![]()
De piccolo
Tais Teng
Abeltje Abelszoon, de 376ste met die naam, werkte als piccolo in het Emporium Universalis. Hij bediende een glazen lift die van de Koopjeskelder tot de Ragnarok Wapenwinkel, met zijn vlammende zwaarden en bezielde shurikens, steeg en daalde.
Het besturingspaneel bevatte een kleine tienduizend knoppen die als minuscule sterren fonkelden. Enkel Abeltje kon een bezoeker naar de juiste verdieping voeren, uiteraard na betaling met een van zijn betere herinneringen. Een zinderende zonsondergang boven een langszeilende ijsberg of de eerste kus van de ongenaakbaar gedachte zus van je beste vriend, waren de enige munt waarmee je in het Emporium Universalis kon betalen.
De verkoopsters en handelaren haalden hun neus op voor gouden Krugerrands of parelsnoeren: op de Alchemistische verdieping konden die immers moeiteloos uit een retort gevist worden?
Een man met een bolhoed en een kamgaren kostuum stapte in. Hij moest ergens uit de twintiger jaren van de vorige eeuw stammen, schatte Abeltje. Waarschijnlijk de belle époque aan de zijden pochet in zijn borstzakje te zien. Het anachronisme verbaasde hem niet: het Emporium had glazen draaideuren die op letterlijk iedere tijd en plaats uitkwamen.
‘En waarheen voert uw verlangen u?’ vroeg Abeltje op de voorgeschreven wijze.
‘Tja, jongen, mijn oom stierf en vermeldde mij niet in zijn testament. Hij liet alles, zelfs zijn drie Mercedessen, na aan de Vereniging ter Bevordering van de Orchideeënkweek.’ De man zuchtte en Abeltje zag een traan over zijn wangen biggelen. ‘En ik geloofde nog wel dat ik zijn lievelingsneef was! Urenlang luisterde ik naar zijn gezwets over expedities door de diepste jungles die hij beslist nooit gemaakt had. Ik bewonderde zijn speelgoedtreintjes en hielp hem Alpen van papier-maché te maken …’ De man spreidde zijn handen. ‘En dan dit als dank? Nog geen houten stuiver.’
‘Wat u nodig hebt,’ constateerde Abeltje, ‘is een wat redelijker testament. Eentje waar u krijgt wat u verdient. Goed. Ik breng u naar de afdeling Schrijvenaars, op de 859ste verdieping.’ Hij stak een vinger op. ‘Uw naam is Ephraim Epstein als ik wel heb?’
‘Dat klopt. Zij kunnen dit soort zaken regelen?’
‘Beslist. U heeft al een herinnering in gedachten als mijn betaling? Hoe krachtiger, hoe beter.’
‘Ik zal eens zien.’ De man kneep zijn ogen dicht en de fronsen toonde hoe sterk hij zich concentreerde. ‘Ja, dit is er eentje die ik zeker niet zal missen.’ De glimlach die om zijn lippen speelde, was op zijn minst eigenaardig te noemen.
Abeltje tikte het voorhoofd van de man aan en de herinnering smakte zijn hoofd in. De oom lag op de vloer te spartelen met een paars aangelopen gezicht. Om zijn keel lag een authentiek Thuggee wurgkoord gedrapeerd, dat vakkundig werd dichtgesnoerd door de neef.
Zodra de oom zijn laatste benauwde rochel had geslaakt, sleepte de neef hem naar het balkon waar een rij orchideeën in porseleinen potten stond uitgestald. De perfide neef sloot de verstijvende vingers van zijn oom om een gieter. Een krachtige duw en zijn slachtoffer stortte met het hoofd omlaag over reling, een half dozijn orchideeën in zijn val meesleurend.
De neef boog zich over de reling. ‘De oude dwaas struikelde dus toen hij zijn lievelingetjes bewaterde.’ mompelde hij. ‘En kijk toch eens, zijn bolle kop spatte uiteen als een overrijpe meloen. Een knappe lijkschouwer die dan nog aan verwurging denkt.’
‘Dat voldoet,’ sprak Abeltje en de lift versnelde zich tot de verdiepingen kleurige flitsen werden. De waterval die uit de Bron van de Eeuwige Jeugd ontsprong, was niet meer dan een blauwe streep, de Afdeling Smuk & Snuisterij een veelkleurige schittering.
‘U heeft uw oom dus vermoord,’ zei Abeltje, ‘omdat u niet langer op de erfenis wilde wachten.’
De man staarde hem aan. ‘Waar heb je het over? Het was een treurig ongeluk!’
Hij klonk oprecht geschokt. Och, natuurlijk. Hij gaf mij de herinnering aan die moord. Hij weet er echt niets meer van.
De lift remde af en de verdiepingen gleden nu trager langs.
Een bescheiden belletje en de glazen deuren schoven open. De geur van perkament en bittere inktvisgal wolkte de cabine in. Achter hun lessenaars en printers zaten de schrijvers, hun ganzenveer of dubbelknokige typvingers in aanslag.
‘U bent er, meneer. Veel succes.’
Onderweg naar de volgende klant gaf Abeltje de herinnering een ereplaatsje. Zo prachtig helder! Zinderend van hebzucht en haat. Het paste prima bij de wellust van die dame vanochtend, die haar man met zijn beste vriend bedroog.
De trolse ober
Roelof Goudriaan
‘De maaltijd van uw leven, een die al uw kijkers zich tot het einde der dagen zullen herinneren,’ somde de piccolo op. ‘Is dat uw wens?’
‘Pardoes in de roos, jochie,’ teemde Lapin de Smulpaap, de befaamde culinaire influencer met negen miljoen TikTok volgers.
‘Dan kan ik u enkel Eetsalon Walhalla aanraden.’
De tafels van het befaamde etablissement strekten zich even later voor Lapins blik uit, over de hele honderdveertigste verdieping. Onder de ronde bogen van de entree stond een lange rij mensen geduldig te wachten, zich verheugend op de gastronomisch hoogstandjes. Eetsalon Walhalla had geen menukaart, wist Lapin uiteraard: de koks maakten elk gerecht waar de gasten om vroegen, hoe exotisch of mythisch de ingrediënten en hoe veeleisend de bereidingen ook waren.
Een jong bruidspaar rende de eetsalon uit, tierend en krijsend. ‘Geef me mijn baby terug!’ jammerde de vrouw.
De wachtenden negeerden deze beschamende vertoning uiteraard: mensen wiens verbeelding zó tekortschoot dat ze in dit restaurant niet konden genieten, verdienden het niet hier te dineren.
Vooraan de rij onderhield een imposante, gehelmde maître d’ zich met een groep gasten, raadpleegde het reserveringenboek en dirigeerde de groep met zijn hamer verder, waar charmante walkure-gastvrouwen de gasten naar hun juiste tafel begeleidden.
Fijnproevers zaten op hoge ijzeren tronen, aangeschoven aan de bleekwitte tafels van Yggdrasilhout, die altijd net groot genoeg waren om het gezelschap aan tafel comfortabel met elkaar te laten spreken tijdens hun maaltijd. In smoking geklede trollen snelden af en aan met hun dienbladen, met de meest innemende glimlach die je van trollen kon verwachten. Aan een tafel rechts hadden drie sumoworstelaars een stapel gigantische mammoetbiefstukken voor zich staan; links naast hen zweefden met feeënpoeder besprenkelde bollen van kometen-schaafijs in de dessertcoupes van twee gepensioneerde astronauten. Even verder stak een in grijs rokpak geklede regeringsleidster bedachtzaam een vork in een soufflé van dodo-eieren terwijl haar tafelgenoot kloof aan een geflambeerde drakenteen.
