![]()
Artwork: Henry B. Kummel
Door de toenemende wind en striemende regen, worstelde Eloa vooruit. De wind rukte aan haar rokken en haar schoudermantel.
In de verte zag ze de rook van de plekken waar zout gewonnen werd. In dit weer konden ze geen zilt turf verbranden, maar het zoutzieden in de zoutketen, de schuurtjes waar zout verdampt werd uit as van zilte turf en zout water, ging onder alle weersomstandigheden door.
De regen sloeg recht in haar gezicht, maar toch moest ze verder. Ze moest naar de tempel. Niet alleen moest ze Nolwen en Elwina bijstaan in hun gebeden, er moesten wellicht ook kostbaarheden naar hogere grond gebracht worden. De tempel lag, logischerwijs, aan het water en daar was nu haar plaats.
Nolwen, de hogepriesteres, bad al sinds het middaguur. Niet voor beter weer, het weer was een onderdeel van de natuur en van de wateren. Ze bad voor iedereen die door dit weer op en bij het water in gevaar kon zijn. Het water geeft en neemt, ze konden alleen maar bidden dat het niet te veel zou nemen deze keer.
***
Robine hijgde en sloeg verward haar ogen op. Van het ene op het andere moment liep ze niet meer door noodweer, maar zat ze op een smal zandstrandje in heerlijk lenteweer. Ze keek naar haar hand, en bevestigde wat ze eigenlijk al wist: ze had een bot vast, een vingerkootje. Dat betekende dat ze weer een visioen had gehad.
In gedachten ging ze terug naar de eerste dag hier in Zeeland.
‘Zo, zijn jullie daar eindelijk?’ vroeg meneer Beerendonk lachend, toen ze uitstapten bij het surfstrandje.
‘Als u een goede routebeschrijving had gestuurd, of een duidelijk punt voor de GPS, dan waren we hier een uur geleden al geweest,’ zei Toine vrolijk terug. ‘We hebben wel een broodjeszaak gevonden in Brouwershaven. Als u uw telefoon had opgenomen, had u kunnen kiezen.’
Robine keek het glimlachend aan, ze kenden elkaar lang genoeg om te weten wat iedereen het liefst at.
‘We hebben extra, want u had het over een ander team?’ vroeg Robine.
‘Inderdaad. Ik had jullie beter moeten informeren, maar deze kans kwam zo onverwacht.’
Het strandje was afgezet, er kon momenteel niet gesurft worden. Op uitgespreide zeilen lagen archeologische vondsten, maar ze zagen nergens afgegraven geulen.
‘Ik was oorspronkelijk niet uitgenodigd voor deze ‘opgravingen,’’ meneer Beerendonk tekende de aanhalingstekens in de lucht terwijl hij praatte, ‘want het ging om een volslagen ander tijdperk dan waar wij normaal aan werken; de middeleeuwen.’ Hij wenkte ze mee naar een van de zeilen en wees. ‘Maar er zijn amforascherven gevonden en mozaïekdelen, die van veel eerder lijken te zijn.’
‘Zijn we de enigen?’ vroeg Robine voorzichtig.
‘Nee, ik kon niemand anders bereiken, dus Friso is ook onderweg.’
Toine en Robine keken elkaar even aan.
‘Zullen we eerst een poosje aan het werk gaan, en straks bij jullie broodjes bijpraten? Wat jullie sowieso moeten weten, is dat we niet aan het graven zijn, maar aan het duiken. Ons onderzoeksobject ligt onder water.’
Robine en Toine vonden dat bijzonder interessant, maar wachtten rustig af en begonnen met het sorteren van de bovengehaalde materialen.
‘Dit moet naar het biologisch-archeologisch lab om te kijken wat erin zat,’ zei Robine over de amforascherven. ‘Als ze dat kunnen vinden na zoveel jaar onder water.’
‘Ja, ik ben benieuwd. Zuidelijker in Zeeland zaten veel Romeinen, maar over Schouwen-Duiveland is niet veel bekend. Er is het een en ander gevonden nabij Burgh-Haamstede, maar niet veel. Al is Colijnsplaat, waar die tempel is, nou ook weer niet zó ver hiervandaan.’
‘Er werd ongetwijfeld gevist hier, maar deden ze vis in amforae?’ Robine keek een beetje twijfelachtig naar de scherven die ze aan elkaar paste.
‘We komen er vanzelf achter,’ vond Toine.
Ze concludeerden al vrij snel dat, in ieder geval op het oog, de amforascherven inderdaad hoorden bij een veel ouder tijdperk dan de middeleeuwen. Ook de kleine stukjes mozaïek die er lagen, pasten in dat plaatje.
‘Dan moeten we nu maar eens naar de botten kijken. Deze botten zijn gevonden rond dezelfde plek als de scherven, dus voorlopig hebben ze die bij onze tijd ingedeeld,’ zei Toine.
