lagen tegen die van mevrouw Meulenkamp aan.
‘Ik … ik wilde me even voorstellen. Ik woon sinds deze week naast u, vandaar. Mijn naam is Anna van Toorn …’
Haar stem stierf weg en ze veegde haar hand zenuwachtig af aan haar spijkerbroek. De vrouw tegenover haar, in een bloemetjesjurk en roze steunkousen boven stevige sandalen, snoof. ‘Ik ben mevrouw Meulenkamp. Ik hoop niet dat je iemand bent die alle avonden laat thuiskomt en dan met deuren slaat. Daarvan zijn er al genoeg in deze flat. Of die zo hard ruzie maken dat ze zelfs door de muren heen te horen zijn. Mijn zoon is de eigenaar en die is daar ook niet van gediend.’
Anna deed haar mond open en meteen weer dicht. Ze voelde een zweetdruppeltje van onder haar haren langs haar rug lopen. Achter haar deed de wind de ramen in de gesloten galerij klapperen.
Ze voelde zich uit het veld geslagen. Hier alleen heen komen was al niet gemakkelijk geweest en ze hoopte niet dat deze vrouw haar het leven zuur ging maken.
‘Ik woon alleen,’ zei ze zacht, bijna verontschuldigend. ‘Ik wilde het ruziemaken juist ontvluchten.’ Ze sloeg haar ogen neer. ‘Ik denk niet dat u veel van me zal horen.’
‘Nou, dat is dan prima he? Als er niets anders is …’ Mevrouw Meulenkamp maakte aanstalten zich om te draaien en de deur weer dicht te gooien.
Anna stak onwillekeurig haar hand uit om haar tegen te houden. ‘Ik had wel een vraag. Alstublieft?’
Mevrouw Meulenkamp fronste, met een wat-moet-je-van-me blik. Anna zette snel door. ‘Ik hoor iedere nacht een gek geluid. Een soort getik? Weet u misschien wat het is? Zijn het leidingen of zoiets? Ik vraag me af of ik de … uw zoon moet bellen.’
Het gezicht van de buurvrouw werd nog geslotener dan het al was geweest en ze deed zelfs een stap terug in de gang, alsof ze vond dat ze te dichtbij Anna stond. ‘Nee. Geen idee. Wen maar aan het wonen in een oud gebouw.’
Ze sloeg de deur in Anna’s verbouwereerde gezicht dicht.
##
Zeventien over drie. Anna’s ogen vlogen open. Een lange serie tikken weerklonk door de flat.
Tap tap tap tap … tap … taptap … tap tap tap tap … tap … taptap …
Milou kroop tegen haar schenen onder het dekbed en Anna gilde het uit bij die onverwachte aanraking. Ze trok haar benen in een reflex op, graaide naar het dekbed en kroop in een hoopje tegen het hoofdeinde. De kat stoof het bed uit en verdween door de openstaande slaapkamerdeur. De duisternis in de kamer werd zwak verlicht door het maanlicht dat naar binnen viel, maar verder was de flat een zwarte holte.
De tikken klonken weer, gevolgd door wat leek op het scharrelen van ratten in de muren. Het was een laag, schurend geluid dat van alle kanten leek te komen. Dit waren toch geen leidingen? Waren het knaagdieren in de spouwmuren?
Tap tap tap tap … tap … taptap … tap tap tap tap … tap … taptap…
Weer gevolgd door het schrapende geluid.
Even kreeg ze een visioen van haar ex die aan de deur stond te krabben. De adrenaline gierde door haar lichaam en maakte dat haar vingers pijnlijk aanvoelden. Ze kneep haar handen tot vuisten. Mike wist niet waar ze woonde. Daar had ze wel voor gezorgd. Toch?
Haar hart bonsde als een razende in haar keel. Wat als hij haar toch gevonden had? Wat als hij er een duivels genoegen aan beleefde om haar midden in de nacht de stuipen op het lijf te jagen?
Haar angst zette zich om in woede en voor ze het wist was ze in beweging. Ze griste het grote keukenmes dat ze uit voorzorg in het nachtkastje had gelegd en hield het voor zich uitgestoken. De voordeur was gesloten, zag ze opgelucht. De geluiden waren ook weer opgehouden. Beverig veegde ze het gordijn dat voor het smalle raam naast de deur hing opzij, om zo op de galerij te kunnen kijken. Niets. Ook door het spionnetje in de deur was niets te zien.