‘Welk culinair verlangen van meneer mogen wij vandaag serveren?’ vroeg de ober beleefd aan Lapin, die hij zojuist aan tafel had bijgeschoven. De hoge ijzeren troon bracht het gezicht van Lapin de Smulpaap op gelijke hoogte met de onderste rij slagtanden van de ober. Maar de influencer negeerde de ober straal. Hij sprak in de lens van zijn smartphone, ‘Hey fans, leer van mij de eerste les om goed te eten in eetsalon Walhalla: maak vooraf een bindende afspraak met welke herinnering je betaalt voor je maal! De trollenobers staan bekend om hun ongein, en ze laten je anders graag betalen met elke herinnering aan de smaak en geur van het maal dat je net hebt gehad. Maar deze jongen foppen ze niet!’ Hij stak een vinger op. ‘Zo betaalde ik mijn maaltijd met mijn meest walgelijke herinnering. Plakken rauwe cobra in gegiste geitenmelk, het geheel afgemaakt met geschaafde bitterwortel.’ Nu wendde hij zich eindelijk naar de ober. ‘Je bent rechtshandig, zie ik,’ Hij grijnsde samenzweerderig in de lens. ‘Ik wil de vingers van jouw rechterhand eten, gestoofd in je eigen buikvet.’
De ogen van de trol verwijdden zich even, en zijn mondhoeken zakten bijna onmerkbaar in. Maar hij herstelde zich, en zei op neutrale toon: ‘uiteraard, als dat de wens van meneer is.’ Hij draaide zich om, terwijl de influencer verder riffte tegen zijn volgers.
Een half uur later kwam de trol terug, een verbonden serie stompjes waar de vingers van zijn rechterhand hadden gezeten. ‘Wil meneer het verband om mijn buik zien waar het buikvet is weggesneden?’ vroeg hij. Een tweede in smoking geklede trol liep achter hem met een zilveren dienschotel waar vier dampende trollenvingers lagen.
‘Natuurlijk!’ sneerde Lapin en filmde hoe de trol eenhandig het hemd van zijn smoking losknoopte en hem het bebloed verband om zijn buik liet zien.
‘En nu eindelijk: de maaltijd!’ De influencer zette zijn smartphone op een driehoeksstatief, en zijn volgers zagen hem de eerste trollenvinger afkluiven. ‘Malser dan de beste varkenswangetjes,’ riep hij met volle mond de camera toe. Dan draaiden zijn ogen omhoog, en zijn hoofd smakte voorover in de dienschotel.
Zijn lichaam begon langzaam van de troon naar beneden te glijden. Het laatste wat zijn volgers van hem zagen was de vettige smeer, die zijn gezicht naar de rand van het tafellaken achterliet.
De trol bukte zich en glimlachte in de camera. ‘De tweede les om goed te eten in eetsalon Walhalla,’ sprak hij, ‘is dat al het gif wat een trol ooit eet, zich ophoopt in zijn buikvet.’
De schrijvenaar met de bavianenkop
Tais Teng
Achter Ephraim Epstein sloten de glazen deuren van de lift zich met een klik, die op de een of andere manier erg definitief klonk. Ze gaan pas weer open als ik hier mijn zaken heb afgehandeld en geen seconde eerder.
Hij haalde zijn schouders op en liep de verdieping van de Schrijvenaars binnen. Voor hem stonden de alfabetisch onderlegden achter hun lessenaars van fossiele sigillariastengels en gelakt palissanderhout. Het krassen van pennen op zesvoudig afgeschraapt perkament vulde de ruimte die tegelijk claustrofobisch klein en gruwelijk wijd was. Stiften krasten over leitjes van leisteen, terwijl alom het geknisper van omgeslagen bladzijden ruiste.
Op de stoffige vloer van dof geschuurd parket verfde een onzichtbaar penseel een pijl en Ephraim besloot dat hij die beter kon volgen. Verscheidene malen moest hij stilstaan terwijl er een nieuwe pijl getrokken werd.
De route zigzagde tussen honderden meters hoge kasten met schriftrollen, langs glazen tanks vol inkt waarin vage vormen rondzwommen. Ephraim vermoedde dat hij zich gelukkig mocht prijzen dat die vormen vaag bleven: zelfs een glimp was waarschijnlijk genoeg om een nest nachtmerries in zijn dromen te planten.
De pijl stopte voor een schrijvenaar die zich in hurkzit op een rieten mat had geïnstalleerd. Zijn notenbruine lijf had de kop van een baviaan en een lendendoek was zijn enige kledingstuk. Elk van zijn vingernagels was tot een pen geslepen, zag Ephraim.
‘Mijn naam is Sehed Fadhar,’ verklaarde het wezen. ‘Hoewel ongelovigen mij ook wel Thot noemen.’ Het oogwit van het gedrocht zag rood van de gesprongen adertjes, ongetwijfeld door het eeuw in, eeuw uit staren naar vervaalde eigendomsbewijzen en bezwaarschriften.
Dit was vast een god en het leek Ephraim wel zo verstandig om te buigen.
‘Ik heb een verzoek, majesteit.’ Hopelijk is majesteit de juiste manier om een goddelijk wezen aan te spreken.
‘U bent een telg die niet genoemd werd in het testament van uw eens puissant rijke oom en u wil dat rechtzetten.’
Het was duidelijk een statement, geen vraag.
‘Ik hoef niet al zijn miljoenen te erven. De helft is meer dan genoeg.’
‘Bescheidenheid past een oprechte oplichter niet,’ verklaarde de god, ‘en ik heb een hekel aan priegelwerk. Laten we het de hele erfenis maken, ieder shekel en tetradrachme.’ Hij schudde een vel perkament uit een ivoren koker, rolde het uit. ‘Dit is de huid van een mastodont, uit een tijdperk dat de mensen nog niet geleerd hadden te liegen.’ Hij doopte een schrijfnagel in een kom met een zilveren vloeistof. ‘En ik schrijf de tekst met het bloed van een engel. Samen met dat speciale perkament zal niemand aan de authenticiteit van je ooms geamendeerde testament kunnen twijfelen. Het mooie van engelenbloed is bovendien dat het tijdloos is. Zodra ik dit stuk uitgeschreven heb, zal het altijd zo geweest zijn. Je zult je de voorlezing van het testament herinneren bij notaris Garbenhout en dat jij de enige erfgenaam bent.’
Ephraim hoorde de god mompelen terwijl de nagel over het perkament gleed. Ieder woord fonkelde alsof het uit minuscule diamantjes gemaakt was.
‘En als enige erfgenaam van al mijn baten en lasten benoem ik Ephraim Epstein.’ Met een zwierige draai van zijn pols zette de god ooms handtekening neer. ‘Ziedaar. Je erfenis, die je nu twee dagen eerder al ontvangen hebt.’ De bavianenkop grijnsde. ‘En nu mijn honorarium. Aangezien we daar niets over afgesproken hebben, kan ik nemen wat ik wil.’
Shit! Hij heeft gelijk. Wat gaat hij inpikken? Mijn mannelijkheid, mijn smaak en reuk zodat een hap kaviaar niet beter dan korrelige smeerolie smaakt en een gerookte forel als een hap klei?
‘Vrees niet. Wat zou ik met zoiets moeten aanvangen? Het gaat om een eenvoudige herinnering. De eerst keer dat je zelf een zin uit het MOOISTE VISJE VAN DE ZEE kon oplezen. ‘Ik ben de zieligste vis van de hele zee, ik word door niemand meer bewonderd’, klaagde hij tegen de zeester, was het toch?’
