![]()
Toen Sergio negenhonderdachtennegentig was
.
Roage was verdacht stil en Sergio kon het niet nalaten zijn vriend en zakenpartner een beetje te plagen. Hij zond een gecodeerde laserstraal naar de ontvanger op Roages pak: ‘Gaat het? Het vacuüm is niet voor iedereen.’
‘Geen enkel probleem!’ antwoordde die via hetzelfde medium terwijl hij hopeloos overcompenseerde en dreigde zichzelf te lanceren uit de schaduw van de kleine krater van de astroïde. Gelukkig greep zijn tot ruimtepak omgebouwde reispak in en met korte luchtstootjes keerde Roage terug naar zijn plek.
Sergio bekeek het geheel een goedmoedig stilzwijgen. Ooit was hij negentien jaar lang een vrijspringer geweest en had hij in het vacuüm buiten de arcologieën geleefd. Nul-g had geen geheimen voor hem en het was prettig dat zijn instincten na al die eeuwen nog steeds prima werkten.
De sterren boven hen verduisterden voor een ogenblik en toen nog een keer. En nogmaals.
De draken zijn gearriveerd! Sergio hoefde het Roage niet te vertellen, de oudere spielmeester had het ook opgemerkt.
Sergio wenkte hem. Kom. De draken hadden absolute geheimhouding bedongen. Roage en Sergio hadden geen verbinding met de informatiesfeer. Niemand wist dat zich in de puinvelden van mijnstation 90427172-Oezter in het Querdiry-stelsel bevonden. Ondanks de microzwaartekracht klauterden ze met enige moeite langs de uiterst brokkelige rotswand omhoog: springen was niet verstandig. Uiteindelijk bereikten ze de rand.
De drie draken zaten verspreid over de rotsen, hun zonnezeilvlerken voor een klein deel gespreid en hun hoofden op de twee mannen gericht. Voor vacuümlevers waren ze tamelijk compact, hun lichaam niet groter dan een forste vrachtzwever. Ze hadden lange ledematen, een dunne nek en een hoofd met een maalmond, plasmasmelters en snorhaartentakels. Hun laserogen lagen diep verzonken in hun de carbon schedel. De kleinste van de draken had een voornamelijk gouden tekening, de tweede was rood en de grootste zo zwart dat hij of zij bijna onzichtbaar was.
Ze zouden ons zonder moeite kunnen verzengen en geen haan die er naar zou kraaien. Maar goed, ze hebben niet voor niks contact gezocht via de club van vrije lieden. Ze hebben bedreven spielmeesters nodig die zich in arcologieën kunnen voortbewegen. Ik ben benieuwd wat hun voorstel is.
#
‘Als ik ooit berooid ben en ik ook geen spielmeester meer kan zijn, ga ik werken als kunstcollectieschikker!’ sprak Roage enthousiast. Hij en Sergio zaten in een trendy koffiekokosbierbar in de hipste wijk van Deisterdamne, de hoofdstad van de behoorlijk uit de kluiten gewassen Mendseter-arcologie. Roage had sinds twee weken het uiterlijk van een lang, humanoïde, geslachtsloos persoon met artistieke lichtgroene krullen en een megagrote neus waaromheen de rest van zijn gezicht was gegroepeerd. Zijn loodgrijze huid met glittercellen suggereerde een subtiele indruk van romige zachtheid. Hij droeg een pak met een patroon van kleine zwart-witte blokjes en een botergele dahlia in zijn knoopsgat. ‘De kunstverzameling van Zieckinar Oloeblue is niet alleen gigantisch van omvang, mijn werkgever heeft, en dat is een zeldzaamheid bij miljardairs, ook gewoonweg smáák. Het is een genoegen om elke dag voor zijn villa en buitenverblijven een expositiepalet aan geschikte kunstwerken samen te stellen.’
‘Je hebt je roeping misgelopen, mijn beste vriend,’ grapte Sergio. ‘Vergeet echter niet waarvoor je bent. Een rol is een rol en de uitverkorene is en blijft een uitverkorene.’
‘Tsk, vertel een steelvos hoe hij op suikerriet moet zuigen! Een echte spielmeester weet altijd dat het spiel voorop staat.’