Stop hiermee Anna. Je laat je nog steeds gek maken door hem. En dat terwijl hij niet eens in je buurt is. Het is genoeg geweest. Je bent vrij.
Het bed was warm, en de rust was weergekeerd. Toch duurde het lang voor ze de slaap weer kon vatten.
##
Anna duwde de laptop met een geïrriteerd gebaar van zich af. Met de verhuizing had ze ook een andere baan moeten zoeken en ze had niet veel keuze gehad. De chatsupport voor het grote online warenhuis had ideaal geleken: ze hoefde haar huis er niet voor uit en ze vond het ook niet erg in wisselende diensten te werken. Maar wat was het geestdodend. Altijd weer dezelfde vragen en zodra er een toetsenbord en schermpje tussen haar en de klant zat, leek dat altijd een laagje beleefdheid van de gesprekken af te stropen.
‘Stelletje toetsenbordridders,’ mompelde ze kwaad na een bijzonder onprettig gesprek. Het liep tegen middernacht en ze had nog even te gaan – haar dienst was om half twee afgelopen. Wat een achterlijke tijden eigenlijk. De vierentwintiguurseconomie draaide duidelijk op volle toeren. Ze kon niet wachten tot dit soort werk overgenomen was door een goede A.I. Voor nu was het een vloek en een zegen tegelijk – eentje waar ze maar beter dankbaar voor kon zijn op dit moment in haar leven.
Ze gaapte, stond op en besloot zichzelf een kop thee in te schenken. Per twee uur was het toegestaan om tien minuten pauze te nemen en daar was ze hoognodig aan toe.
Scheiden was ongelooflijk duur gebleken. Ze nam zich voor om zo snel mogelijk een andere baan te zoeken als ze er financieel een beetje bovenop was. Een auto lag dan ook binnen de mogelijkheden en dat zou haar horizon verbreden. Maar voor nu moest ze het doen met dit shitty baantje in dit shitty appartement.
In haar wandelgang naar de keuken viel haar oog op Milou. De kleine kat zat in de deuropening naar de slaapkamer, de oren gespitst, de blik fel.
Waar staar je naar, dame? Muisjes? Ratten?
Anna luisterde aandachtig maar hoorde niets. Ze bukte zich om Milou op te pakken maar zag vanuit haar ooghoeken een flits van beweging in de slaapkamer en deinsde achteruit. Een verstikte gil ontsnapte haar. Het bed links was een donkere rechthoek zoals altijd, maar rechts, naast het nachtkastje, in de hoek met de muur van de aangrenzende badkamer … was dat een gestalte? Het was klein, gedrongen, alsof het in elkaar gedoken zat. Een kind? Wat?! Het contrast tussen het licht in de woonkamer en de duisternis in de slaapkamer was te groot om met zekerheid vast te kunnen stellen wat ze zag.
Ze stak haar hand om de deurpost en tastte wild naar het lichtknopje, maar vond dat in eerste instantie niet; het zat veel lager dan ze zich herinnerde en een paar seconden lang voelde het alsof er zich op ieder moment een klauw in de rug van haar hand kon boren. Haar adem klonk gejaagd, alsof ze kilometers had gerend. Ze slaakte een zucht van verlichting toen ze de bekende vorm van het knopje onder haar vingers voelde en drukte het in. De kamer baadde in het felle licht van de lelijke plafonnière die de vorige bewoonster achtergelaten had. Anna lachte zenuwachtig om haar eerdere paniek. Het deed haar denken aan haar kindertijd waarin ze ’s nachts niet naar het toilet durfde zonder snel het licht in de gang aan te doen.
De ruimte naast het nachtkastje was leeg. Er stond niets dat ook maar op een ineengedoken figuur kon lijken: niet eens een stoel of een neergesmeten hoopje kleding. Alleen maar de samenkomst van twee muren en een gevlekte plint. En …
Anna liep omzichtig de kamer in. Milou bleef waar ze was, strak naar de hoek starend. Zagen katten meer dan mensen? Had ze ooit zoiets gelezen? Ze keek van de kat naar de hoek en weer terug. ‘Gek beest, wat zie je dan precies?’