Ephraim kon het ineens kristalhelder voor zich zien, dat triomfantelijke moment dat die wriggels op papier klanken werden die regelrecht van zijn eigen lippen rolden. Het beeld verloor tergend langzaam al zijn kleur en verdampte toen definitief.
‘Het heeft natuurlijk als gevolg dat je nooit goed hebt leren lezen,’ zei de god. ‘Maar och, een miljonair kan zat secretaresses inhuren die het voor hem uittypen.’ Hij rolde het testament op, dat nu echter dan echt was en onbeschrijflijk rechtsgeldig, en reikte het zijn klant aan.
Zodra zijn vingers het perkament raakte, verschoof er iets in Ephraims gezichtsveld. De talloze uithangborden en neonreclames werden ineens totaal abstract, volkomen betekenisloos. Het bord boven de volgende lessenaar ‘Demesmaeker voor al uw contracten,’ was even onleesbaar geworden als een bak vol kronkelende regenwormen. Zelfs het bordje met UITGANG had net zo goed in Sanskriet geschreven kunnen zijn.
De lift verscheen zodra hij op de pijl naar beneden drukte.
‘Tevreden?’ vroeg de piccolo. ‘Er was toch iets met een testament?’
‘Dat klopt. Ik weet niet precies meer wat er mis mee was, maar dat is nu geregeld. Ik ben nu de enige erfgenaam van oom Basil, van alle drie zijn Mercedessen. Al is dat natuurlijk nog het minste van zijn bezittingen. Toch is dat op de een of andere manier heel bevredigend.’
Buiten hing de zon al laag boven de bomen van het Marjellapark en kleurde hun bladeren een rijk goud. Op de Tweede Keizerslei tinkelde een tram en dat belletje klonk beslist zilverachtig.
Ineens leek Ephraim dat volkomen juist: hij was nu een miljonair, zo geen miljardair en die hoorde in een gouden wereld thuis.
Zijn telefoon ging over met zowel een rinkel als nijdige zoem en hij viste hem uit de binnenzak van zijn colbert. De naam op het scherm zei hem uiteraard niets en misschien was het niet eens een naam. Het logo kwam hem wel weer bekend voor: een van de betere banken.
‘Ja?’ zei hij.
‘Ik spreek toch met de heer Ephraim Epstein?’
‘Dat klopt, ja.’
‘Ik probeer u al twee dagen te bereiken. Het gaat om de rekeningen van uw oom waar u nu het beheer over heeft. Gecondoleerd trouwens. Uw oom was altijd een gewaardeerde klant, die zijn zaken goed op orde had en daarom verbaasde het ons …’
‘Wacht! Wat is er met zijn rekeningen?’
‘Wij zouden graag hebben dat u die aanzuivert. De rekening-courant staat zesduizend in de min en bij de kapitaalrekening gaat het om bijna een ton.’
‘Maar de beleggingen?’
‘Uw oom gaf ons opdracht die te gelde te maken. Ik geloof dat het om de aankoop van een cruiseschip ging. Ja, de Princess of Malta. Het schip dat vorige week bij Malediven zonk.’
Ephraim voelde hoe zijn schouders omlaagzakten en de telefoon bijna uit zijn handen gleed. Platzak. Ik heb de erfenis aanvaard en daarmee ook al zijn schulden. Ik vroeg mij al af waarom geen van de andere familieleden protesteerde.
‘Meneer Epstein? Als u een momentje hebt?’
Uit zijn tijd als croupier in het Hildegard Casino herkende hij het accent. Russisch. Nee, Tsjetsjeens, wat een stuk alarmerender was.
‘U bent de erfgenaam van oligarch Epstein toch? Wij voegen ons af waar de derde aflossing van de lening bleef. Maar als erfgenaam kunt u dat natuurlijk meteen regelen.’ Hij grijnsde en de grijns ontblootte een rij gouden tanden. De muil van een haai had er niet gevaarlijker uit kunnen zien en vriendelijke lieden hebben zelden zo’n ontsierende bobbel onder hun linker oksel.
‘Ik heb mijn bank net aan de lijn,’ zei hij en hield zijn iPhone omhoog. ‘Ik ga dat zo snel mogelijk regelen. Morgen hebben jullie het.’
‘Dat is fijn om te horen. Een plezierige avond verder.’
Ephraim keek hem na, een kerel die bijna even breed als lang was en een slangentatoeage om zijn nek had kronkelen.
Ephraim begon terug te lopen, een tred die al snel een sprint werd.
Als ik geluk heb, kom ik nog net binnen. Het Emporium sluit pas over drie kwartier. Tijd zat. Ja, als je een testament een keer kunt vervalsen, lukt dat vast ook een tweede keer. De hele erfenis gaat naar nicht Rugula. Of naar een asiel voor zielige katten en afgeleefde paarden.
De ooievaar van de tweede kans
Roelof Goudriaan
Abeltje keek bezorgd naar het stel dat minder dan een uur geleden bij eetsalon Walhalla uit zijn lift was gestapt, verliefd en suikerzoet, hij onberispelijk in zijn smoking, zij stralend in haar bruidsjapon. Een ietwat late trouwerij, dat wel, want ze hadden hun baby in een mandje bij zich gedragen.
Nu waren hun kleren besmeurd en gescheurd en waren zij in alle staten. De man probeerde vruchteloos de roffelende vuisten van zijn huilende vrouw af te weren. ‘Toen die ober zei dat ons kleine Kareltje om op te eten was, moest jij het zo nodig met hem eens zijn, stomme bruut!’ krijste ze. ‘Dus gristen ze hem weg, als ons hoofd – hoofd -’ die laatste snik brak haar stem, ‘hoofdgerecht.’
‘Jij ook altijd met je obsessies wiens schuld het is, Tina!’ riep de man. ‘We zijn in het Emporium Universalis. Als ergens een oplossing te vinden is, is het hier!’
De piccolo schraapte zijn keel, en het echtpaar draaide zich als één om en keek hem met wijd open ogen aan.
‘Er zijn inderdaad enkele afdelingen die u wellicht kunnen assisteren met uw, eh, onfortuinlijke situatie,’ suggereerde Abeltje. ‘Misschien, eh, …’
‘Een tijdmachine?’ De man was op Abeltje toegesneld en keek de tiener uit de hoogte aan.
‘Dat is helaas onmogelijk, meneer. Het gebruik van tijdmachines en equivalente magie is voorbehouden aan gecertificeerd personeel. Tijdreizen heeft te veel ongewenste bijwerkingen. We willen niet nóg eens een dinosaurusplaag in het Emporium.’
‘Wat zou je dan aanbevelen, lieve jongen? Houd ons niet langer in spanning!’ smeekte de vrouw.
‘Waarheen voert uw verlangen u?’ begon Abeltje het ritueel. ‘Misschien naar onze kinderafdeling? De ooievaar die daar nestelt, is een specialist in het geven van tweede kansen.’
Het tweetal veerde op bij die nieuwe hoop.
‘Er is nog wel de kwestie van betaling,’ zei Abeltje. ‘De gebruikelijke betaling om u naar de ooievaar te brengen is de herinnering aan jullie eerste liefdesnacht.’ Dat was een enorme leugen, en hij verwachtte een donderpreek over zich heen te krijgen hoe jongetjes niets te maken hadden met dát soort herinneringen, maar de man was te ongeduldig om zich daar zorgen over te maken en zei: ‘Ga je gang, jong. Neem de mijne maar!’ Met een snerende blik naar zijn vrouw riep hij. ‘Neem alles maar!’