‘Uhuh,’ was het bijna neutrale antwoord van Sergio. Natuurlijk had Roage gelijk, maar Sergio was ervan overtuigd dat Roage in zijn duizenden jaren de nodige keren het spiel uit het oog was verloren en zich te veel identificeerde met de besognes van de uitverkorene. Net als ikzelf. Ik heb provenu’s laten lopen omdat ik de uitverkorene te sympathiek vond. Het was een taboe dat onder spielmeesters zelden werd besproken.
Roage veranderde van onderwerp. ‘Het pakket komt straks aan? Je hebt een betrouwbare kliniek die je kan integreren?’
Sergio knikte tweemaal. Dit was een klus die de capaciteit van een gewone lichaamssalon ver te boven ging. Uit veiligheidsoverwegingen had Sergio het lichaam buiten het Querdiry-stelsel laten maken en via een reeks van anonieme maatschappijtjes geïmporteerd. De kliniek was geregeld via de club van vrije lieden en bood absolute discretie. ‘Ik ben benieuwd!’
Ze doen pas wat als ze jou als gijzelaar hebben.’
‘Ik zie het meer als “gast”,’ wierp Sergio tegen. ‘Maar ja, je hebt gelijk, het is een paranoïde stelletje. Het zit ingebakken in de soort. Roven en plunderen zit in hun aard en ze zien ons ademhalers als een stelletje bemoeizuchtige indringers die hen allerlei lastige beperkingen opleggen. De plaatselijke ordediensten hebben hun handen vol aan die vacuümvliegers. Nog geen eeuw geleden moest de Keizerlijke Ruimtemarine nog ingrijpen. Dat zijn ze niet vergeten.’
‘Des te rijper de vrucht, des te zoeter het sap,’ haalde Roage aan.
‘Totdat de rot toeslaat,’ vulde Sergio het traditionele spreekwoord aan. ‘Maar goed, ze hebben te maken met de twee beste spielmeesters van de Bekende Ruimte. Zelfs als ze dubbelspel willen spelen, hebben ze geen schijn van kans.’
Roage grinnikte. ‘Daar drink ik op.’ Hij hief zijn bolle glas kiezentrekker koffiekokosbier.
Sergio hief zijn eigen glas met romige kornuit koffiekokosbier.
#
Terwijl Sergio met zijn nieuwe lichaam buitelingen maakte in de schaduw van de verlaten arcologie kon hij het niet nalaten om zichzelf te bekijken via de sensoren van zijn ruimtedrones die met hem meevlogen. Hij moest toegeven, het resultaat was beslist spectaculair. De tekening van zijn schubben was oranje-paars, hij voelde elk puntje van zijn zonnezeilvlerken en ondanks de lengte van zijn ledematen en hals, zeiden zijn hersenen dat alles vertrouwd was. Na wat afstellen werkte de vertaalverbinding tussen zijn eigen humanoïde lichaam en het drakenlichaam inmiddels perfect.
Sergio klemde zich met zijn klauwen vast aan een scheefgezakte takeltoren van de dode arcologie en richtte de plasmawerper in zijn mond op een dikke laag gruis die zich aan de buitenwand van de kunstmatige wereld had vastgezet. Wooneenheid-074335-EMQ was al zevenhonderdvijftig jaar het onderwerp van een verbeten juridische strijd tussen twee ex-compagnons en werd zolang niet meer bewoond of onderhouden. Het was dé plek om iemand ongezien aan een drakenlichaam te koppelen.
De stroom pure plasma maakte korte metten met het ruimtestof. Sergio loeide inwendig van vreugde. Schreeuwen in het luchtledige had weinig zin.
Kan ik voelen waar mijn eigen lichaam ophoudt en het omhulsel begint? Nee, niet echt. Helemaal niet. Dit was verreweg het grootste lichaam dat hij zich ooit had aangemeten en in tegenstelling tot de voorgaande vermommingen was dit drakenlijf geen uitbreiding van zijn eigen humanoïde lichaam, maar een aparte schil waarin zijn humanoïde lijf verzonken lag. Niettemin voelde het als één, onlosmakelijk geheel.
Na nog wat uitprobeersels landde Sergio naast Roage die in zijn luchtdichte reispak dicht bij de luchtsluis was gebleven. Het vacuüm was duidelijk niet diens element.
‘En?’ gebaarde Roage.
