![]()
Pater Celestio staarde vanuit het raam van de kloosterbibliotheek naar de donkere heuvels aan de horizon. Het silhouet van de brandende stad stak daar grimmig af tegen de avondlucht, vlammen sloegen uit de ramen van de huizen en gele vonken schoten de zwarte hemel in. De stedelingen waren voor de duivel gevlucht en bivakkeerden in de landerijen rondom het klooster. Voor de poort van de abdij was zo een kleine markt ontstaan, waar werd gegeten, gedronken en gedanst op de vrolijke klanken van schalmei en tamboerijn. De geur van bier en verse broden steeg uit de kramen op, vermengd met de scherpe geur van het brandhout in de ovens.
Het waren turbulente tijden maar binnen de dikke muren van het klooster had pater Celestio zich voorgenomen alles onder controle te houden. Zo had hij enkele timmerlieden opdracht gegeven vlak onder het raam van zijn bibliotheek een galg op te richten. Met voldoening en welbehagen keek hij een tijdje naar de voortgang van dit werk en nadat hij had vastgesteld dat dit naar tevredenheid vorderde, sloot hij zorgvuldig de drie luiken van de bibliotheek en schoof glimlachend de zware grendels dicht.
Nu draaide hij zich om en keek begerig naar de jonge vrouw die hij in een grote kooi in het midden van de kloosterbibliotheek gevangen hield. Annecke, een jonge dienstmaagd, was door enkele kooplieden beschuldigd van de diefstal van een kruik wijn. Na een kort proces, waarin de ongelukkige zich niet tegen deze beschuldiging had kunnen verweren omdat haar leugenachtige tong in een ijzeren masker zat geklemd, was ze veroordeeld tot heropvoeding in het particuliere tuchthuis van de pater. Dit betekende in de praktijk dat zowel de duur als de omstandigheden van haar opsluiting volledig af zouden hangen van haar gedrag. De beoordeling hiervan werd aan pater Celestio toevertrouwd, een grote verantwoordelijkheid die hij namens de Kerk graag op zich nam.
De kooplieden hadden vandaag een bediende naar het klooster gestuurd, die Celestio als blijk van waardering een kruik wijn en een stuk gezouten geitenvlees bracht. Een sympathiek gebaar, dat hij opvatte als een aanmoediging de gevangene zo zwaar en langdurig mogelijk te tuchtigen. Op zijn beurt had Celestio de bediende knipogend een stapeltje tweedehands aflaten meegegeven voor de kooplieden en burgers in de stad.
‘Hier,’ had hij tegen de bediende gezegd. ‘Deze aflaten zijn voor de kooplieden. Ze mogen ze doorverkopen op de markt. ‘Denk dan wel om de tienden voor de Kerk hè.’
Pater Celestio was een korte, gezette man met een kaalgeschoren hoofd. In de ogen van zijn tijdgenoten sober en godvruchtig, een eenvoudig instrument in de strenge hand van God. Hij woonde in een enorm klooster dat diende als bibliotheek van het uitgestrekte koninkrijk – een plek waar alle bestaande kennis was verzameld. Hij oefende zijn taken naar vermogen uit, hoewel hij door zijn gevorderde leeftijd en slechte ogen allang niet meer lezen kon. Bovendien stond hij er door het overlijden van alle andere monniken tijdens de pestepidemie helemaal alleen voor – of het nu om bidden, zingen, tuinieren of verzorgen van de gevangene ging.
Voor Celestio was het door de komst van Annecke een bijzonder mooie dag. Hij was namelijk dol op het bekijken van bleke jonge vrouwen, bij voorkeur in de natuurlijke staat waarin God ze geschapen had. Annecke werd daarom op zijn verzoek door twee soldaten uitgekleed, een vernederend ritueel, dat zij echter kalm en waardig onderging, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.