Alles, dat had niemand ooit aan Abeltje aangeboden. Dat was te veel, dat vroeg om problemen, maar misschien waren er nog wat sappige herinneringen die aan die eerste liefdesnacht vastkleefden … Hij likte begerig over zijn lippen. Zijn vinger raakte het voorhoofd van de man aan, en de eerste herinnering deed zijn lichaam schokken op een manier die hij nog nooit had meegemaakt …
Boudewijn had zijn tirade voortgezet nadat zij uit de lift waren gestapt. ‘Ik ken die magische lui. Kareltje zien we nooit meer terug. Een wisselkind misschien, dat als twee druppels water op hem lijkt, met vlijmscherpe tanden als je even niet naar hem kijkt. En misschien is ie al diep in de puberteit, omdat er in elfenland al jaren verstreken zijn in het uur dat we door dit kraamcarnaval lopen.’
Pas nu, midden tussen de toonbanken vol barbies die ‘magisch meegroeiden met je kind’ en met Schone Slaapster-muziekdozen, viel Boudewijn stil. Hij keek eerder verwezen in het rond dan de argwanende blik die Tina van hem gewend was.
Naast de schappen met zelfreinigende luiers vonden ze een wagenwiel dat bevestigd was boven op een twee meter hoge pilaar. Tussen het stro op het wiel stond een ooievaar op één poot. De sigaar in zijn snavel maakte hem niet bepaald het toonbeeld van een baby-brenger. Tina en Boudewijn stonden wat beteuterd naar de vogel te kijken.
‘Alle zwarte zondagen op een stokje,’ zei de ooievaar, ‘zo’n sliert herinneringen die achter je hangt en in de lift verdwijnt, dat heb ik nog nooit gezien! Niet gezond, maar indrukwekkend hoor!’ Hij blies met zichtbaar genoegen een wolk sigarenrook uit. ‘Maar een tweede kans met Kareltje, is dat wat je wil?’
Tina’s mond viel open. ‘Hoe weet u van Kareltje??’
‘Als ooievaar moet je je kinderen kennen.’ De ooievaar schudde zijn veren los. ‘Een tweede kans, dus?’
‘Maar … we hebben zelf gezien hoe Kareltje werd opgediend. Hij was morsdood.’ Tina’s stem sloeg over.
Boudewijn zei niets. Hij stond er slungelig bij en een dun straaltje kwijl liep uit zijn mond.
‘Ik kan je helpen, Tina,’ zei de ooievaar. Hij vloog naar beneden, een soort hop die hem vlak voor het echtpaar bracht.
Hij haalde een zilveren flesje onder zijn vleugel vandaan.
‘Drink dit,’ zei hij tegen Boudewijn, en goot de inhoud van het flesje in de mond van de lodderig kijkende man.
‘Als betaling, Tina,’ zei de ooievaar, ‘neem ik genoegen met slechts de herinneringen die jij absoluut moet vergeten voor jullie tweede kans.’ Hij stapte achter Tina, bedekte haar ogen met zijn vleugels en bleef zo een paar seconden met zijn vleugels om haar heen geslagen staan.
Zodra de ooievaar zijn vleugels weghaalde, zag Tina een baby op de grond naast haar. De kirrende jongen lachte haar met wijdopen ogen toe vanuit de bundel kleren waarin hij was gewikkeld.
‘Kareltje?’ zei ze, aarzelend.
Ze begon te stralen. ‘Kareltje!’
Ze tilde de kirrende naakte baby op, en liep met hem wiegend in haar armen naar de lift, zonder nog naar de kleren op de grond of de Ooievaar van de Tweede Kans om te kijken.
De sluwe kogel
Tais Teng
‘En waarheen voert uw verlangen u?’ vroeg de piccolo, en Erich Pandau begreep dat hij niet om dat kereltje heen kon. Liegen had geen zin: volgens zijn contact had het Emporium zo’n tienduizend verdiepingen. Onmogelijk om daar je eigen weg in te vinden. Bovendien was de glazen lift de enige verbinding tussen de verdiepingen.
‘Mijn verlangen voert mij naar een wapen,’ bekende Erich dus maar. ‘Eentje dat door geen enkele detector ontdekt kan worden. Hij draagt een kogelvrije smoking en zijn lijfwachten wandelen in een wespenzwerm van drones.’
‘Aha,’ zei de piccolo. ‘U wenst iemand te vermoorden?’
‘Hij is een beest van de Apocalyps! De Antichrist, ook al draagt hij schaapskleren en blaat hij over liefde en respect. Ik bedoel, verkiezingen? Terwijl wij onze grote wijze leider hebben? Dat is toch waanzin?’
‘Hier in het Emporium is de klant koning,’ knikte de piccolo, ‘en wij onthouden ons van meningen. U zult wel gelijk hebben. Ik vermoed dat de Ragnarok Wapenwinkel uw beste optie is.’
‘Waarom treuzelen? Breng mij daarheen.’
‘Terstond. Alleen, met welke herinnering dacht u uw rit te betalen?’
De wapenmarkt strekte zich voor even later voor Erich uit: een waar oerwoud van lansen en mortieren, waarin de patroonbanden als uitnodigende lianen hingen. Slogans knipperden in schitterend neon boven de kramen: ‘The right to buy weapons is the right to be free’. Of: ‘Alleen een slaaf weigert een wapen te dragen’.
Erich knikte: deze lieden begrepen hoe het zat.
Hij wandelde langs een rek met werpmessen van pantzerglas en dat was verleidelijk. Geen spoortje staal en hij kon even goed messen werpen als zo’n circusfiguur met een opgedraaide snor. Dat had hij in de zomerkampen van het Front Tegen Omvolking wel geleerd.
Een moment vroeg hij zich af met welke herinnering hij de piccolo betaald had. Hopelijk had het niets met krijgskunde te maken. Hij tuitte zijn lippen en vrijwel meteen kwamen de negen manieren om een Vijand van de Staat met zijn blote handen te doden, en vervolgens de kalibers van de meest gebruikte handvuurwapens. Alles was er nog.
Een man wenkte hem uit de volgende kraam.
‘Meneer Pandau,’ sprak de verkoper in het camouflagepak met mosterdgele en gifgroene vlekken. ‘Ik zag u naar de bandoliers met werpmessen van mijn collega kijken. Ik vrees dat u toch wat geavanceerders nodig heeft. Wilde stekerij is meer iets voor amokmakers en amateurs en een amateur bent u beslist niet.’
‘Wat denk u hier bijvoorbeeld van?’ De wapenmeester opende een aluminium kistje. Het pistool zag er nogal lomp uit, maar over het metaal lag een iriserende gloed. Dit was geen aards wapen.
‘Zelfs het schot van een getrainde scherpschutter mist uw prooi waarschijnlijk omdat de drones van zijn lijfwachten heel wat sneller dan een kogel zijn. Nee, wat u nodig hebt, is een kogel die zijn tijd afwacht en pas toeslaat als hun aandacht ook maar een moment verslapt.’
‘Aha, dat klinkt plausibel. Een intelligent wapen.’
‘Een intelligente kogel,’ verbeterde de wapenmeester hem. ‘Hij is geduldig genoeg om een velociraptor te verschalken, of een aartsengel met een vlammend zwaard.’
‘Wat mag de prijs van dat wonderwapen wel wezen?’
‘Niets wat een patriot als u zult missen. Of nodig heeft. De keer dat uw teamleider jullie meenam om de weekhartige verrader van alles wat jullie volk groot maakt, te horen spreken.’