Sergio stak één van zijn gekromde klauwen op en bewoog die drie keer op en neer, het teken dat alles in orde was.
Roage maakte een gebaar dat een goede reis uitdrukte: een zwaaiende hand. Het was een fundamentele groet die vrijwel bij ieder humanoïde ras te vinden was.
Sergio knikte met zijn massieve hoofd en zette zich af tegen de buitenwand van de arcologie. Vanaf nu was de communicatie met Roage beperkt en verliep die via een lange reeks van anonieme verbindpunten. Als de autoriteiten of de Keizerlijke Ruimtemarine ooit de logs van de weerwortverbindingen zouden bekijken, zouden ze niets wijzer worden.
De zon scheen op zijn vlerken, zijn maag zat vol met xenon: de omstandigheden waren ideaal voor ionenvoortstuwing. Op zoek naar mijn nieuwe soortgenoten en makkers in het spiel.
#
Een brede gordel van astroïden in het Querdiry-stelsel was het reservaat van de draken. Arcologieën mochten zich niet in de zone bevinden, net zoals mijnbouw aldaar illegaal was. De paar honderdduizend draken die het gebied bevolkten hadden elk hun eigen territorium dat ze met veel verve verdedigden en tegelijkertijd voortdurend probeerden uit te breiden. De enige momenten dat draken tot samenwerking bereid waren, was gedurende gezamenlijke rooftochten naar nabijgelegen arcologieën en mijnstations. Iets wat de lokale autoriteiten natuurlijk met relatief veel succes probeerden te voorkomen. Het was een precaire, gewapende vrede die zelden een lang leven beschoren was. Draken waren draken.
Een soort die in het diepe verleden van de mensheid waarschijnlijk ooit als een uit de hand gelopen grap is begonnen, maar die inmiddels in flinke delen van de Melkweg te vinden is. Vechtlust en roofzucht zit in hun DNA ingebakken en draken die van die norm afwijken, worden niet oud, of ze laten zich ombouwen naar een andere soort vacuümlever, of zelfs een ademhaler. Zal ik de kans krijgen één van die befaamde drakenholen van binnen te zien? Nee, waarschijnlijk niet. Draken laten andere draken absoluut niet toe in hun veste.
Sergio overschreed de denkbeeldige grens van het reservaat en vloog naar de asteroïde die hij als ontmoetingsplaats op had gekregen. Het was een brokkelige verzameling puin waar geen enkele draak zich ooit zou vestigen. Hij zeilde de schaduw van het gevaarte in en zag hoe een goudkleurige draak vanachter een bergtop verschijnen. Het was één van het drietal dat eerder met Roage en hem had gesproken.
Ah, contact. Sergio seinde met zijn laserogen ten teken dat hij de draak had gezien.
De draak versnelde en strekte de klauwen.
Botskoers!
Sergio’s krijgsmodule greep in en diamanten klauwen schoven op het laatste moment naar buiten.
De botsing deed Sergio wegbuitelen van zijn oorspronkelijke koers, maar hij had geen tijd om zich daar druk over te maken. Zijn tegenstander had zich vastgehaakt en diens wangen gloeiden: het teken dat de plasmasmelter opwarmde.
Kronkelen, krassen, proberen uit de vuurlinie te blijven. De andere draak was niet veel sterker, maar had oneindig meer ervaring in drakengevechten.
Sergio’s kansen waren klein en hij wist het.
Zijn krijgsmodule zag een opening en met een erg ondrakerige zwaai deelde hij een massieve kopstoot uit.
Een boog van plasma sputterde onschuldig de ruimte in, dat gevaar was geneutraliseerd.
Het voordeel was van korte duur. De gouden draak kronkelde en had plots zijn tanden om Sergio’s lange drakennek.
Hij beseft niet dat onthoofding geen fluit uitmaakt. Mijn echte lichaam ligt diep in dit drakenlijf verborgen. Sergio verslapte, een teken van overgave.
De draak liet los en keek Sergio rechtstreeks aan. Rode laserogen brachten de boodschap over. ‘Ik ben Slie, ademhaler. Ik overwon je.’