Robine aarzelde.
‘Wat is er? Jij wil toch ook graag weten of er inderdaad mensen woonden hier in de eerste en tweede eeuw?’
‘Natuurlijk, maar carbon-dating duurt lang. We hebben geen idee of hier middeleeuwse botten liggen, of oudere.’
‘Jij kan er veel sneller achter komen …’ Toine keek haar verwachtingsvol aan. Hij was erbij geweest, twee van de drie keren dat ze visioenen kreeg door oude botten. Hij begreep haar vreemde gave en vond deze behulpzaam voor de wetenschap.
Ze keek om zich heen. Iedereen was ergens anders aan het werk.
‘Ik weet het niet, Toine … Ik zie iedere keer dingen die achteraf razend interessant zijn, maar terwijl ik het meemaak, is het meestal niet zo’n lolletje. Ik zie het niet als een film, maar beleef het alsof ik in haar huid zit. Ik voel wat zij voelt. En als ik daar nare dingen meemaak, ben ik daarna hier overstuur, of ga ik over m’n nek. Ik kom over als een hysterisch vrouwmens, of als een freak en dat wil ik niet!’ Al pratend werd haar stem steeds hoger.
Toine sloeg een arm om haar heen.
‘Je lijkt geen freak, absoluut niet. Niemand vindt dat. Maar ettertjes als Friso proberen je zo neer te zetten, ik snap dat je dat akelig vindt.’
‘En hij zet anderen tegen me op, die vinden me ook raar. Jij weet er alles van …’
Toine knikte, hij was ook regelmatig het mikpunt van Friso’s treiterij.
‘We kunnen natuurlijk vast een voorproefje nemen, voordat Friso er is,’ zei hij op een vragende toon.
‘Ach jij!’ Robine porde hem vriendschappelijk in zijn zij. ‘Après moi le déluge,’ mompelde ze en pakte een botje op.
***
Met een pasgeboren lam onder haar arm liep ze tegen de wind in naar huis. De wind kwam uit het westen en rook nog nadrukkelijker naar zee dan normaal. Dat was natuurlijk verbeelding, op een eiland als dit rook het altijd naar zee. Het was een heerlijke straffe herfstwind, die alle muizenissen uit je hoofd waaide. Behalve natuurlijk de zorgen om het lam. Najaarslammetjes waren zeldzaam, vaak zwakker, en het had haar moeder verloren. Ze zou haar best doen om haar erdoor te slepen, en niet alleen omdat ze als ooitje waardevol was voor de kudde. Voor de godin telde ieder levend wezen.
Ze kwam het langhuis binnen en hing haar schoudermantel op een houten pen naast de deur.
‘Wat heb je daar, Eloa?’ vroeg haar moeder.
‘Een lammetje. De moeder is gestorven.’
‘Och, als we dat maar groot krijgen. Een pasgeboren lam is zoveel werk. En jij moet ook steeds naar de tempel.’ Moeder klonk vermoeid. ‘Vader en Ronan zijn voortdurend op zee en de kleine jongens zijn van vroeg tot laat bezig met oesters plukken … ik heb jou nodig voor de vissaus.’
‘Ik vraag Loëva wel of ze wil helpen, zij is onderhand groot genoeg.’
‘Toen Eloa die leeftijd had, voedde ze zelf al lammetjes op,’ viel grootmoeder haar bij. ‘Je moet je jongste niet zoveel verwennen. En we redden het werk best, als iedereen een handje toesteekt.’
‘Och ja, je hebt gelijk,’ zei moeder. ‘Het zal de wind wel zijn die me alles zwarter laat inzien. Het is lang geleden dat het zo hard waaide.’
‘Moet jij nog naar de tempel vanavond, Eloa?’ vroeg grootmoeder. ‘Geef mij dat lammetje dan maar, dan kan jij helpen met de vissaus.’
***
Robine kwam met een ruk terug naar het heden, toen meneer Beerendonk ze riep of ze kwamen lunchen. Ze schudde haar hoofd om echt terug te keren en knikte naar Toine. Die liet haar even met rust, en ging de broodjes uit de auto halen. Langzaam liep ze naar de picknicktafel, waar meneer Beerendonk het zich al gemakkelijk had gemaakt. Hij glimlachte dankbaar naar Robine, die het eten uitdeelde. ‘Zo,’ zei hij, ‘nou zal ik eens wat uitgebreider vertellen. In de middeleeuwen lag dáár,’ hij wees naar het water, ‘de stad Bommenede.’
‘In het water?’ vroeg Toine geïntrigeerd. ‘Och ja, water blijft geen eeuwen op dezelfde plek, dat zou ik onderhand moeten weten.’ Hij grinnikte.