Voor Annecke was de dag vroeg begonnen. Na haar veroordeling was ze eerst op een volle mestkar over de markt gereden en daarna bij het klooster afgeleverd waar ze op de binnenplaats door twee kijvende poetsvrouwen was schoongeschrobd. Celestio had haar daarna handenwrijvend in de bibliotheek ontvangen en door de soldaten laten opsluiten in de ijzeren kooi. Die was enorm, ongeveer zo groot als de halve bibliotheek, 20 ellen lang en 20 voet breed. Rondom de kooi stonden zitjes waarin men, alleen of samen met gasten, gerieflijk naar de gevangene kon kijken. De inrichting van de kooi was opvallend comfortabel met een breed bed, opgemaakt met wollen dekens en lakens van het fijnste linnen. De kussens waren gevuld met eiderdons, waar geurige lavendel doorheen was gemengd. Een aardewerken lampetkan stond in een schaaltje, zodat de gevangene zich ook kon wassen. Eigenlijk was deze kooi, ondanks het sinistere doel, een sieraad van elegantie in de enorme bibliotheek. Binnenin de kooi stond zelfs een lage houten kast vol boeken naast een fauteuil die met het beste varkensleer bekleed was. Het licht viel door de gebrandschilderde ramen en het gekleurde glas wierp prachtige tinten groen en rood op de fletse huid van de gevangene en het dure leer van de boekomslagen. Het rook naar vochtig hout en perkament en in die serene rust ging Celestio bij de kooi zitten om te zien of de straf al enig effect op het gedrag van Annecke begon te krijgen.
Zij liep enige tijd, zonder Celestio aan te kijken, heen en weer in de kooi, waarbij de aanblik van elke bedachtzame schrede die zij op haar lange witte benen deed, hem veel genoegen gaf.
In tegenstelling tot alle andere gevangenen die Celestio in de loop der tijden had gehouden, was Annecke op haar gemak. Haar beproeving leek haar helemaal niet te deren. Waar andere meiden huilend of trillend van schaamte hadden geprobeerd hun naaktheid voor hem te verhullen, angstig om vergeving en genade hadden gesmeekt, wanhopig hun lichaam aan hem hadden aangeboden of woest allerlei Godslasteringen naar hem hadden geschreeuwd, bleef Annecke kalm en nadat zij de kooi rustig had verkend ging zij, Celestio volledig negerend, in de fauteuil zitten, sloeg haar krijtwitte benen over elkaar en pakte een boek.
En waar hij normaal gesproken de soldaten erbij moest roepen om zijn weerspannige gevangenen in helse, roestige boeien te dwingen, keek Celestio nu ademloos naar de hoofse schoonheid van zijn stralende aanwinst. Haar lokken vielen over haar pipse vlees en met haar vingers streelde zij de lederen rug van de foliant.
Een hele tijd gebeurde er nu verder niets, afgezien van het getimmer en gesleep met planken van de galgenbouwers op de binnenplaats, tot op de gang het piepende geluid van wieltjes klonk. Een bediende kwam binnen met een houten buffetkarretje waarop een heerlijk geurende maaltijd was uitgestald. Onder een glimmend deksel lag een gebraden kip gevuld met warme noten, er waren pasteitjes met paddestoelen, verse groenten uit de kloostertuin en een dessert van gerstepap met brandewijn en kersen op de steel. Celestio pakte een kruik wijn uit een rieten mand, ontkurkte deze en schonk een royale hoeveelheid in een kelk van aardewerk. Nadat hij drie kelken had geleegd begon hij wat ongericht uit zijn ogen te kijken en pakte een poot van de kip vast. Draaiend en trekkend begon hij deze los te wrikken van het gebraden karkas terwijl hij naar Anneckes witte dijen keek.
‘Ik wil dat je twee dingen voor me doet,’ zei hij. ‘Ik wil je mooie stem horen als je me voorleest uit dat boek. ‘En morgen wil ik de dauw op je poesje zien glinsteren in het eerste ochtendlicht.’ Met die woorden scheurde hij de poot los van de romp.
De meeste gevangenen hadden Celestio zwaar teleurgesteld, want hoe knap en welgevormd ze ook waren geweest, door hun ongeletterdheid was geen van hen ook maar in de verste verte in staat gebleken om Celestio iets voor te lezen. Daar kwam nog bij dat zijn woorden over het glinsteren in het ochtendlicht een lugubere bijklank hadden. De precieze strekking daarvan kon beter begrepen worden na een blik uit het raam, waar het gelal van bierdrinkende timmerlieden er op duidde dat hun werkzaamheden aan galg en schavot met succes waren afgerond.