Een vrouwennaam. Dit is een vrouwtjesdraak. Hoorde Sergio ergens ver in zijn achterhoofd het gegiechel van Homo Fortuna? Natúúrlijk loop ik tegen een vrouwelijk exemplaar aan. Sergio was zich terdege bewust van zijn persoonlijke valkuilen. Hm, een drakenvrouw …?
‘Ik ben Sergio, je overwon mij, Slie,’ seinde hij terug in ondergeschikte codering.
‘Precies.’
De rangorde is vastgesteld. Waarschijnlijk is zij de zwakste van de drie, maar ze is zeker die ademhaler de baas. Typisch drakendenken.
‘Mijn partner is op zijn plaats. Hij zal ons de precieze route van het transport doorgeven,’ sprak Sergio met zijn laserogen. Gedachtenspraak is zoveel gemakkelijker, maar draken vertrouwen het niet. Je moet dapper genoeg zijn om een draak in de ogen te kijken als je hem of haar wilt spreken.
‘Wanneer?’ Laserspraak was vol subtiliteiten die Sergio nog niet onder de knie had, maar aan de pulssnelheid en gebruikte lichtfrequentie te zien, klonk dit meer als een eis dan een vraag.
‘Snel. Volgens de laatste berichten is men bijna klaar met het verwerken van de tuplixerts. Nog tien, vijftien uur. Daarna wordt het onder bewaking naar de buitenplaneten verscheept.’ Tuplix was één van die complexe stoffen die zich extreem moeilijk liet printen, wat het dus waardevol maakte. En alles van waarde trok zowel ruimteschuimers als draken en andere rovers aan. Het transport voerde niet door het reservaat van de draken, maar vloog er waarschijnlijk dichtbij genoeg langs om het te kunnen kapen.
‘We wachten hier.’
‘Ja.’
Slie’s ogen vlamden op en ze liet haar tanden zien. ‘Dat is míjn besluit, ademhaler. Daag je mij uit?’ Haar wangen begonnen alweer te gloeien.
Sergio startte zelf met het opwarmen van zijn plasmawerper. ‘Mijn naam is Sergio en ik ben een draak. Zonder mij is er geen buit.’
Slie’s wangen werden heter en heter, ze spreidde instinctief haar vleugels om groter te lijken.
Sergio week niet. In het ergste geval beschadigt ze dit drakenlichaam, maar mijn humanoïde lichaam zit veilig weggeborgen. Ik heb een gerede kans het te overleven.
De patstelling duurde vijf, tien tellen of een eeuwigheid. Toen ontspande Slie enigszins. ‘Sergio.’
Het was genoeg een overwinning om te accepteren.
Ze wendde haar hoofd af. Ten teken dat ze hem niet waard vond om in te gaten te houden en al helemaal niet om met hem te spreken.
#
De vrachtcapsule was gecamoufleerd maar Sergio kon hem zien en hij wist zeker dat de andere draken het ook konden zien. De informatie van Roage klopte. We hebben hier niet voor niks liggen wachten.
Opgerold in hun vlerken waren de draken zo goed als onzichtbaar, een eigenschap die de soort zo succesvol maakte op hun rooftochten. Bereig, de grootste draak, vouwde nu zijn vleugels open, direct gevolgd door het andere mannetje Tjau en Slie. Sergio volgde een tiende seconde later.
Als wraakvogels schoten ze op de vrachtcapsule af, hun ionenvoortstuwing versterkt met een overdadige uitstoot van hydrogeen. Vier draken die zich spoedden in de richting de rechthoekige klomp van de vrachtcapsule. Het ruimteschip was niet meer dan een serie van vier gekoppelde containers met een aandrijving en afweergeschut op strategische punten. Een dure bemanning ontbrak.
Vurige sporen schoten van de vrachtcapsule. Het schip ondernam geen poging om te draken te ontwijken, ze waren al te dichtbij.
Bereig en Tjau vingen de schoten op met hun gepantserde lichamen, terwijl Slie en Sergio – beiden kleiner en sneller – op de massieve vrachtcapsule landden. Met ontzagwekkende snelheid sprong Slie op de eerste geschutstoren af en ontwrichtte die met haar drakenkracht.
Sergio deed hetzelfde, aanzienlijk langzamer en met meer moeite.
Nu waren Bereig en Tjau ook bij de vrachtcapsule aangekomen en weldra stond geen enkele geschutskoepel meer overeind.