‘Ja. Het is een lang verhaal, maar het komt erop neer dat er op een gegeven moment besloten werd om de dijken,’ hij gebaarde naar de dijk verderop, ‘zo neer te zetten dat Bommenede daarbuiten viel. De stad was toen al grotendeels verlaten. In de middeleeuwen was het een eiland. Daarom zijn we ook niet aan het opgraven, maar aan het opduíken. Het middeleeuwenteam is al een maand of wat bezig, en heeft vorige week dingen gevonden die blijk gaven van veel oudere bewoning hier.’ Hij pauzeerde voor een paar happen van zijn broodje. ‘Friso is laat,’ merkte hij daarna op.
‘Gaat ‘ie ook kamperen?’ vroeg Toine, met een strak gezicht.
Daardoor lachten ze hard toen het middeleeuwenteam aan kwam lopen. Friso’s kieskeurigheid was iedereen bekend.
‘Wat is er zo grappig?’ vroeg een van de nieuw aangekomenen.
‘Een inside joke,’ zei Toine onmiddellijk. ‘We lachten jullie niet uit.’ Hij stak zijn hand uit. ‘Ik ben Toine Philips.’ De anderen stelden zich ook voor. Sander de Boer was een man van Toines leeftijd, meneer Claes was net als meneer Beerendonk al wat ouder en ook professor in de archeologie. Hij kwam uit Vlaanderen en begon meteen te vertellen over Vlaamse Cisterciënzers die hier rond 1153 een abdij stichtten. Robine stelde zich ook voor en bood broodjes en blikjes drinken aan. Dat brak het ijs en ze zaten daarna genoeglijk de opgravingen, of opduikingen, zoals Toine ze noemde, te bespreken. En natuurlijk de geschiedenis van het eiland Bomnee, zoals het heette toen het voor het eerst opdook in de geschiedenis.
‘Toen David voor het eerst met een halve Romeinse amfora bovenkwam, konden we onze ogen haast niet geloven,’ zei Sander. ‘Het was ook echt bijna een halve amfora, niet zomaar een scherf. En daarna een aantal stukken aardewerk die suggereerden dat Bonnemee bewoond werd in de eerste eeuwen na Christus.’ Hij keek op zijn smartwatch.
‘De duikers zijn over tien minuten weer boven, zijn er nog genoeg broodjes voor hen?’
Robine knikte. ‘We dachten dat het andere team groter zou zijn, en ik heb graag genoeg mee.’
Met krijsende remmen stopte er een auto. Ze zagen een rode Corvette, waar Friso uitstapte. Hij keek een beetje hooghartig naar de picknicktafel.
‘Goedemiddag Friso,’ zei meneer Beerendonk zo hartelijk mogelijk. ‘Kom erbij zitten. Toine en Robine hebben voor broodjes gezorgd.’
Friso leek een aantal opmerkingen in te slikken en begroette beleefd zijn nieuwe collega’s. Terwijl ze praatten, kwamen twee mensen in duikpak uit het water. Ze legden ieder een volle zak neer bij de archeologische artefacten en begonnen zich van hun uitrusting te ontdoen.
‘Komen jullie eten?’ riep Sander.
Een van de twee stak bevestigend zijn duim op. De ander was een vrouw. Zodra ze haar duikpak uittrok, kwam er een massa blond haar tevoorschijn.
‘Nee maar, Jacqueline!’ zei Friso verbaasd. Hij liep de twee een eindje tegemoet. Friso en de vrouw begroetten elkaar hartelijk.
‘Het is een beetje primitief natuurlijk, dat krijg je met dit vak,’ hoorden ze Friso zeggen. ‘Maar de broodjes komen volgens mij uit een goede winkel, dus je kan het risico wel lopen.’
Toine keek Robine aan en rolde met zijn ogen.
‘Ik neem graag een broodje, wat een verwennerij,’ zei de mannelijke duiker. Hij had al twee happen op, voor hij ‘oh sorry’ mompelde, gauw zijn mond leegat en zich voorstelde. Hij heette David. ‘Wie heeft het eten verzorgd?’ vroeg hij, tussen weer twee happen door.
‘Robine natuurlijk, samen met Toine,’ zei meneer Beerendonk.
‘Ja, zij komen altijd met eten aanzetten,’ zei Friso, het klonk afkeurend.
‘Wat heerlijk,’ zei David.
‘Nou en of,’ zei meneer Beerendonk meteen. ‘En het werk lijdt er niet onder. Vooral Robine weet overal wat lekkers te vinden.’ Hij knikte haar hartelijk toe.
Toine lachte en zei: ‘Die ijssalon in Wemyss …’ met een dusdanig zwijmelende blik, dat iedereen moest lachen en hij meteen moest uitleggen hoe verschrikkelijk veel ijs hij in Schotland had verzwolgen.
Robine bood David een blikje drinken aan en kreeg een stralende glimlach. Ze voelde haar wangen warm worden.