Ze keek weer terug naar hetgeen haar aandacht getrokken had. Eerst dacht ze dat het een grote spin op de muur achter het bed was – wat Milous aandacht zou verklaren – maar bij nader inzien bleek het een serie waaiervormige scheuren in het pleisterwerk. Ze begonnen bij een punt in de hoek ter hoogte van Anna’s middel en liepen schuin naar boven over de muur achter haar bed. Ze zakte door haar knieën om er beter naar te kijken en besefte toen dat het niet echt scheuren waren. Tenminste, niet het type scheuren veroorzaakt door het verzakken van het gebouw. Dit leken wel … krassen. Alsof iemand of iets zijn nagels in het zachte gips had gezet. Was dat wat ze vannacht gehoord had? Had Milou aan de muur zitten krabben? Maar het zag er niet uit als kattenkrabbels.
Anna liet haar vingers over de muur glijden. Die voelde koud aan en op een of andere manier glibberig. Er was geen vocht te bekennen, en toch …
Haar vingers voelden wat haar ogen niet zagen. Onregelmatigheden, als van haastig in elkaar geflanst steenwerk onder de stuclaag. Hobbels en bobbels die ze op de muur van de badkamer niet voelde. Wat was hier gebeurd? Was de muur ooit een keer hersteld? Ze legde haar vlakke hand zonder nadenken tegen het stucwerk, de vingers uitgespreid …
… daglicht. Haar benen en voeten deden pijn. Haar nek was in een onprettige houding geknakt, haar hoofd opzij gezakt. Waarom zat ze rechtop? Haar rug was helemaal stram. Ze had het koud. Waar was haar bed?
Wat was er gebeurd?
Het laatste dat ze zich herinnerde was dat ze midden in de nacht in de slaapkamer naar de muur gekeken had. Waarom zat ze nu in de hal op de grond, de geopende meterkast tegenover zich? Was het ochtend? Wat was er in de tussenliggende uren gebeurd? Had ze geslaapwandeld?
De hal baadde in het zachte licht dat door het raam naast de voordeur naar binnen scheen. Stofjes dansten in de schuine bundel zonnestralen. De meterkast was duidelijk stoffig geweest van binnen en wat niet hielp was dat de inhoud duidelijk overhoopgehaald was. Te midden van een wirwar aan ongebruikte kabeltjes, de gebruiksaanwijzing van de stoppenkast en folders van plaatselijke afhaalrestaurants lag een vierkant boek met een stoffen omslag. “Herinneringen” stond met krullerige, bijna niet meer leesbare letters op de voorkant.
Anna reikte ernaar en trok toen met een ruk haar hand terug. De vlakke drempel tussen het linoleum van de gang en de betonnen vloer onder in de meterkast was bedekt met een dunne laag stof. Midden in het stof stond een voetafdruk van een blote voet. Een kindervoet. Haar adem stokte in haar keel.
‘Wat … hhhh … dat kan niet … wat is dit? Ik word gek, ik word gek ik word gek, dit kan niet … het is een kattenpoot, toch?’
Ze fluisterde verwoed tegen zichzelf, zichzelf dwingend diep adem te halen, neusvleugels gespreid. Haar longen kregen niet genoeg lucht. Naar adem happend griste ze het boek van de drempel, probeerde achteruit te krabbelen in de krappe ruimte in een poging om zoveel mogelijk afstand tussen haar en de voetafdruk te creëren en kwam er toen achter dat ze al tegen de tegenoverliggende muur zat.
Oh god, ik moet hier weg, nu nu nu nu!
Anna zette zich af op handen en voeten en struikelde de hal uit, de woonkamer in, het boek voor zich uitschoppend. Het gleed op de stoffen kaft tot onder de bank waar het tegen een poot bleef liggen. Milou sprong van de bureaustoel af waar ze had liggen slapen en kwam onderzoekend kijken, met een pootje onder de bank vissend in een poging het vreemde object er onder uit te krijgen. Anna haastte zich verder de woonkamer in, greep het boek en vloog het balkon op, de deur achter zich in het slot draaiend. Ze draaide zich om en tuurde door de woonkamerruit naar binnen.
De deur naar de meterkast stond nog steeds open. De schuifdeur tussen de woonkamer en de hal ook. Niets bewoog behalve Milou, die nieuwsgierig op haar achterpootjes tegen de ruit van de balkondeur stond geleund in een duidelijke poging te begrijpen waarom haar baasje daarbuiten stond, en zij binnen.