Annecke luisterde een kort moment naar het liederlijke gezang van de galgenbouwers. Daarna drukte ze met de vingers van haar lijkbleke rechterhand de bladzijden van het boek zorgvuldig en liefdevol aan. Toen klonk haar stem, zacht als warme, zoete honing:
‘Dit is niet zomaar een boek,’ zei ze. ‘Het bevat de waarheid over het valse paradijs waarin de mensen leven. Het zijn drie delen en die gaan allemaal over dezelfde vraag. Wie die vraag aan het eind van het boek kan beantwoorden, zal zaligheid ten deel vallen.’
‘Zaligheid?’ riep Celestio, verbijsterd door haar leesvaardigheid. ‘Wat is dat voor een boek?’ Is het een soort aflaat of zo? Daar is heel veel vraag naar tegenwoordig. Geef het maar gauw aan mij.’
‘Nee, dat kan niet’, zei ze zakelijk. ‘Je moet eerst de vraag beantwoorden. Dat staat zo in het boek.’
‘Nou, wat is die vraag dan?’
‘Je moet eerst het antwoord uit het boek kennen om de vraag te kunnen begrijpen,’ zei ze. ‘Tenminste, zo staat het beschreven in de miniaturen in de eerste letter. Het staat er heel erg klein en ik denk daarom niet dat jij het met je slechte ogen kunt zien maar geloof me: een eerste letter staat niet voor niets vooraan. De miniatuur is de sleutel die de hele tekst ontsluit en daarom de belangrijkste van het hele boek.’
Nu ze Celestio met dit inzicht het zwijgen had opgelegd, streek ze haar blonde lokken, die voor haar gezicht waren gevallen, achter haar linkeroor en begon te lezen:
In een land ver van hier leefde een blinde koning die een beeldschone dochter had. Toen zij de huwbare leeftijd had bereikt, wilde de koning dat zij zou gaan trouwen. Maar welke kandidaat hij ook aan haar voorstelde, zij accepteerde er geen enkele. Elke dag bad hij tot God om zijn dochter op andere gedachten te brengen, maar zij bleef volharden in haar afwijzing. Toen verscheen op een zondagnacht de duivel aan het bed van de koning. Omdat God nu eenmaal op de zondag rust kon de sluwe duivel gewoon zijn gang gaan. Hij bood de koning aan om met zijn dochter te trouwen en de koning, die de schande van haar ongehuwdheid niet meer kon verdragen, stemde toe. Daarop ging de duivel, in de gedaante van een prins, naar de torenkamer van de dochter en verleidde haar tot een diepe sluimerslaap.
De koningsdochter schrok wakker toen zij merkte dat de prins, gelijk de duivel, als een bok was geschapen. Hierop vervloekte zij God, die haar in de steek had gelaten en de koning, die haar had verraden en zwoer trouw aan de duivel om wraak op hen beiden te nemen.
Celestio had met vuurrode oren naar het verhaal geluisterd maar juist op dit ongelegen moment werd er op het rechterpaneel van de kloosterpoort geklopt. Met tegenzin slofte Celestio de trap van de bibliotheek naar de poort af. Daar stond een afschuwelijk verwonde ridder in een glanzend zwart harnas voor de deur met een speer door zijn borst en een stapel aflaten in zijn gehavende hand.
‘Jouw aflaten hebben hun kracht verloren,’ zei hij. ‘De kooplieden zijn boos, de boeren klagen en de burgers zijn bezorgd. Ze kopen eerst jouw dure aflaten en zondigen er daarna op los maar gaan dan toch naar de hel. De duivels lopen door de straten van de stad. Ze branden molens plat. Ze plunderen en moorden en slepen onze dode zielen naar het eeuwig vuur. We gaan er allemaal aan. Celestio, doe er iets aan.’ Zodra hij dat gezegd had, begon hij te rochelen, een golf donkerrood bloed gulpte uit zijn mond, toen viel hij voorover op de grond en stierf.
‘Wacht even met lezen!’ schreeuwde Celestio over zijn schouder naar Annecke. Met zijn voet schopte hij de dode ridder van de trappen van het klooster, het lijk rolde naar beneden waar het harnas werd geroofd door een groepje plunderende duivels. Snel sloot pater Celestio de zware deur en slofte, in zichzelf foeterend, de donkere trap weer op.