Na het eten gingen Toine en Robine verder.
‘Je zag wat hè?’ vroeg hij.
‘Nog niet veel, ik was een jonge vrouw uit beslist een eerdere tijd dan de middeleeuwen. Het langhuis waar ze woonde was veel ouder dan dat, en half in de grond gebouwd. Er gebeurde niks spectaculairs gelukkig.’
‘Gaan we verder?’ Toine klonk enthousiast.
‘Ik heb zo weinig gezien dat ik meer wil weten, maar aan de andere kant kan ik nu nog makkelijk stoppen … Maar Friso deed net al zo klierig, als hij nou weer bij de anderen gaat lopen stoken, zij kennen me niet zoals jij me kent …’
Alsof hij keurig op tijd het toneel opliep, hoorden ze Friso’s stem:
‘Kijk ze daar nou schattig zitten met z’n tweeën, Jacqui. Het lijkt wel een stelletje. Maar vergis je niet!’
Friso, Jacqueline en Sander stonden stil. David, er vlak achter, automatisch ook.
‘Heb je weer vreselijke veldslagen gezien, Robine? Of feministische neanderthalers? Nee, daarvoor hoeft Toine je niet te troosten. Zo’n geitenwollensokkenmuts als jij is dol op feministen. Je haalt ze er bij iedere opgraving bij.’
Een klaterend, maar onecht, lachje van Jacqueline klonk over het strandje.
Robine voelde Toine zachtjes in haar schouder knijpen.
‘Je moet het me vanavond maar uitgebreid vertellen,’ zei Jacqueline, ‘maar David en ik moeten weer het water in.’
David aarzelde even, maar liet zich meetrekken naar het water.
Robine huilde bijna. ‘Nou sta ik weer volkomen voor …’ ze slikte een hartiger woord in, ‘voor páál bij mensen die ik niet ken.’
‘Maakt het uit, als je ze nooit meer hoeft te zien?’ vroeg Toine zachtjes.
‘Nee, maar ik … nee, eigenlijk niet. Laten we maar verder gaan.’
***
Na de heerlijke wandeling in de frisse wind, viel de stank van de hut waarin de vissaus gemaakt werd als een loodzware deken op haar. Ze knoopte een sjaal over haar neus en mond. Hoe vaak ze dit ook deed, sommige geuren raakte ze nooit aan gewend.
De ketels saus stonden boven smeulende vuurtjes, de inhoud mocht niet koken. De saus moest zeker drie manen lang staan, zodat de vis kon fermenteren. Drie ketels vol schaaldieren stonden zachtjes te pruttelen.
Ze pakte een lege ketel en knoopte een grof geweven doek eroverheen. Langzaam goot ze de saus die klaar was erdoorheen. Alle resten schelp en andere ongeregeldheden werden zo gezeefd. Ondanks dat ze het al jaren deed, en ondanks de sjaal voor haar gezicht, bleef de geur van rottende vis misselijkmakend.
Na het zeven, zette ze een aantal amforae klaar, met de punt in de aarden vloer van de hut geprikt. ‘GARVM’ was erin gekerfd. Ze kon niet lezen of schrijven, maar een aantal tekens en woorden had ze wel leren herkennen. Dit betekende vissaus.
Ze sloot de amforae met een stukje hout en bijenwas, zodat ze waterdicht bleven.
Daarna startte ze een nieuwe saus. Grootmoeder had mosselen, oesters en kokkels uit de schelp gehaald, die gingen een schone ketel in, om en om met een laag zout en kruiden. Dille, tijm, venkel, koriander en munt gingen erin voor de beste smaak. Vissaus van de Marsacii was bijzonder gewild.
Ze maakte een nieuw turfvuurtje, en zette de ketel daarboven, op drie steunen, gemaakt van gebakken klei. Zo werd de saus niet te heet.
***
Robine kwam langzaam weer terug in de 21e eeuw, en was eerst verbaasd en daarna opgelucht dat ze de stank van rottende vis niet meer rook. Hier op het strandje rook het naar zee en zout en maar heel vaag naar schaaldieren. Ze zocht tussen de amforascherven.
‘Toine, kijk!’ riep ze enthousiast. ‘Deze staan de letters GAR/ op. Dat zou zo’n vissausamfoor die Eloa gebruikte kunnen zijn.’
Zowel Friso als Jacqueline wilden niet kamperen. Ze gingen wel mee voor een barbecue en werkbespreking.
Robine liet zich tot aan de supermarkt door Toine uithoren over wat ze had gezien, maar daarna focusten ze zich op boodschappen. Ze hadden er budget voor meegekregen. Toine had Sander gevraagd of hij mee wilde, maar die had wat chagrijnig geweigerd.
‘Zit het je nou niet dwars, dat jij als vrouw weer wordt aangewezen voor de boodschappen?’ vroeg Toine, maar half plagend.