##
Er gleed een vergeeld krantenknipsel uit het boek. Anna kon het nog net grijpen voor het op de bries wegdanste over de balkonrailing. Ze was in de oude klapstoel gaan zitten die de vorige bewoonster op het balkon achtergelaten had, met haar uitgelubberde trui over haar knieën getrokken zodat ze wat extra warmte kon vasthouden. Ze had Milou op het balkon gelaten. De kleine kat liep onderzoekend rond, af en toe haar snuit tussen de spijlen stekend. Haar witte snorharen trilden in de wind.
17 maart 1956 – Moeder komt om en kind verdwijnt.
Waar is kleine Vincent?
De kop was in vette letters afgedrukt die van het broze papier af leken te spatten. Blijkbaar gebruikten journalisten in die tijd ook al sensationele koppen om de aandacht te trekken. Anna las snel verder – het artikel ging over een gezin hier in de flat. De moeder was vlak voor uitgave van deze krant overleden. Het werd niet helemaal duidelijk waaraan, maar tussen de regels door werd geïnsinueerd dat zij niet heel stabiel was geweest en dat gedacht werd aan suïcide.
Het kind was een raadsel. De vader leek wanhopig. Het politiecorps leek te denken dat het kind misschien weggelopen was na het recente familiedrama, maar er werd ook zijdelings melding gemaakt van een zedendelinquent die al tijden in de buurt rondhing.
Ze keek weer naar de balkondeur. Vanuit hier kon ze nog net de openstaande meterkast zien. De voetafdruk. Het krassen en krabbelen. De kleine gestalte die ze gezien had – of dacht gezien te hebben. Het getik midden in de nacht.
Je gaat toch niet spontaan in geesten geloven he?
Ze sloeg het boek open. Het was op een ouderwetse manier gemaakt, met schutbladen die tegen de kaft geplakt waren en het geheel was ingebonden met draad. Binnenin was het volgeplakt met ouderwetse zwart-wit foto’s, van elkaar gescheiden door doorzichtige vellen die een beetje op perkament leken.
Het jongetje was blond geweest, met verrassend donkere ogen en een ernstige blik. Hij stond op veel foto’s afgebeeld, samen met zijn ouders en soms alleen. Vincent. Wat was er met hem gebeurd? Hij leek een jaar of zeven, hoewel ze het moeilijk inschatten vond – het kind keek zo ernstig, en de kleding was zo anders dan wat leeftijdsgenootjes in deze tijd droegen.
Zijn vader en moeder keken net zo bedrukt. Er kon nergens een lachje van af. Naarmate Anna verder bladerde in het boek zag ze dat de moeder zienderogen magerder werd. Foto’s van de vrouw in een ziekenhuisbed, haar zoontje ernaast, de moeder met het gezicht afgewend naar de muur. Vader op een afstandje in de deuropening.
Ze sloeg de volgende bladzijde om en liet het boek bijna van schrik vallen. De laatste twee foto’s schreeuwden haar haast tegemoet.
De eerste foto was van een kist. Een gesloten kist omgeven door bloemkransen en verdrietig kijkende mensen in donkere kleding. Een tafeltje met een foto van de moeder in een donkere lijst. Vincent en zijn vader met hun handen op het deksel. Ze stonden ver uit elkaar, de vader aan de ene kant, het kind aan de andere. Maar dat was niet de foto waar ze het meest van geschrokken was. Het was de foto op de bladzijde er tegenover. De portretfoto van Vincent.
Het was de eerste foto van het kind zo dichtbij. Toen ze het portret vergeleek met de foto in het krantenknipsel zag ze dat het dezelfde foto was. Het portretje in het artikel was zo klein dat je bijna geen details meer zag. In het krant leek het een onschuldige foto, maar van het portret in het boek ging een griezelige sfeer uit die haar het boek bijna deed dichtklappen.
Het was niet de vlekkeloze huid, het gebit met de melktanden die duidelijk aan het wisselen waren, of zijn lichte glanzende haar. Het waren zijn ogen. De donkere ogen met de grote pupillen en lange wimpers die bijna tot aan zijn blonde wenkbrauwen reikten. Ze staarden haar aan met een helderheid alsof hij ieder moment kon knipperen. Verbeeldde ze het zich, of las ze boosheid in die blik, een uitdaging naar iedereen die naar hem keek?