‘Nu, dat kan ik missen als een duik in een modderbad. Ik word nog misselijk als ik aan het raaskallen van die idioot denk.’
De wapenmeester raakte Erichs voorhoofd aan en er veranderde niets. Het was ook zo’n onbelangrijke herinnering. Alsof hij geen honderden andere redenen had om die geniepige heuler te haten.
‘Goed. Hier is het wapen. Vertel hem de naam van uw grootste vijand en vuur het dan af. Dat activeert hem en jullie probleem is spoedig opgelost. ‘
’In een bepaalde richting?’
‘Gewoon omhoog. De kogel der wrake vindt zijn eigen weg.’
‘Goed. De naam is Hendrik Sonderland.’
‘Genoteerd,’ sprak het wapen met een stem schril als een nagelvijl over glas. ‘Maar bewijs eerst dat je mij waardig bent.’
Erich draaide zich naar de wapenhandelaar. ‘Waar heeft hij het over?’
‘Hij kan je pas gehoorzamen als je bewezen hebt een waardig strijder te zijn,’ zei de wapenmeester. ‘Hij zal drie uur op je jagen en …’
Het pistool ging spontaan af en een metalen wesp gierde de hemel in, draaide om zijn as en schoot toen op Erich af.
Erichs reflexen waren onberispelijk: hij griste een tweedehands rapier uit een bak en haalde uit. De kogel stuiterde weg, botste tegen een vlaggenmast en kwam toen met een ongehaaste bocht op hem af.
Nee, wat u nodig hebt, had de wapenmeester gezegd, is een kogel die zijn tijd afwacht en pas toeslaat als hun aandacht ook maar een moment verslapt.
Erich snelde over het terrein, het rapier in zijn hand. Hij dook weg achter een ton nitroglycerine die bij de minste schok kon ontploffen, glipte op zijn buik onder hekken van scheermesdraad door. Hij wist de kogel drie keer van zich af te slaan, maar dat onkwetsbare onding bleef hem volgen, wachtend op dat ene moment dat Erichs aandacht verslapte.
Drie uur, een absolute eeuwigheid en het onverdraaglijkste was dat hij zich absoluut niet meer kon herinneren waarom hij Hendrik Sonderland eigenlijk haatte.
Seshat de uilenmummie
Roelof Goudriaan
Iris keek wat gegeneerd naar de kleine piccolo die haar inschattend aankeek, in zijn onberispelijke uniform waarvan elke knoop glansde. Wat had haar bezield om haar blazer outfit te verwisselen voor een tanktop en hotpants? Die waren hooguit voor de gym bedoeld, niet voor een bezoek aan luxewinkels! Ze wreef over de kralen van het groene collier dat ze op de tanktop droeg, en voelde zich wat beter.
‘Waarheen voert uw verlangen u?’ vroeg de piccolo.
‘Ik, eh, ik ben op zoek naar interessante sieraden. Modeaccessoires,’ zei Iris. ‘Speciale. Voor mijn werk.’ Ze zag haar gestalte in de liftspiegel. Een slanke, rijzige vrouw van dertig, met rood haar in de korte page-stijl die Louise Brooks ooit populair had gemaakt.
‘We hebben een onbeperkte keuze in onze Smuk & Snuisterij afdeling op de tweehonderd achtendertigste verdieping, mevrouw.’ Na een hoofdknik van Iris vroeg de piccolo om zijn betaling. Iris was daar al over gewaarschuwd. Ze boog haar hoofd naar beneden. De jongen bloosde en tikte haar voorhoofd aan.
Die diepgroene imitatiejade kwam wel enorm goed tot zijn recht op een zwarte tanktop, vond ze. ‘Dit is geen imitatie, mademoiselle, dit is het enige echte en originele Hutton-Mdivani collier,’ had de antiekhandelaar bezworen toen ze vorige week de Brusselse Marollenwijk had bezocht, ‘gemaakt van de hoogste A-kwaliteit jadeiet en verruild voor een inferieure kopie op de huwelijksnacht van Barbara Hutton door haar kersverse echtgenoot, die het collier gebruikte om de schulden van een gokverslaving te betalen.’
Het verhaal was natuurlijk pure kletspraat en het collier bestond niet uit jade maar uit het veel goedkopere serpentijn. Maar het collier straalde een aura van vitaliteit uit, het soort gevoel waar ze naar zocht als creative director van een modehuis, dat probeerde een even grote naam te worden als Hermès of Chanel.
Het rare was dat ze zich eigenlijk weinig van de aankoop zelf herinnerde. Alleen dat ze het in eerste instantie te duur had gevonden … Maar ze moest afgedongen hebben want buiten ontdekte ze dat ze het collier om haar hals droeg.
En haar intuïtie had haar niet bedrogen. Het collier werkte! Wanneer ze het droeg, glansde de wereld om haar heen. Dus had ze een bestelling voor drieduizend kopieën geplaatst bij haar Griekse relaties.
Maar dat was gisteren: vandaag ging ze op zoek naar nieuwe accessoires om te imiteren, want mode stond nooit stil.
Smuk & Snuisterij bestond uit een wirwar van nauwe kromlopende straatjes, waarvan de huizen elkaar ver boven Iris’ hoofd bijna raakten. Het halfduister leek de in krullend hout uitgevoerde etalages tot leven te brengen. Soms fonkelde er in een etalage iets, rood opgloeiend uit een edelsteen, of een gouden glans weerkaatsend. Die winkels onthield ze, al vroeg ze zich af hoe ze ze zou kunnen terugvinden in dit doolhof.
Ze zag een handvol andere bezoekers, allemaal vrouwen. Haar tanktop en hotpants waren blijkbaar toch geen slechte kledingkeuze geweest voor dit bezoek, want veel van de andere bezoekers droegen outfits die leken op de hare.
Een slanke oude vrouw met een verzorgde grijze vlecht die helemaal tot haar middel reikte, hield halt en glimlachte Iris toe.
‘Ik heb je hier nog niet eerder gezien,’ zei ze. ‘Welkom! Er zijn hier geweldige zaakjes te vinden. Ik ben Lara, een vaste bezoeker. Als je het niet erg vindt om ongevraagd advies te krijgen: let op dit logo.’ Ze wees naar een ronde, rode afbeelding van een gehoornde slang op een etalageruit die Iris met zijn ogen en gevorkte tong leek te volgen. ‘De slangengod Mushussu is recent begonnen met een beveiligingsbedrijf, en hij heeft nog dat vreselijk agressieve dat nieuwkomers hebben.’ De rimpels op het gezicht van de vrouw plooiden zich in geamuseerde kraaienpootjes die haar ogen extra diepte gaven. ‘Over een week of twee hebben we hem wel getemd, maar je kunt tot die tijd zaken met dit logo beter vermijden.’
Twee straten verderop keek een rood en gele papegaai Iris met een schuin kopje aan, en begon te praten. ‘Welkom in het Huis van Seshat. Wij stellen geen vragen. De herkomst is onze zaak niet, maar uw verantwoordelijkheid. Koppiekrauw! Kom binnen!’
Vanuit de ingang zag ze eindeloze rijen uitstalkasten, verlicht in een warme gloed die Iris deed denken aan de ondergaande woestijnzon tijdens die vijfdaagse vakantie in El Quseir. Het slangenlogo waar Lara haar voor had gewaarschuwd was niet te zien. Hier wilde ze haar geluk wel proberen.