‘Kracht verloren,’ schamperde hij. ‘Wat een onzin. Het geloof staat nog steeds overeind. Het is juist krachtiger dan ooit.’ Puffend en hijgend ging hij weer bij de tralies van de kooi zitten.
‘En? Werd ze ook nog gemarteld?’ vroeg Celestio. Annecke glimlachte stil, likte aan twee vingers en sloeg de bladzijde om met haar vochtige vingertoppen. ‘Natuurlijk werd ze gemarteld,’ zei ze. ‘Dit is niet voor niets een hagiografie. Hier, luister maar:
Toen het volk er achter kwam dat de koningsdochter gemeenschap had met de duivel, brachten zij haar naar het grootste plein van de stad. Daar werd zij als zondares met haar handen boven haar hoofd vastgebonden aan een houten balk en door een groepje vrome monniken gegeseld. De vroomheid van deze geestelijken bleek echter net zo groot als hun wellustige onnozelheid, die uit hun onophoudelijk en leeghoofdig geginnegap bleek. De leren riemen kletsten op de weerloze rug en billen van de koningsdochter, waar al snel rode striemen op verschenen. Tenslotte werden haar beide billen op last van de Bisschop gebrandmerkt met het teken van het Beest. De stank van haar verschroeide vlees en haar schandelijke gekrijs waren voor het volk het onomstotelijke bewijs dat zij, gelijk de duivel, uit de hel afkomstig was.
‘O God, het kletsen van hun riemen en de stank van het verschroeide vlees,’ prevelde Celestio, de woorden proevend op zijn tong, terwijl hij een kruisje sloeg. ‘Maar gaan die monniken straks ook nog iets met haar poes doen? En wat is de vraag aan het einde van het boek? Zeg het me zodat ik zaligheid kan ontvangen als ik het antwoord weet.’
‘Natuurlijk,’ zei Annecke kalm. ‘Het staat allemaal in de volgende hoofdstukken. Maar ik krijg er een droge mond van dus als je wilt dat ik verder lees moet je me eerst water geven. En noem het alsjeblieft geen poes meer. Dat woord klinkt smerig uit jouw mond. Kun je me nu wat water brengen, Celestio?’
‘Wacht,’ hijgde Celestio. ‘Ik haal w-water voor je. Wacht even met lezen tot ik terug ben. ‘Wat een prachtig boek is dit,’ voegde hij er handenwrijvend aan toe. ‘Ik wist niet dat ik in het klooster zulke mooie boeken had!’
Hij reikte Annecke water aan in een aardewerken nap, maar zij weigerde het aan te pakken. ‘Water is helder. Ik wil die helderheid goed kunnen zien. Breng me daarvoor een glas Celestio!’
Hierop rende Celestio naar de wijnkelder van het klooster waar hij de glazen bewaarde. Hij pakte het duurste en fijnste glaswerk dat hij kon vinden, een prachtig versierde kelk, gegraveerd met het Bisschoppelijk zegel, en rende hijgend de trappen van de kelder op.
‘Is het zo goed?’ vroeg hij gespannen.
Annecke nipte zwijgend aan de bisschoppelijke kelk. Haar absolute, volmaakte naaktheid schitterde verblindend wit voor Celestio’s ogen. Zij belichaamde een reinheid die zo perfect was dat deze geen kleding meer behoefde.
‘Quid facturus est ei ad pubis plicitus?’ vroeg Celestio, die geen ‘poes’ meer mocht zeggen van Annecke – in bedroevend slecht Latijn opnieuw vragend naar expliciete details over wat er in het verhaal nog met de koningsdochter ging gebeuren.
Op de markt voor het klooster was ondertussen een toenemend rumoer en geschreeuw te horen. Het leek of er zich een grote menigte aan het verzamelen was, maar Celestio leek niets van dit alles te merken. Hij luisterde alleen maar naar Anneckes woorden.