Ik ben er nog. Je kunt me niet voor altijd wegstoppen.
##
Anna deed voorzichtig de balkondeur open, het fotoboek onder haar arm geklemd. Ze stapte over de verhoogde drempel en deed de deur zacht achter zich dicht. Ze voelde zich een indringer, iemand die het domein van een ander was binnengestapt met de gedachte het zich eigen te maken.
Dat was natuurlijk ongelofelijke onzin – althans, dat probeerde ze zichzelf te vertellen. Er was hier niemand en geesten bestonden niet. De voetafdruk in het stof was niets anders dan een vervormde pootafdruk van Milou, die poolshoogte was komen nemen omdat het vrouwtje aan het slaapwandelen was geweest.
Je hebt veel te veel stress gehad in de afgelopen maanden. Dan is het toch niet raar dat je niet goed slaapt en nachtmerries hebt? Echt, Anna, één plus één maakt nog steeds geen drie.
Dat het allemaal te goed in elkaar paste, probeerde ze te negeren.
Ze keek op de klok. Het liep inmiddels tegen elf uur in de ochtend en ze zat hier nog steeds in de kleding die ze gisteren had aangetrokken. Gelukkig was het weekend en had ze geen dienst, al had ze waarschijnlijk de laatste twee uur van haar laatste werkdag wel gemist. Hopelijk zouden ze haar daar niet om ontslaan.
Ze liep met kordate passen door de woonkamer. Klaar met dagdromen nu. Tijd om op te ruimen, zich op te frissen en kijken wat ze aan de stapel post kon doen. Ze haalde de stoffer-en-blik uit het kastje onder het aanrecht om de laag stof op de drempel van de meterkast op te vegen.
De voetafdruk stond er nog net zo duidelijk als een paar uur geleden. Anna knielde erbij neer en bestudeerde het vreemde fenomeen aandachtig. Vijf duidelijk zichtbare tenen, de bal van de voet en een slanke overgang naar wat de afdruk van de hiel moest zijn. Het leek in de verste verte niet op een kattenpoot.
Ze kwam overeind en zette haar eigen voet ernaast, maar ook die kwam niet overeen – haar voet was zeker drie maten groter. Had ze de afdruk met haar gebalde vuist gemaakt dan? Anna knielde weer op de drempel en hield haar hand naast de afdruk in een laatste poging te verklaren wat ze zag.
De plek was zo koud. Als ze haar hand boven de afdruk hield leek het wel of ze die in een open vrieskist had gestopt. Het verschil in temperatuur tussen de lucht om de afdruk heen en de rest van het appartement was schokkend, daar kon je je niet in vergissen. Er kroop opnieuw een golf van kippenvel over Anna’s huid. Of die door de daadwerkelijke temperatuur kwam, of door het vreemde van de situatie kon ze niet zeggen.
Ze stak een vinger uit naar de voetafdruk en prikte er voorzichtig in…
… bloed. Au! Mijn nagels. Wat … wat doe ik? Waarom doen mijn handen zo’n pijn? Anna liet van schrik het voorwerp dat ze in haar linkerhand had gehad vallen. De klauwhamer klapte op de slaapkamervloer en miste haar blote voet maar net. Haar rechterhand zat onder het witte stof, op enkele vingers doorstreept met het bloed dat onder haar gebroken nagels was doorgesijpeld. Recht voor haar was niets anders dan witte muur, gescheurd gips en rode baksteen. En een gat. Het begon in de hoek, waar de ene muur samenkwam met een ander. Het gat was net zo groot als haar vuist en ze had duidelijk haar blote handen gebruikt om stukken steen en pleisterwerk te verwijderen. Ze zat in de hoek van haar slaapkamer.
Ze was licht in haar hoofd, alsof ze te veel van de apfelkorn die in het keukenkastje stond had gedronken. Haar tong voelde dik en droog in haar mond, en haar maag knorde – hoe lang had ze hier gezeten? Hoe lang had ze al niets gegeten en gedronken? Ze moest verschrikkelijk plassen.