Binnen dwaalde ze langs zilveren bokalen die tot het plafond reikten, vitrinekasten met parelkettingen en gifgroene ringen, en in een hoek twee sarcofagen waarvan er éen gevleugeld was. Iris streek haar vingers waarderend over de uitstalkasten.
Vlak bij een levensgrote, in lendendoek en schort geklede marmeren jakhals vond ze uiteindelijk een magere oude man, die met krassende geluiden een papyrusrol beschreef. Boven de witte draaisnor had de grijsaard een knijpbril op zijn neus vastgezet, waar hij met enorme ogen doorheen keek. Hij droeg een zwarte fez en pandjesjas, waaronder Iris windsels zag die de dunne benen van de gestalte bedekten.
Deze man moest Seshat wel zijn.
Iris schraapte haar keel. ‘Meneer Seshat? Ik ben op zoek naar speciale sieraden.’
De uilenbril keek op. ‘Denkt u dat ik een uilskuiken ben? U zoekt niets waarvoor u de correcte prijs wil betalen. U wil me bestelen.’
Hij richtte zich op en hief een geklauwde vinger op. ‘Ik herken uw halsketting, natuurlijk herken ik uw ketting. Die avonturier had er negen bij zich.’ Zijn hoofd schoot naar voren en Iris deinsde achteruit. ‘O, een gladde vogel, die Indiana. Schonk me een gouden veer, overtuigde me om zijn kettingen een uur lang in de sarcofaag van Set te plaatsen, lang genoeg om ze te doordrenken van de transformatie-vloek, méér dan lang genoeg, jongedame! Met Set valt niet te spotten!’
‘Stel je niet aan, zeg!’ zei Iris verontwaardigd, en keerde haar broekzak binnenstebuiten om te bewijzen dat er alleen een zakdoek in zat. Maar er vielen drie turquoise scarabeeën van geglazuurde faience uit, die met een tinkelend geluid op de grond belandden. Ze keek ontzet om zich heen. Hoe kon dit? Hadden die niet in de vitrine achter haar gelegen?
‘De Lara Croft-vloek!’ riep de uilenman, rood aanlopend. ‘Die de drager in een avonturier en schatrover verandert, elke dag een groter gevaar voor eerlijke juweliers zoals ik.’ Hij stampte met zijn omzwachtelde voet.
‘Maar,’ stamelde Iris, ‘ik wil helemaal geen schatrover zijn. Ik ben belangrijk, en heel tevreden met wie ik ben!’
Ze streek over de halsketting. Wie was ze eigenlijk? Iemand die het talent van anderen herkende en dan imiteerde … Was dát het avontuur in haar leven? Serpentijn fonkelde in haar ogen.
‘Deze diefstal zal je laatste zijn, ladelichter!’ Een paar marmeren klauwen grepen Iris’ polsen vast. Iris worstelde om los te komen, maar de marmeren jakhals kneep veel te hard.
‘Leg haar handen maar op de toonbank, jongen,’ grijnsde de uilenmummie en haalde een bijl van onder een toonbank tevoorschijn. ‘Deze gladde vogel zal me nooit meer bestelen!’
De jakhals trok met marmeren onverzettelijkheid Iris aan haar polsen mee naar de toonbank. Ze krijste in doodsangst.
Seshat keek Iris grijnzend aan en kwijlde uit zijn mondhoeken terwijl hij de hakbijl boven zijn hoofd hief.
Iris hoorde hoe alle vensters van de winkel uiteenspatten voor ze zag wat er gebeurde. Vier vrouwen drongen Seshats winkel in. Drie slingerden binnen aan enterhaken door de venstersponningen, en de deur splinterde uiteen toen een jonge blonde vrouw binnen denderde in een gemotoriseerde rolstoel.
Een gespierde ebbenzwarte vrouw sprong via de toonbank op de schouders van Seshat. Zij drukte met een fikse trap de fez van de mummie over zijn hoofd en greep de bijl.
Iris tuimelde op de vloer toen de jakhals haar losliet en molenwiekend op de vrouw afstormde, maar zij doorkliefde de marmeren romp van het gedrocht met een enkele bijlslag. Nog voor het marmer op de grond tot rust kwam, liet de vrouw in de rolstoel een zweep door de lucht suizen als een geboren dompteur. Ze had de kermende Seshat rond zijn nek te pakken, en maakte joelend rondjes in haar rolstoel die Seshat door het stof van zijn eigen winkel sleepte.
Seshats windsels vielen uiteen. Straaltjes zand stroomden uit zijn lichaam, tot er niet van de gestalte over was dan wat stapels textiel.
Lara, de grijsharige matrone die Iris eerder had ontmoet, hielp Iris op van de vloer. ‘Welkom bij de Croft Collective!’ zei ze, en maakte een gebaar naar de vrouwen die hun rugzakken aan het vullen waren met Seshats kostbaarheden. ‘En de legitieme oorlogsbuit die we claimen. Waaronder de sarcofaag van Set – ’ ze wees naar de gevleugelde sarcofaag, die net in een rugzak verdween. ‘Als je met ons meedoet, zijn we met vijf. Niet veel, maar genoeg om de wereld een beetje te veranderen.’
Iris dacht aan de drieduizend halskettingen die ze had besteld. Drieduizend opvangbakken die de sarcofaag van Set kon vullen, en over drie weken in kledingzaken door het hele land zouden liggen.
Ze lachte, omarmde Lara en vroeg met tranen in haar ogen: ‘Wat zou je ervan zeggen om de wereld wat grondiger te veranderen?’
Wieland de smid
Tais Teng
De man droeg een tunica en een bronzen kuras, zag Abeltje, het uniform van een Romeinse legionair. Hoewel de gladius ontbrak. Waarschijnlijk was het korte zwaard in beslag genomen bij de ingang. Het Emporium stond enkel wapens toe die bij de eigen afdeling aangeschaft waren.
‘En waarheen voert uw verlangen u?’ vroeg Abeltje op de voorgeschreven wijze.
‘Mijn naam is Claudius,’ begon de klant. ‘Claudius de Jongere.’ Zijn accent plaatste hem in de eerste eeuw na Christus, met hoogstwaarschijnlijk een Toscaans dorpje als geboorteplaats.
Als piccolo hoorde Abeltje zijn klanten natuurlijk te kennen, al zijn klanten, hoewel hij curieus genoeg nog nooit een bezoeker van na 2078 ontmoet had.
‘Ik ben een vuuraanbidder,’ zei Claudius. ‘Er is geen schoner dans denkbaar dan die van de bevallige vlammen. Geen parfum schoner dan die van knetterend hout of brandend stro!’
‘En u zoekt?’ vroeg Abeltje.
‘De ultieme fakkel. De toorts die letterlijk alles kan aansteken. De essentie van vuur.’
Abeltje zag nu ook dat de randen van Claudius’ tunica verbrand waren en er een roetveeg op zijn linkerwang zat. Om nog maar te zwijgen over zijn verschroeide wenkbrauwen en wimpers.
‘U bent een pyromaan als ik het wel hebt?’ vroeg de piccolo. ‘Een brandstichter?’
‘Och brandstichter is zo’n groot woord. Ik beschouw mij als een vuuraanbidder, een praktiserende gelovige.’
Abeltje knikte. ‘Ik denk dat de Zaal van de Tienduizend Kandelaars de juiste plaats voor u is. Alles van een bescheiden spekstenen lampje met walvistraan tot een vreugdevuur dat een krijsende heks in een oogwenk verteert.’
‘Ja, de Tienduizend Kandelaars lijkt mij de juiste plaats.’
‘Met welke herinnering dacht u mij te betalen?’