De draken haastten zich naar het slot van het curlbon net dat de containers omvatte.
Sergio zag Bereigs en Tjau’s vlerken van woede en frustratie opvlammen. Tjau draaide zich om naar Slie en Sergio stond dicht genoeg bij haar om Tjau’s laserspraak te kunnen lezen: ‘Een curlbon slot. Dat valt niet open te breken!’
Zelfs drakenklauwen hadden geen enkel effect op gestolde tijdruimte. Niets in het universum kon het materiaal schaden. Zolang het onverwoestbare slot het onverwoestbare net bijeenhield, konden ze de containers niet kapen.
Zonder te overleggen bekeek Sergio het slot. Hij had een zeker talent als kluizenkraker en met vlagen verdiepte hij zich in de nieuwste mechanieken en sloten. Ah, een kartelslot. Vijf schijven met elk acht mogelijkheden. Geen elektronische onderdelen, puur mechanisch. Met genoeg tijd viel het slot door iedere amateur te kraken, maar dat was precies wat ze niet hadden. De vrachtcapsule had onvermijdelijk de autoriteiten al gealarmeerd en over een half uur was ontsnapping naar het reservaat met de buit onmogelijk.
Sergio diepte het ontwerp van een kartelslot op uit zijn geheugen. Het was niets meer een verzameling van onverwoestbare curlbon tandwielen, tuimelaars en andere onderdelen. Een code werd bij het vertrek ingesteld en pas doorgeseind naar de eindbestemming als de vracht veilig was gearriveerd. Waarschijnlijk was de code gebaseerd op ware willekeurigheid, wellicht een medewerker die met een achtkantige dobbelsteen in de weer was geweest.
Hm, dít onderdeel vergrendelt de code, terwijl dat palletje zorgt voor… Ah. Dat wordt op zijn plaats gehouden door een veertje dat níet van curlbon is. Als we…
Sergio richtte zijn hoofd tot de drie daken en wapperde met zijn vlerken om aandacht. ‘Wanneer we het slot voldoende verhitten, smelten bepaalde niet-curlbon onderdelen en dan kan ik het open krijgen.’ Woorden als ‘wellicht’ of ‘misschien’ ontbraken in de drakenspraak.
Er was geen discussie, de drie draken richtten hun monden op het slot en de stralen van drie plasmasmelters kwamen erop bij elkaar. Sergio voegde zijn eigen straal eraan toe.
Sergio’s ogen namen de temperatuur waar en in gedachten liep hij de smeltpunten van de meest gangbare materialen na. Pas als het veertje niks meer was dan een borrelend plasje metaal, maakte hij een kans.
‘Genoeg.’
Terwijl de container onder het slot nog steeds witheet gloeide – curlbon zelf nam geen warmte op en liet iedere vorm van straling ongehinderd door – pakte Sergio het slot beet en hij rammelde eraan. Na twee keer schudden had hij het gewenste resultaat: de vijf tuimelaars klikten en het curlbon net werd vrijgegeven.
Het ver genoeg afstropen van het curlbon net was een peulenschil.
Elk van de draken selecteerde een container om mee te slepen naar zijn of haar eigen uitgeholde astroïde. Om de één of andere onbekende reden hadden draken de curieuze gewoonte rijkdom te vergaren vanwege de rijkdom zelf. Ze onderhielden opzettelijk weinig contacten met andere lieden, of elkaar, en besteedden nog minder aan zaken van ademhalers of andere soorten wezens die in het vacuüm leefden. Het was een vreemd ras met nare gedragingen en gewoontes.
De grootste draak, Bereig, wendde zich tot Slie die beduidend kleiner was. ‘Ik neem jouw container.’ Er lag blijkbaar meer eer in het beroven van een soortgenoot dan het stelen van een vermomde ademhaler.
Sergio besefte dat de andere draak Tjau op zijn beurt de kans niet zou laten lopen en zich Sergio’s buit zou toe-eigenen. Er was maar één manier om dat te voorkomen. Hij spreidde uitdagend zijn vlerken en keek nadrukkelijk naar Bereig. ‘Eén draak kan je wel aan, maar niet twee tegelijk. Als je met Slie vecht, vecht je met mij. De term ‘bondgenoot’ in de drakenspraak dekte alleen het gezamenlijk bestrijden van buitenstaanders. Een draak die een soortgenoot hielp tegen een andere draak lag ver buiten het begrippenkader van deze soort.