Haar stem daalde en half fluisterend, half sprekend las ze voor hoe de koningsdochter er na de geseling aan toe was:
‘Tijdens haar geseling begon het dikke zaadvocht van de duivel langzaam uit haar te vloeien. Als bewijs van haar zondige ontucht spatte het in grote grijswitte druppels op de planken van het schavot uiteen. Dit duivelsgebroed zag eruit als paddendril, een lillende gelei met kleine mensachtige wezentjes die er ongeduldig in rondtrappelden. Gehoornde padden kropen vanonder het plankier van het schavot tevoorschijn en deden zich te goed aan deze lekkernij, net zolang tot ze zich helemaal hadden volgevreten.[1]
‘Wil je ook een slokje water Celestio?’ zei Annecke en gaf hem de lampetkan waar haar vuile badwater in zat. Pater Celestio pakte het door de tralies van haar aan, dronk gretig van het badwater van de gevangene.
‘Weet je wat het met water is,’ zei ze tegen Celestio. ‘Je kunt beter wijn drinken. Want met elke slok rivierwater drink je sterk verdunde hom en paddenzaad. En als dat diepe inzicht eenmaal tot je is doorgedrongen, zul je ook proeven dat water uit de rivier zilt en kruidig smaakt. Nooit zul je meer water willen drinken. Net als ik! Geef me daarom nu snel wat wijn, Celestio!’
Snakkend naar het vervolg van het verhaal schonk Celestio het glas van zijn gevangene haastig tot de rand vol met de duurste rode wijn die er in het klooster te vinden was. Annecke nam een klein teugje en boog zich weer over het boek. Ze las:
De koningsdochter werd in een zak gestopt die, dichtgebonden en met stenen verzwaard, in de rivier werd gegooid zodat zij zou verdrinken. De duivel had echter haar geweeklaag gehoord en verscheen als zeeridder. Hij was half mens, half vis en liet haar proeven van een geweldig leven onder water. Zijn kus smaakte zilt als zeewier in haar mond. Hij beminde haar langdurig en beiden verdwenen daarna stroomopwaarts, naar de bergen waar de zalmen gaan. Daar vervloekte hij de stad en haar inwoners en zwoer dat hij ooit in de gedaante van een schone dienstmaagd zou terugkeren om wraak op hen te nemen.
Tussen het lezen door had Annecke enkele malen een flinke teug wijn gedronken. Haar blik bleef inmiddels meer hangen op haar glas dan op het boek en ook werden de pauzes tussen het omslaan van de bladzijden telkens langer. Celestio merkte niets van dat alles. De schoonheid van Annecke in de kooi, de golvende cadans van haar stem en het opwindende Heiligenleven uit het boek, hadden hem tot aan de rand van een hemelse gelukzaligheid gebracht. Er ontbrak hem helaas nog maar één ding en dat was wat meer standvastigheid onder zijn pij.
‘Lees alsjeblieft verder Annecke,’ smeekte hij. ‘Nog even. Ik voel me steeds zaliger.’
‘Zaliger?’ zei Anneke. Ze stond op en liep langzaam in zijn richting. Ze greep zich aan de tralies vast en drukte haar buik en borsten stevig tegen de donkere spijlen van de kooi. Celestio sprong zo snel op dat zijn pij er van open viel. Gulzig graaide hij in haar richting maar ze deinsde snel achteruit en wierp een snelle blik op zijn troosteloze geslacht.
‘Het vlees is zwak,’ zei ze hoofdschuddend. ‘Vooral dat van jou. Maar ik kan ervoor zorgen dat je weer sterk wordt. Zelfs zo sterk dat jouw vlees weer zal kunnen opstaan om zaligheid te ervaren, Celestio! In dit boek staat beschreven wat je ervoor moet doen. Ik vraag je maar één ding in ruil daarvoor en dat is de sleutel van de kooi. Geef me de sleutel, dan zal ik je de vraag voorlezen en zul je met kracht en zaligheid gezegend worden als je het antwoord weet.’
Celestio was wel wat gewend als het om stomme uitvluchten en sluwe verleidingslisten ging die in de loop der jaren door de gevangenen vergeefs op hem waren uitgeprobeerd. Zelfs de meest onhandelbare gevangene had hij uiteindelijk, al dan niet met behulp van gloeiende ijzers, tot berouw en onderwerping aan God gekregen. Maar met zaligheid en kracht binnen handbereik begon hij nu te twijfelen.
Annecke had de Bisschoppelijke glazen kelk leeggedronken en hield die onder haar onderlichaam, ze zakte een beetje door haar knieën, staarde glazig door het raam naar de brandende stad in de verte en piste het glas toen helemaal vol met haar donkergele ochtendwater, ook sprenkelde ze met twee vingers nog wat druppeltjes over haar gouden poes.