‘Mijn meest recente vuur misschien? Er ging maar een stuk of tien huizen in as, maar ik kon zeker een dozijn bewoners horen krijsen en het rook heerlijk. Alsof er een dozijn speenvarkens tegelijk boven de kolen draaiden.’
‘Dat lijkt mij een interessante herinnering. Goed. Ik neem hem.’
‘Verdieping 542,’ kondigde de piccolo aan. ‘De Zaal van de Tienduizend Kandelaars.’
De liftdeuren schoven open en Claudius keek uit over een immense rokerige ruimte waarin vonken wegdansten van laaiende smidsvuren, hele zwermen kleurige vuurvlinders. De weg was geplaveid met sintels en half verkoolde botten.
Hij liep voorbij de sjamaan met de wolvenkop die met fakkels jongleerde. Dat was enkel show, niet werkelijk serieus brandstichten. Hetzelfde gold voor de jongen die een ijzeren mand met lawinepijlen voorop zijn fatbike gemonteerd had.
Achter een uitgebrand dorp flakkerde de oranjerode gloed van wat beslist het machtigste smidsvuur van de hele verdieping moest zijn. Hij versnelde zijn pas en elke voetstap leek langer te zijn dan de vorige. De beroete muren flitsten voorbij en ineens stond hij voor een aanbeeld dat tot aan zijn kin reikte. De smid die erachter met opgeheven hamer verrees, moest een van die mythologische reuzen zijn of misschien zelfs Vulcanus in hoogsteigen persoon?
‘Ik had je hier al verwacht,’ sprak de gigant. ‘Waar kon je immers anders eindigen dan bij het Altaar der Vlammen, waar Wieland de Smid gruwelzwaarden smeedt voor helden en massamoordenaars?’
‘U weet wat ik wens, meester,’ zei Claudius. ‘Ik wil dat alles wat ik aanraak in brand vliegt. Geen recalcitrant gesputter of gesmeul meer. Zelfs als het kienhout is uit de bodemmodder van een poel. Of de granieten stenen van een villa. Voor zo’n toverkracht is geen prijs mij te hoog.’
‘Je zag Rome zelf branden,’ rommelde de god. ‘Toen Nero de stad in brand liet steken om ruimte maken voor zijn nieuwe paleis.’
Claudius knikte. ‘Ik keek niet alleen toe. Ik was een van de brandstichters die de keizer persoonlijk inhuurde.’
‘Die herinnering is mij betaling genoeg.’ De smid klapte in zijn handen en Claudius voelde een behaaglijke warmte door heel zijn lijf voeren. Tegelijk verdween elk herinnering aan de Grote Brand.
Het doet er niet toe. Mijn nieuwe brandstapels zullen de hemel verduisteren met hun rook en hele landen in as leggen.
‘Peractum est,’ sprak de god. ‘Het is volbracht. Jij bent nu de toorts die alles kan verteren.’ Hij graaide een klomp kletsnat koraal uit de lege lucht. ‘Raak het aan.’
Claudius strekte aarzelend een vinger uit en een vonk ontsprong aan zijn nagel. De kalksteen siste en ontbrandde toen met een gedempte plof.
‘Maar, maar …’ blaatte Claudius. Hij wapperde met zijn hand waarvan de wijsvinger als een in teer gedoopte toorts brandde. Een moment later ging ook zijn haar in vlammen op.
’Een allesverterende toorts kun je enkel zijn door zelf te branden,’ legde Wieland uit.
Claudius was een withete vlam geworden die krijsend over de plavuizen danste. Zijn verkolende skelet vormde de pit en zijn lichaamsvet was de brandstof.
Zodra het stillag, graaide de smid hem van de grond en mikte hem in zijn smidsvuur. Het was immers zonde om zulke kostelijke brandstof te verspillen?
Grappig genoeg bracht Abeltje de volgende klant naar precies dezelfde verdieping.
‘Mijn naam is Edward Teller,’ zei de glad geschoren man met de gestreepte das, ‘en ik zoek een vuur dat even heet als de zon is.’ Hij snoof. ‘Die zogenaamde atoombom van Oppenheimer was niet meer dan een vochtige voetzoeker.’
‘Ah,’ zei Abeltje. ‘U bent een pyromaan, een brandstichter?’
‘Absoluut niet!’ protesteerde de man. ‘Het is enkel om mijn land veilig te stellen voor vijanden die minder menselijk dan trollen zijn. De vijanden van God en Vrijheid. Als we zo’n wapen hebben, wordt oorlog voortaan onmogelijk.’
‘De klant is koning,’ zei de piccolo. ‘Ik zet u af bij de Zaal van de Tienduizend Kandelaars.’ Hij knikte. ‘Grappig. De vorige klant vroeg om bijna hetzelfde.’
Teller fronste. ‘Het was toch geen communist?’
‘Beslist niet en hij was ook wat minder ambitieus dan u.’
De parkwachter van het aquapark
Roelof Goudriaan
Herbert zuchtte vergenoegd. Hij streek met zijn hand zijn grijze haren glad. Hij had zich in jaren niet zo rustig gevoeld. Vredig, dát was het! Zijn lichaam deed nauwelijks pijn, ondanks zijn lange strompeling, vanaf de liftschacht over de zompige grasvlakte, om hier te raken. Thuis kon hij geen honderd meter lopen zonder ineen te krimpen van de pijn.
Hij zat in zijn beste pak, stropdas een beetje losser dan anders, met beide benen over een rotsblok dat uitstak over het diepblauwe meer dat een paar meter onder hem wild kolkte. Aan de andere kant van het meer reikten wanden van met kopererts doorspekte groene rotsen tientallen meters omhoog. Kromgegroeide bomen met tufjes lichtgroen blad klampten zich met hun wortels tegen de rotswand aan. Vanaf zijn zitplaats kon Herbert nog net zien hoe bij de top van de rotsen aan de overkant een straal water hoog de lucht in spoot. Was dat een geiser? Herbert wist het niet. Het water kletterde neer op de rotsen en stroomde in brede banen over de rand van het plateau. De waterval gutste tientallen meters de diepte in, tot het met heldere klatertonen in het meer terechtkwam. Een dozijn regenbogen flonkerden tussen de waterdampwolken die de rotswanden half aan het zicht onttrokken, waterparels ontsnapten uit de wolken en spatten uiteen in tinten van blauw, groen en roze.
Wat een práchtige plek om te sterven! Hij was die piccolo dankbaar voor zijn onbetaalbare advies. En dat in ruil voor een herinnering aan een intens moment van pijn. Van die herinneringen had Herbert er genoeg. Te veel. Zijn vergroeide ruggenwervels gaven hem pijn als hij voortstrompelde. Zijn MS gaf hem spierkrampen en slikproblemen, maculadegeneratie had zijn vermogen dingen van dichtbij te zien aangetast, en eten kon hij nauwelijks zonder te kokhalzen. Nee, Herbert vond dat hij een lang en mooi leven had gehad. En nu zijn lichaam het overal tegelijk begon te begeven, was het genoeg.
De Waterval van de Benijdenswaardige Dood, zo had de piccolo het genoemd. De mooiste waterval van het Aquapark op de 101ste verdieping van het Emporium. Een meer dat door een giftige waterval werd gevoed, waarin vissen zwommen die dodelijker waren dan een kogelvis. ‘Hun gif doet u onmiddellijk wegglijden in hemelse visioenen, meneer, zodat U sterft in een roes van het opperste geluk. De mooiste dood die een mens zich kan wensen, heb ik me laten vertellen.’