Milou draalde vragend om haar voeten terwijl ze zich opfriste. Het etensbakje van de kat was ook leeg. Anna gaf haar snel te eten, ondertussen pogingen doend zich te herinneren wat er was gebeurd. In de keuken probeerde ze onder de kraan de stukjes gips onder haar nagels vandaan te peuteren. Het display op de magnetron gaf tien uur in de avond aan – ze was een volledige dag kwijtgeraakt.
Was ze bang? Anna wist het niet. Het leek wel alsof er een deken over haar was neergedaald die alle gevoelens dempte. Ze was vooral geïnteresseerd in het gat. Er had geen daglicht doorheen geschenen, wat eigenlijk niet kon: het was een buitenmuur. Sowieso leek het haar onmogelijk om met een hamer een gat in een buitenmuur te kunnen slaan – zouden die niet veel steviger moeten zijn?
Het moest een dubbele muur zijn. Dat had ze al gedacht, toen ze de krassen en het bobbelige steenwerk had gevoeld. Maar waarom? En wie had het ding geplaatst?
Maar eigenlijk dacht ze dat ze wel wist waarom. Vincent. De kleine jongen die verdween. Ze rilde. Had zijn moeder hem iets aangedaan? Maar nee … dat kon niet. Ze herinnerde zich de foto van de kist. Het jongetje had daarop gestaan. Zijn vader dan?
Zat er een moordslachtoffer in een verborgen ruimte recht achter haar bed? Iets dat haar onderbewustzijn had opgepikt, zodat de waarheid aan het licht kon komen? Ze weigerde nog steeds te geloven dat het een of andere geest was die door het huis waarde. Ze moest zich die voetafdruk verbeeld hebben. Dat kon niet anders, toch?
Het feit dat ze blijkbaar een volledige dag had besteed aan het openbreken van de muur zweefde ergens als een vreselijke wetenschap in haar geest, als een opgelaten ballon die steeds verder buiten bereik raakte. De drang om de muur verder open te breken overtrof al het andere.
Stond ze op het punt om een jarenlange verdwijning op te lossen? Om een vermoord kind eindelijk recht te doen? Moest ze de politie bellen?
Nee … nee, dit moet je zelf doen. Deze bevrijding valt jou toe.
Dat de stem niet helemaal van haarzelf was, duwde ze weg. Dat deed er niet toe.
##
De geur die uit het gat kwam zetten was afschuwelijk. Het rook alsof er een verrot stuk vlees lag. Organisch, nattig. Muf, met een ondertoon van ijzer en bloed. Anna kokhalsde. Hoe kon dit? Als het lichaampje van Vincent achter de muur verborgen zat, dan moest dat jaren geleden zijn gebeurd. De geur zou niet zo heftig moeten zijn, toch? Ze deinsde achteruit, bang voor wat ze zou kunnen vinden.
Het gat was inmiddels zo groot dat ze er met wat moeite zijdelings door zou kunnen stappen. De afstand tot de buitenmuur was ongeveer een meter en Anna verbaasde zich er over dat het nooit iemand opgevallen was dat er zo’n stuk van de kamer afgesnoept was. Maar het was natuurlijk een blinde muur zonder raam en als je zo de kamer in keek viel het gebrek aan diepte waarschijnlijk niet zo op. Ze had ook geen idee wie hier gewoond had voordat zij erin getrokken was. Was het Vincents vader geweest? De rillingen liepen over haar rug bij de gedachte. In een flat blijven wonen waar je vrouw gestorven is – suïcide misschien zelfs wel, en waar je zoon verdwenen is – zou je daar dan blijven wonen? Maar misschien had hij niet anders gekund. En het kind … wat als het inderdaad achter de muur zat? Dan kon het toch niet anders dan dat de vader betrokken was?
Als het klopte wat ze dacht … maar dat zou ze pas zeker weten als ze de moed verzameld had om met de zaklamp die ze naast zich had liggen in de duisternis achter het gat te schijnen.
Ze slikte. Het was stil in de flat. Had iemand haar werkzaamheden gehoord? Ze woonde er natuurlijk pas en haar buren wisten dat. Het zou niet raar zijn als er gehamer vanuit haar flat klonk. Het tijdstip was wel onredelijk, maar gezien de opmerkingen van mevrouw Meulenkamp hielden de bewoners van het complex sowieso niet zoveel rekening met elkaar, dus Anna ging er niet van uit dat deze herrie als opmerkelijk zou worden gezien. Irritant, dat wel, maar niets om je over te verbazen. Misschien zou de huismeester morgen voor haar deur staan om haar een waarschuwing te geven.