‘Ach, ik ben niet zo’n rabiate feministe als Friso beweert. En zolang we maar geen vissaus halen, vind ik alles prima,’ zei Robine. ‘Ik denk niet dat ik dat ooit nog eet.’
‘We hebben nu wel vast een idee wat er in de amforae zat,’ bedacht Toine. ‘Morgen eens kijken of we die inscripties vinden.’
In een prima stemming kwamen ze bij de camping aan. Meneer Beerendonk had de barbecue al aangemaakt en zat met meneer Claes te praten.
Friso zat wat verderop, met de anderen. Hij had een arm om Jacqueline heengeslagen en zat vertrouwelijk naar de rest toegebogen. Hij hield duidelijk een heel betoog.
Toine rolde weer met zijn ogen. Meneer Claes was door meneer Beerendonk al ingelicht over Robines gave.
‘Zei je dat ze het over de Marsacii hadden,’ vroeg hij.
‘Er werd niet over gepraat, Eloa dacht eraan,’ zei Robine.
‘Hmmm, de Marsacii worden door Plinius de oudere genoemd, maar slechts een keer. Kan je dat ergens gelezen hebben?’ Het klonk niet onvriendelijk, maar ook niet alsof hij haar geloofde.
‘In principe wel natuurlijk, ik had Latijn op school, maar als we Plinius hadden gelezen, had ik me dat vast herinnerd. Ik moest het zelf net ook opzoeken, want het zei me niks.’
Ze praatte terwijl ze de spiezen bakte, maar haar ogen gleden diverse keren naar het andere groepje. Elke keer als ze keek, zag ze David naar haar kijken. Ze keek dan maar gauw weer weg, want zoals hij vanmiddag naar haar had gelachen, deed hij niet meer.
***
In de avondschemering liep ze naar de tempel. Deze was gebouwd naar Romeins ontwerp, met een zuilengalerij rondom. Ondanks dat het eigenlijk wat ver was van waar de rivier de zee bereikte, werden toch beide godinnen hier vereerd. Volgens Nolwen, de hogepriesteres, was het water in de smalle strook die hen van het land scheidde, ooit zoeter geweest. De tempel stond dicht bij het water, maar ver genoeg dat zelfs de hoogste vloed alleen de vloer onder water zette. De beide afbeeldingen van de godinnen bleven altijd droog. Binnenkort zouden de dag en nacht precies even lang zijn, dan werd het oogstfeest gevierd. De tempel moest dus schoongemaakt worden.
Samen met Elwina, de andere priesteres in opleiding, haalde ze een emmer zeewater en met een heideborstel begonnen ze met schrobben. Eerst de afbeelding van Nehalennia, godin van de zee en zeevaart, maar ook van het leven. De godin was weergegeven als een jonge vrouw, net iets ouder dan zijzelf. Ze droeg vanzelfsprekend de schoudermantel, die iedere vrouw hier droeg. Achter haar was een schip te zien.
Ze gingen aan de slag met het schoonmaken van de steen van Burorina. Burorina was eveneens afgebeeld met een schoudermantel, maar ook met een kap en sluier op het hoofd. Zij was een oude vrouw. Achter haar was een vis in een net te zien.
‘Elwina, welke vis zit er in dat net?’
‘Een zalm,’ antwoordde Elwina zelfverzekerder. ‘Zalmen zwemmen tegen de rivier op en Burorina is de godin van de rivier.’
‘Goed. Wat doet een hert dan bij een riviergodin?’
‘Zij is ook de godin van de winter en beschermt de herten in de harde winter. Op diezelfde manier beschermt ze ons.’ Elwina poetste met een devote blik op haar gezicht verder.
‘Eloa, hoe zit het met de andere dieren?’
‘Burorina is een oude, wijze vrouw. De uil is ook wijs en symboliseert tevens de naderende dood. Waar Nehalennia voor het leven staat, staat Burorina voor de dood. De kat is ook wijs, met veel intuïtie. In de winter, als de nachten lang zijn, hebben we dat nodig om sterk te staan en bij onszelf te blijven. De mand hout,’ ging ze ongevraagd verder, bang om de draad kwijt te raken, ‘symboliseert de warmte die zij ons geeft in de winter, en het offer dat we hier brengen tijdens midwinter.’
‘En de hulst,’ Elwina onderbrak haar, wilde duidelijk niet achterblijven, ‘is de enige loofboom die groen blijft in de winter, en rode bessen draagt. Een symbool van hoop in de kou en het duister van de winter.’
‘Heel goed meisjes,’ zei Nolwen prijzend. ‘Jullie hebben goed opgelet en zullen binnen niet al te lange tijd klaar zijn om zelf priesteres te worden.’
***
Robine was opgelucht dat ook het tweede visioen zo rustig was verlopen. Misschien zou het deze keer allemaal wel meevallen. Ze greep onmiddellijk haar notitieboekje en begon als een razende alles op te schrijven.