Buiten de liftdeur had een menshoge krab hem verwelkomd.
‘Noem me maar Kobus. Ik ben de parkwachter van Aquapark De Bron.’
Hij had de kleinere van zijn twee scharen vertrouwelijk om Herberts schouder heen gedrapeerd en hem in ruil voor een herinnering een rugzakje gegeven, en ook een kaart van het aquapark met teksten die zo klein waren dat Herbert ze nauwelijks kon lezen. Met zijn grote schaar wenkend was Kobus daarom zijwaarts naast Herbert blijven lopen totdat die het pad naar het park was ingeslagen.
Herbert haalde uit zijn rugzakje, een vrolijk blauw ding dat werkelijk niets woog, een uitschuifbare hengel en een barbecue-toestel. De barbecue was groter dan de ransel. ‘Eigendom van Aquapark De Bron’ stond er in vrolijk dansende witte letters op.
Herbert had nauwelijks de lijn van zijn hengel naar het water laten zakken, of een vijftien centimeter lange azuurblauwe vis sprong op en beet zich vast in de haak. Herbert neuriede, voor het eerst in jaren, terwijl hij de barbecue aanstak en de vis op het rooster legde.
Een stip in de lucht werd groter en groter. Herbert zag uiteindelijk dat het een ooievaar was. De ooievaar begon een duikvlucht en scheerde rakelings over het meer, twee flesjes in zijn poten. Herbert lachte luid, ook al deed dat pijn. Zou de ooievaar ook levensmoe zijn?
De ooievaar zwenkte in Herberts richting, en streek vlak naast hem neer op de grond.
‘Pas op met die vis, bezoeker,’ klepperde de ooievaar. ‘Als je daarvan eet, kan je eraan doodgaan!’
‘En dat is ook precies mijn bedoeling,’ zei Herbert. Waar bemoeide die vogel zich mee? ‘Waarom denk je anders dat ik de Waterval van de Benijdenswaardige Dood heb opgezocht?’ Hij graaide de vis aan zijn staart van de barbecue (de hitte deerde hem niet, zijn vingers hadden al jaren geleden hun sensaties verloren) en slokte de vis in één keer op, kop, graat en al.
‘De Waterval van de Eeuwige Jeugd, bedoel je,’ zei de ooievaar. ‘De Fontein van de Eeuwige Jeugd staat daar pal boven.’ Hij wees met een vleugel.
Herbert lette niet meer op de vogel. Zijn spierkrampen verdwenen. Hij richtte zich op zonder dat zijn ruggenwervels protesteerden. Hij voelde zich een jonge god. Vrij van pijn! Dit waren werkelijk de hemelse visioenen die de piccolo hem beloofd had!
Hij wilde iets uitroepen, maar de graat van de vis zat vast in zijn keel. Herbert begon te hoesten terwijl zijn lichaam razendsnel begon te krimpen. Een zes jaar jonge Herbert liep blauw aan, en hij stikte vlak daarna als een paar weken jonge baby.
De Ooievaar van de Tweede Kans keek triest naar het babylijkje. ‘Kobus is een brave kerel, voor een krab, maar hij zou hier toch echt eens een bordje met Verboden Te Vissen voor Zelfmoordenaars moeten neerzetten.’
De piccolo, reprise
Tais Teng
‘Het Emporium Universalis sluit over twintig minuten,’ gonsde een stem over alle verdiepingen. ‘Wilt u zich naar de uitgang begeven, beste bezoekers?’
Even later waaierde een diepe stilte over de verdiepingen uit: de vlammen van de Tienduizend Kandelaars doofden en de Watervallen van de Eeuwige Jeugd en de Benijdenswaardige Dood vielen stil. De alembics met lethewater van de parfumeurs borrelden niet langer.
De piccolo rolde zijn self-inflating slaapmat uit en klopte zijn hoofdkussen met donzige velociraptorveren op.
Voor de lampen doofden, had hij nog een half uur.
Abeltje opende zijn lievelingsboek, Collodi’s Le avventure di Pinocchio. Net als die houten pop hoopte Abeltje ooit eens een echt mensenkind te worden. Hij wist natuurlijk dat hij een homunculus was, een levende pop die alchemisten in hun vaten gekweekt hadden. Waarschijnlijk waren er honderden andere Abeltjes met hun eigen glazen liften. Niet dat hij dat ooit had kunnen controleren: als Abeltje ook maar een stap buiten zijn lift zette, dan greep doodsangst hem bij de keel.
Hij sloeg het boek open en bladerde naar het hoofdstuk waarin de houten pop van vlees en bloed werd. Dat gaf hem altijd goede hoop: hij was om te beginnen al van vlees en bloed en hoefde enkel menselijk te worden.
Hij sloot zijn ogen en zette alle gloednieuwe herinneringen op een rij. Als hij genoeg emoties had verzameld, als niets menselijks hem meer vreemd was, dan zou hij vanzelf een mens worden en weg kunnen wandelen van de lift om heel het wonderlijke Emporium en de wereld daarbuiten te verkennen.
Vlammen dansten in de herinnering van de pyromaan, bevalliger dan zelfs Salomé’s sluierdans en de heerlijke barbecuegeur deed zijn neusgaten tintelen. Met de kunde van Lapin de Smulpaap werd het helemaal exquis: precies dat speenvarken aan het spit toen de influencer-in-de-dop met zijn ouders in Paleochora logeerde.
Daarna ontrolde de eerste huwelijksnacht van de man zich en die was allesbehalve extatisch. Dat was misschien nog de beste herinnering omdat het de piccolo helemaal geruststelde.
Ik hoef geen bronzen Adonis te zijn te zijn met tientallen maagden ervaring. Knoeien is niet lang zo erg als mijn vriendin even onwetend is als ik.
Iris’ herinnering aan de vrijpartij met de manager die haar haar eerste baan in Diederick Keukens had bezorgd, vormde een prachtig contrapunt: die kerel wist juist precies hoe het moest en wat hij wilde.
De volkomen terechte moord op de oom die het dubbel en dwars verdiende, deed hem tevreden knikken. Van de FTO-hooligan kwam de hond van de buren die altijd zo naar hem blafte. Hoe heerlijk het was hem een rotschop met zijn gloednieuwe dr. Martens te verkopen, die met de stalen schoenpunten. Om een rib te voelen breken en dan nog een trap na te geven tegen die jankende hondenkop.
Alles klikte op zijn plaats vast als een peperduur Lego-kasteel. Emoties en verlangens, prachtige vooroordelen. Voor het eerst was Abeltje echt iemand, geen vormeloze en uitwisselbare homunculus die net zo goed uit klei gekleed kon zijn.
Hij stapte over de drempel van de lift en nam een stap. Toen nog een. De paniek bleef volkomen uit, de doodsangst. Er was niets meer dat hem aan de lift bond.
Geen bediende meer, geen buigende piccolo die ‘En waarheen voert uw verlangen u?’ vraagt. Ik ben mijzelf.
Hij beende het Emporium door, gaf de draaideur een triomfantelijke zwieper.
Boven hem rezen flats op, met duizenden verlichte ramen en een vliegtuig gleed over met knipperende landingslichten.
Ik steel een fatbike, nam hij zich voor, en ik steek de staart van de eerste de beste zwerfkat aan, net als de vos in Pinocchio. Ik fluit naar ieder angstig voortstappend meisje en steek het zebrapad pas over als het licht op rood springt.
Dat waren de zaken waarop Abeltje zich verheugde, terwijl hij door de vallende schemering beende: een volkomen authentiek menselijk rotjochie.