Milou gaf haar uit het niets een kopje tegen haar been en Anna schrok zich een ongeluk. De kat snuffelde aan de rand gebroken bakstenen aan de onderkant van het gat en dook in elkaar, het bekje open, roze tong naar buiten, alsof ze de lucht probeerde te proeven. Anna raapte haar moed bij elkaar, knipte de zaklamp aan en stapte zijdelings door de opening.
Een walm verrottingslucht sloeg haar tegemoet en liet haar ogen tranen. Ze reikte naar de overkant van de benauwende smalle ruimte om zichzelf wat steun te geven en liet de lichtbundel van de zaklamp vanaf de vloer omhoog schijnen.
Daar. Iets wat op kleding leek en een opgezwollen hand. Botten die in het zaklamplicht bleek en beschuldigend opgloeiden. Verwarde matte haren, maar niet blond. Kastanjebruin, en lang. De geur … die was verschrikkelijk. Anna sloeg een hand voor haar mond in een poging om niet over te geven. Ze zette een stapje naar voren, niet begrijpend wat ze zag. Was dat het lichaam van Vincent? Het beeld leek niet te kloppen. Het lichaam was te groot voor een kind. Waren het meerdere lichamen?
Ze stapte nog iets dichterbij. Een koude windvlaag deed haar haren naar voren wapperen, speelde om haar lichaam heen en liet kippenvel opkomen waar deze haar blote huid raakte. Achter haar vloog Milou achterwaarts door de slaapkamer, alsof een onzichtbare voet de kat een trap had gegeven. Het beestje raakte de tegenoverliggende muur en bleef er versuft liggen, de pootjes slap.
Anna wilde zich omdraaien, bij de kat gaan kijken, maar ze kreeg er de kans niet toe. Een onzichtbare kracht gaf haar een zet in de onderrug. Ze kon de ijskoude straling die ervan uitging door haar kleding heen voelen. Ze zeilde door de smalle ruimte, de handen uitgestrekt in een poging om haar val te breken, de zaklamp in haar bewegingen loslatend. Het licht danste in waanzinnige patronen over de muren en ze ging zwaar neer, landend in een stinkende vochtige hoop die uit lillend vlees, verrotte kleding en taaie botten leek te bestaan. Een kleine schedel rolde weg in het flitsende licht van de rondtollende zaklamp die inmiddels op de grond neergekomen was.
Anna gilde. Het klonk omfloerst en gedempt, alsof de lucht om haar heen een dikke zwarte gelei was waar maar weinig geluid uit kon ontsnappen. Ze zette zich af van de vloer in een poging weg te komen uit de organische drek en trok daarmee een kledingstuk mee dat een gezicht had bedekt. Een vrouw. Een vrouw met lang kastanjebruin haar. Het waren twee lichamen. Of drie. Of misschien wel meer?
Achter haar klonk een zacht gelach. Een kinderstem. Voor zich zag ze de boog van een kleine ribbenkast, een ouderwets stalen autootje. Flarden van gebreide kinderkleding. Een moderne volwassen spijkerbroek. Sneakers, maar ook een herenschoen. En de geur … de geur benam haar de adem. Ze kokhalsde, maar gaf alleen water en gal over – ze had al bijna anderhalve dag niets gegeten.
Het hikkende gegrinnik achter haar deed haar verstijven. Ze durfde niet om te kijken. Het gevoel van een koude vinger langs haar wang maakte dat ze haar ogen stijf dichtkneep.
Hallo Anna. Dank je wel dat je me hebt bevrijd. Je bent niet de eerste en ook niet de laatste … en ik heb zo’n honger …
Anna’s bewustzijn flakkerde. Ze probeerde overeind te komen uit de wirwar van lichamen op de vloer maar haar bewegingen vertraagden, haar energie nam af. Het werd steeds donkerder voor haar ogen naarmate de afschuwelijke aanwezigheid van het kind zich verder aan haar vastklampte. En zich voedde.