Toen ze opkeek, zat niet alleen Toine bij haar, maar ook David.
‘Vertel op!’ zei Toine meteen. ‘Wat heb je meegemaakt?’
‘Het is geen feuilleton,’ lachte Robine onzeker.
‘Ik ben ook heel benieuwd, Robine,’ zei David een beetje aarzelend. ‘Friso heeft veel verteld over je visioenen, maar ik vraag me af of zijn verhalen niet een beetje … gekleurd zijn.’
‘Tsja, ik zie wel altijd vrouwenlevens, en twee keer bleken vrouwen wat machtiger te zijn geweest dan hij dacht. En-’ ze schoot in de lach. ‘Hij krijgt nog gelijk ook.’
Toine gebaarde enthousiast dat ze door moest gaan.
‘Er was ook twee keer sprake van een bijna volledig onbekende godin. Nu weer, en maar liefst twee,’ zei Robine, en vertelde het verhaal. Eerst nog een beetje aarzelend, maar David leek werkelijk geïnteresseerd.
‘Weet een van jullie wat een schoudermantel is?’ vroeg ze.
‘Geen idee,’ zei Toine, ‘dat zoeken we op.’ Hij greep zijn telefoon en begon te typen.
‘Graag,’ zei Robine, ‘jij hebt hier beter bereik dan ik.’
‘Een schoudermantel is een soort korte cape,’ vertelde Toine. ‘Een die alleen de schouders bedekt. Meer dan een kraag, minder dan een echte cape. Later werden ze ook wel pellerine genoemd.’ Hij liet de plaatjes zien.
‘Ja, dat klopt wel met de afbeeldingen van de godinnen die ik zag,’ zei Robine.
‘Waren het votiefstenen?’ vroeg David.
‘Ja, maar zo noemden ze die niet in die tijd. Het waren voor Eloa afbeeldingen van haar godinnen.’
***
‘Mag ik jou wat vragen?’ vroeg David aarzelend aan Toine, toen ze alleen waren.
‘Ja natuurlijk,’ Toine pakte nog een pilsje en na een vragende blik en bevestigend knikje gaf hij er David ook een.
‘Jij bent best close met Robine, toch?’
‘Ja, we zijn inmiddels goede vrienden geworden.’ Toine vroeg zich af waar dit heenging.
‘Volgens Friso is ze stapelgek. Jacqueline gelooft hem. Sander ook, die wil niet eens met haar praten …’
‘Friso kletst uit zijn nek. Hij is misogyn en Robines bijzondere gave snapt hij niet.’
‘Is het een gave?’ David draaide nerveus zijn bierflesje rond.
‘Ik vind van wel. Ik ben ervan overtuigd dat ze dingen ziet die echt gebeurd zijn. Het klopt altijd met de werkelijkheid. We hebben twee keer heel grote vondsten gedaan, dankzij haar visioenen.’ Hij vertelde hoe ze in Zwitserland een grotwoning van neanderthalers hadden gevonden, en in Schotland resten van een Pictisch dorp. ‘Ze beleeft het wel heel intens, en als de vrouw in wier huid ze zit iets heftigs meemaakt, voelt Robine zich behoorlijk rot naderhand. Jij zou ook kotsen als je de slag in het Teutoburgerwoud meemaakte.’
‘Oh shit, echt wel!’ David rilde. ‘Maar eehh… hoe close zijn jullie eigenlijk? Ik zag je laatst met je arm om haar heen …’
Toine schoot in de lach. ‘We zijn absoluut beste vrienden, maar meer niet. Heeft Friso je niet verteld dat ik op mannen val?’
David zat hem met open mond aan te kijken.
‘Ik weet niet waarom hij dat niet verteld heeft, meestal houdt hij er niet over op. Misschien voelde hij vanaf het begin al wat chemistry tussen jullie twee … het zou me niks verbazen.’ Hij keek David vragend aan.
‘Ze heeft toch niet ergens anders een vriend?’
‘Nee hoor, Robine is vrijgezel, ik zou zeker een kansje wagen als ik jou was.’
David vroeg nu ook vol eerlijke belangstelling naar Toines liefdesleven, die op zijn beurt vertelde over Helmut, een archeoloog uit Duitsland, met wie hij een geweldige klik had.
‘Er is voor deze zomer een vaag plan om weer naar Duitsland te gaan, dus dan mag je voor me duimen.’
***
Lachend en zingend liepen de eilandbewoners naar de tempel van de godinnen voor het oogstfeest. Er stond een straffe wind en de lucht was leigrijs, maar het was droog. Iedereen droeg een offer: voornamelijk fruit of graan. Eloa’s moeder was de hele dag bezig geweest met duivekaters bakken. Iedereen legde hun offer aan de voeten van Nehalennia. Daarna dankte Nolwen haar voor de goede oogst en haar bescherming.