‘Ik heb twee wensen van je vervuld,’ zei ze. ‘Ik heb uit het boek gelezen. En ik heb de dauw voor je laten glinsteren in het ochtendlicht, hier in dit glas. Drink dit,’ zei ze en stak het warme glas door de spijlen van de kooi. ‘Drink dit en geef me dan de sleutel. Dan beloof ik jou dat je nog deze ochtend al zaligheid zult ervaren in eeuwigheid.’
Nadat Celestio het glas ochtendpis in één teug had leeggedronken en, bedwelmd door de complexe aroma´s, haar haastig de sleutel had gegeven, werd er op de grote kloosterpoort gebonsd. Het kloppen was ditmaal urgenter, dwingender van aard. Toen hij geërgerd naar beneden was gelopen en opendeed zag hij een lange gestalte in een zwarte jas. Het was een pestdokter met een stok in de hand en een ravenmasker op. Achter deze sombere gestalte was een grote menigte te zien die met brandende fakkels en hooivorken niet veel goeds in de zin leek te hebben. Er werden dingen geschreeuwd over valse aflaten, de pest, sodomie, de stellingen van Luther en de toorn van God.
‘De pest gaat rond in de stad,’ zei de dokter met een doffe stem die gedempt klonk door het masker. ´De duivels branden de oogsten plat en de ratten vreten aan ons brood. Het is allemaal jouw schuld. Jij was de herder van onze zielen in de kudde, maar je gedroeg je als de bok.’ Met deze woorden wees de pestdokter met zijn stok naar Celestio en prikte hem ermee tussen de ribben.
Celestio slaakte een hoge kreet van angst en rende de trappen naar de bibliotheek op, achterna gezeten door de woedende meute. Hij wilde zich bij Annecke in de veilige kooi verstoppen maar zij had nu de sleutel en liet hem buiten staan. Glimlachend zag ze dat hij door de menigte werd gegrepen, wanhopig klampte hij zich nog even aan de tralies vast, zijn bezwete gezicht rood en opgezwollen.
‘Stel me de vraag uit het boek Annecke,’ huilde hij. Dan zal ik zaligheid ontvangen als ik het antwoord weet.’
Annecke legde het boek rustig op het tafeltje naast de fauteuil en liep op hem af.
‘De vraag uit het boek is’… zei ze, ‘waarom jij nooit gemerkt hebt dat ik helemaal niet lezen kon.’
-/\-
De dageraad gloorde aan de horizon, het begon te lichten in het oosten. Onder het venster van de bibliotheek hing Celestio´s lichaam stil aan de galg die hij voor Annecke had laten oprichten.
Annecke kwam naar buiten en trok, zoals het in die dagen de gewoonte van het bijgelovige volk was, de broek van de gehangene naar beneden, niet alleen om de gestrafte te bespotten en te beschimpen maar vooral om te kijken of hij naar de hemel was gegaan of niet. Had het lijk een opgericht geslacht, dan was hij zeker in de hemel bij de engelen in de genade en zaligheid des Heeren. Wees het echter naar de grond, dan was dit een teken dat zijn ziel aan het branden was in de hel.
Pater Celestio had blijkbaar nog een van de allerlaatste deugdelijke aflaten voor zichzelf bewaard, want ondanks al zijn zonden bleek zijn geslacht toch schuin omhoog te wijzen, naar de strakblauwe hemel. Toegejuicht en aangemoedigd door het toegestroomde volk sneed Annecke nu kalm de ballen van Celestio af. Ze legde ze in een met stro gevuld kistje, droogde ze zorgvuldig in het herbarium van de bibliotheek en begroef ze daarna in de kloostertuin. Daar groeiden er binnen een nacht twee walnootbomen uit, die tot de dag van vandaag vrucht dragen.
Na die nacht is Annecke uit de stad verdwenen. Er wordt gefluisterd dat ze nog een enkele keer stroomopwaarts is gezien – samen met een zeeridder in de richting van de bergen waar de zalmen gaan …
[1] De pad werd in de Middeleeuwen in verband gebracht met onoirbare sexualiteit en wellust.