##
De makelaar keek het keurig opgeruimde appartement rond en Erik Meulenkamp, die jaren geleden zelf halsoverkop uit deze woning vertrokken was toen het getik op de muren en het getrek aan zijn geest hem bijna zijn eigen leven kostte, keek tevreden toe. Hij had even tevoren de zak cement onder in de meterkast geschoven, evenals de emmer pleisterkalk. Zijn moeder had de kat naar het asiel gebracht.
De ramen in de flat stonden nog open om ervoor te zorgen dat de lucht weer fris was. Het geurtje dat was overgebleven was niet heel aangenaam, maar hij wist uit ervaring dat dat snel zou vervliegen. Hij had wel gezien dat de man die de woning nu inspecteerde een vies gezicht had getrokken bij het betreden van het pand.
Erik vloekte binnensmonds. Wat was hij er klaar mee. Hij wilde het complex zo graag achter zich laten – maar de enige poging die zijn ouders en hij in het verleden hadden gewaagd, hadden erin geresulteerd dat zijn moeder tijdelijk haar verstand verloren had en dat zijn vader nu dood was. Een herhaling van zetten, als het ware. Ze hadden het niet nog een keer aangedurfd. In stilte vervloekte hij zijn vader. En zijn halfbroertje.
Oh wat wou ik dat mijn moeder een andere man getrouwd was. Een man zonder familiegeheim, zonder vloek die hij in wanhoop achter een muur gemetseld had.
Hij zag dat de makelaar nog een keer snoof. ‘Het stinkt, hè?’ merkte hij op. De man draaide zich naar hem om en knikte.
‘Inderdaad. Wat is het, denk je?’
Erik haalde zijn schouders op. ‘De vorige bewoonster had een aantal vuilniszakken laten staan. Ze had een kat en we denken dat er kattenvoer of zoiets in heeft gezeten. We hebben ze meteen af laten voeren, maar de geur hangt er nog een beetje. Vandaar dat alle ramen open staan. Trekt wel weg.’
De makelaar schudde zijn hoofd. ‘Soms kunnen mensen zo’n bende achterlaten als ze besluiten te vertrekken. Ik snap dat nooit. Het is toch je huis?’
‘Sja,’ zei Erik. ‘Wat zal ik er eens van zeggen. We hebben hier al van alles in gehad. De laatste twee keer waren het jonge meiden. We hoopten dat dat beter zou gaan met alleenstaande vrouwen, maar deze laatste is wel heel snel vertrokken. Mijn moeder zei dat ze wel aardig leek toen ze vorige week met elkaar kennismaakten. Maar … nou ja, schijn bedriegt blijkbaar.’
Deze huurster was wel heel snel bezweken. Dat hadden ze nog nooit meegemaakt. Misschien dat een jonge man het de volgende keer toch langer uit zou houden. Minder empathisch? Hij rilde en probeerde zijn onrust te verbergen voor de makelaar. Hij hoopte dat de inspectie snel klaar zou zijn, want hij wilde geen ogenblik langer dan nodig in deze flat verblijven. Hij spoorde de makelaar in gedachten aan om voort te maken.
Kom op, we zijn wel klaar hier. Er moet zo snel mogelijk een nieuwe huurder in, voordat het kreng mij weer te pakken krijgt …
Het boek had zich weer gemanifesteerd, had hij gezien, ondanks het feit dat ze het ding al zeker vijf keer verbrand hadden. Dit keer had hij het meegegeven met de vuilstort, maar het zou ongetwijfeld weer op dezelfde plek terugkeren.
‘Erik, schiet je op? De taxi staat te wachten.’
De brommerige stem van zijn moeder haalde hem uit zijn gedachten. Dat was maar goed ook, want hij stond inmiddels in de slaapkamer, waar hij ongemerkt naar toe gelopen was. Hij was de muur heel dicht genaderd. Zijn keel was gortdroog en hij slikte nerveus. Tot de nieuwe huurder er was moesten hij en zijn moeder maken dat ze uit het complex kwamen. Hij dwong zichzelf om te keren en terug te lopen naar de woonkamer, naar zijn moeder.
De makelaar draaide zich naar hen om. ‘Het ziet er verder prima uit, ik zal een fotograaf langs sturen. Dit verhuren we binnen een dag hoor, let maar op.’
Erik knikte opgelucht en drukte de man de hand. ‘Bel me maar,’ zei hij, terwijl ze gedrieën de flat uit liepen. ‘Mijn moeder en ik zijn een paar dagen weg.’