‘Nehalennia, vrouwe van zee en van leven, wij danken u dat ons de hele zomer beschermd heeft. Geen van onze mannen is omgekomen op zee en de oogst van het land was overvloedig.’
Het was een lang gebed en Eloa probeerde zoveel mogelijk te onthouden. Ooit zou ze dit zelf doen.
Na het gebed was er tijd voor iedereen om zelf te bidden, te danken of te vragen. Buiten de tempel werd er feest gevierd. Een groep mensen met rietfluiten, trommels en een harp maakten de muziek die bij het oogstfeest hoorde en de eilandbewoners dansten en zongen naar hartenlust.
Ze danste met een leuke jongen, een van de zoutzieders, toen de wind plotseling veel harder werd. Maar een paar tellen later braken de wolken open en stortte de regen op de stam neer.
Nolwen stuurde ze naar huis.
‘Dit wordt een heftige storm,’ zei ze. ‘Het is beter om nu naar huis te gaan en te zorgen dat daar alles veilig is. Dit gaat wel een paar dagen duren.’
Eloa nam de arm van grootmoeder, om haar naar huis te begeleiden.
‘Wat is nou weer een duivekater?’ vroeg Robine zich hardop af. Voor Eloa was het iets doodgewoons geweest, maar zij kende het niet.
Toines internetverbinding moest weer uitkomst brengen. Een duivekater bleek een zacht, zoet witbrood te zijn. Iedereen kreeg zo’n trek van het lezen, dat meneer Beerendonk ze voor de lunch liet halen.
Robine was blij dat ze al wel eens gedoken had, zodat ze nu mee kon het water in, om aan te duiden waar de tempel gestaan had. Iedereen hoopte dat er nog wat van over was.
Friso had met Jacqueline het extra materiaal opgehaald en zij en David hielpen nu diegenen die minder duikervaring hadden.
Onder water vond Robine het moeilijk zich te oriënteren. Het eiland had er in Eloa’s tijd heel anders uitgezien. Ze dwong zichzelf als een archeoloog naar het verdronken eiland te kijken en begon toen duidelijker delen van een middeleeuwse stad te zien. Ze zwom richting de oostkant van het eiland, waar ze de tempel wist. Daar kwam ooit, zelfs voor Eloa’s tijd Burorina’s rivier in de zee. Ze moest een paar keer terug naar boven om een aantal hogere stukken land te gebruiken als oriëntatiepunten. Niet dat dat hetzelfde waren als toen, maar zeker de hogere delen leken er meer op.
Toen ze vrij zeker was dat ze op de goede plek was, ging ze dieper naar beneden en gaf aan dat ze daar moesten zoeken. Natuurlijk hielp ze zelf ook mee. Ze zag juist een stuk steen dat leek op de tempel die ze zich herinnerde, toen ze het benauwd begon te krijgen; wanhopig zoog ze lucht in, maar het leek wel alsof ze niet genoeg binnenkreeg. Ze graaide naar haar mondstuk en tikte op de zuurstofmeter. Hoe kon die al helemaal op nul staan? Ze begon in paniek te raken en haar handen graaiden voor zich in de modder naar houvast.
***
Sinds het feest van gisteravond, had Nolwen al de meeste offers naar hogere grond gebracht. Die konden na het noodweer weer terug. Nu lag de priesteres op haar knieën en gebood haar twee leerlingen dit ook te doen. Ze moesten bidden voor alle mensen die door dit weer in nood konden komen. Voor eenieder die met dit weer op het water was, vissers en reizigers, voor diegenen die aan de kust woonden.
‘Het water geeft en neemt,’ zei Nolwen keer op keer. De meisjes herhaalden het. De godinnen beschikten over het weer en het water.
Eloa voelde het zeewater de tempel in sijpelen. Eerst werd de vloer vochtig, daarna nat. Het was beslist ongemakkelijk om in te knielen, maar de tempel kon niet onderlopen … toch? Diverse gebeden lang kwam het nauwelijks hoger, maar ineens met een grote golf, zaten ze tot hun middel in het water. Eloa keek naar Nolwen, die gebaarde dat ze moesten gaan staan.
‘Als we staand bidden, horen de godinnen ons ook,’ zei ze.
‘Moeten we ons niet in veiligheid brengen?’ fluisterde Elwina, ‘het water heeft nog nooit zo hoog gestaan.’
‘We zijn priesteressen van Nehalennia en Burorina. We laten ons niet door een beetje water wegjagen,’ zei Nolwen vastberaden, en begon weer te bidden. ‘Het water geeft en het water neemt …’
Eloa zag in Elwina’s ogen haar eigen angst weerspiegeld. Met trillende stem bad ze verder. Ineens hoorde ze een gedonder, nog harder dan het onweer en het volgende moment liep de tempel onder. Ze gilde en het water liep in haar neus en mond. Ze werd tegen de achterwand gedrukt, tegen de afbeelding van Nehalennia. Ze probeerde de andere kant op te gaan, maar de vloed was veel sterker dan zij. Ze slikte het water weg, maar het bleef komen en ze kreeg geen lucht. Ze begon licht in haar hoofd te raken en in wilde paniek probeerde ze boven het water uit te komen, maar toen ze het dak raakte, was ze nog steeds onder water. Langzaam werd het rustig in haar hoofd. Het water geeft en neemt, dacht ze, en liet zich drijven.
***
Robine sloeg wild om zich heen. Ze moest naar boven, ze moest de tempel uit! Iemand peuterde haar vuist open en haalde er iets uit. Hij trok het mondstuk uit haar mond en gaf haar een ander. Zalige, heerlijke lucht! Robine haalde met diepe teugen adem en liet zich meetrekken. Boven het water zag ze dat het David was die haar had geholpen. Het was zijn eigen mondstuk dat ze had.
‘Drijf maar,’ zei hij, ‘ik zwem ons wel naar de kant.’
‘Het water geeft en neemt,’ mompelde Robine.
‘Gelukkig nam het deze keer niets,’ zei David.
‘Eloa wel. Daarom was ik zo bang. Ik verdronk, nee, zíj verdronk. Maar op zo’n moment zijn we niet echt verschillende mensen …’
David zei niks, maar sloeg een arm om haar schouders en hield haar even stevig tegen zich aan.
Langzaamaan kwamen de anderen ook boven. Robine was gelukkig de enige die in de problemen was geraakt.
‘You did it!’ brulde Toine, zodra hij zijn mondstuk had uitgespuugd. ‘Je hebt het ‘m weer geflikt!’ Er zijn daar beneden onwijs veel stukken van de tempel van Nehalennia en Burorina. Er zijn votiefstenen voor allebei!’
Meneer Beerendonk kwam met een stralende lach aanlopen. Hij had een stuk steen in zijn hand, dat hij voor Robine neerlegde. Duidelijk zichtbaar was de naam BVRORINA.
Robine glimlachte, nog een beetje bibberig.
Meneer Claes liep rustiger naar hen toe. ‘Ik ben je excuses verschuldigd, Robine. Ik geloofde niet in jouw visioenen, hoewel ik ze best boeiend vond. Maar deze tempel hadden we zonder jou niet kunnen vinden. Jij wist precies waar hij was.’ Hij stak, een beetje aarzelend, zijn hand uit. Robine pakte die onmiddellijk en glimlachte.
‘Meneer Claes, het is zelfs voor mij iedere keer nauwelijks te geloven. Ik ben wel heel blij met deze vondst.’
Sander, Jacqueline en Friso kwamen met een grote steen aansjouwen. Meneer Beerendonk wenkte nadrukkelijk, dus ze legden de steen in de buurt van Robine neer. De naam NEHALEN/ was afgebroken, maar de afbeelding was duidelijk. De jonge vrouw met het schip.
‘Kijk,’ zei Robine, daar staan de manden met de offers. En die hond stond voor trouw.
‘Die haan heb ik nog nooit gezien op een steen van Nehalennia,’ zei Toine.
‘Die offerden ze ook,’ zei Robine.
‘Robine,’ zei Sander beschaamd, ‘Ik ben een flapdrol geweest.’
‘Dat viel toch wel mee?’ Robine keek hem vragend aan.
‘Ik geloofde alles wat Friso over je zei. Ik ben daardoor ook niet aardig geweest ofzo. Ik heb niet eens met je willen praten.’ Ook hij stak zijn hand uit.
‘Ik vind het erg jammer, Friso,’ zei meneer Beerendonk. ‘Sceptisch zijn kan ik begrijpen, maar jij roddelt en verspreidt daardoor een bijzonder onprettige sfeer. Je hebt nu vaak genoeg gezien dat Robines visioenen waar zijn, dus ik hoop dat driemaal scheepsrecht is. Dat je er nu in gaat geloven, of op zijn allerminst dat je je als een sociaal mens gedraagt.’
Friso keek een beetje schaapachtig en mompelde iets dat vaag als ‘sorry’ klonk. Hij liep gauw weg en ze hoorden allemaal het brullen van de motor van zijn auto.
‘Ben ik heel brutaal als ik nu vraag of je ons ook bij de middeleeuwse opgravingen wil helpen?’ vroeg Sander met scheefgehouden hoofd.
‘Ja,’ zei Robine, ‘dat is bijzonder brutaal. Maar als ik de tijd kan vinden, help ik graag.’
‘Dat zou ik fijn vinden,’ hoorde ze Davids stem, zacht en heel dichtbij. ‘Ik blijf ook nog een poosje.’