De vlerken van Bereig verschoten zo snel dat Sergio geen idee had van de emoties, maar de grote draak had duidelijk moeite het hele concept te verwerken. Sergio voegde er daarom aan toe: ‘Ik ben een ademhaler, maar in een drakenlijf. Alle ademhalers zijn gek. Iedereen die Slie aanvalt, val ik meteen aan.’
Tjau had het geheel even met nieuwsgierigheid bekeken, maar zijn geduld was nu op. Hij greep zijn container beet en zonder zich verder aan iemand te storen, vloog hij weg met zijn buit. Het bondgenootschap was over en met die krankzinnige ademhaler erbij, viel er niks extra’s te halen.
Na een lang moment van intense spanning waarin er niets werd gezegd, maar Bereigs blik heen en weer schoot tussen Slie en Sergio, pakte de grote draak ook een container en met gestrekte zonnezeilvlerken vertrok hij.
Slie wendde zich tot Sergio en sprak met haar ogen: ‘Jij gaat met mij mee.’
Wees direct. Subtiliteit is aan draken verspild.
‘Nee, ik ga mijn weegs.’ Roage komt daarnaartoe met een ruimtevlieder. Hij heeft inmiddels het landhuis van Zieckinar Oloeblue en diens uitgebreide kunstcollectie verlaten.
‘Je gaat met mij mee. Anders dood ik je, ademhaler.’
Sergio twijfelde voor een moment lang en gaf toen toe. In een gevecht was Slie hem de baas. Als zijn drakenlijf ernstig door haar werd beschadigd, zou hij nooit op tijd weg zijn voordat schepen van de ordediensten arriveerden. Ze vindt twee containers meeslepen te veel werk en gebruikt mij als kruier. De conclusie bood weinig troost.
‘Goed,’ zei hij tegen Slie. Ondertussen: ‘Ik kom niet naar het punt. Eén van de kameraden neemt me mee. Ik laat je meer weten,’ seinde Sergio via de informatiesfeer over naar een anoniem verbindpunt dat de boodschap via een lange reeks zou doorzenden naar Roage. De afspraak was dat ze geen rechtstreeks contact hadden. En de omstandigheden zijn nog niet ver genoeg geëscaleerd… Hij zette de verbinding weer direct uit. Een actieve verbinding kon getraceerd worden. Draken hadden wat dat betreft gelijk met hun communicatie via laserogen en vlerkenkleuren.
Sergio pakte een container – zíjn container, verdorie! – en begon Slie te volgen.
#
Ik ben één van de uiterst weinige ademhalers die ooit in het hol van een levende draak heeft bezocht, dacht Sergio en hij betrapte een ondertoon van optimisme in zijn eigen gedachten. Als ik het overleef tenminste.
Misschien had Slie de astroïde ooit zelf uitgehold of had ze haar hol veroverd op een andere draak, of misschien was de rotsklomp een verlaten mijn. De draak had het in ieder geval háár hol gemaakt: iedere hoek en nis was volgestouwd met de vergaarde buit van minimaal tientallen rooftochten: zeldzame grondstoffen, geplunderde containers met goederen die het waard waren om te verschepen in plaats van ergens ter plekke te printen, losgerukte onderdelen van ruimteschepen en arcologieën. Grijpeksters, kwam in Sergio’s gedachten boven drijven. Die kwetterende vogels hadden ook de neiging alles te stellen wat maar glom om er hun nest mee te bekleden. Draken hadden dezelfde neiging. Heeft iemand in het verre verleden misschien ooit grijpeksters omgebouwd naar ruimtedraken, met genoeg intelligentie om als nieuwe, zelfbewuste soort te worden beschouwd? Het was een mysterie wat misschien opgelost kon worden met verregaand genetisch onderzoek, maar dat was niet het soort van spitwerk waar Sergio ook maar in de verste verte was geïnteresseerd. Een raadsel dat iedere dilettant met genoeg geduld op kon lossen, was geen echt mysterie. Dat was niks meer dan een mathematische som waarvoor een antwoord moest worden berekend. Het waren allemaal angstige afleidingsgedachten. Ik ben hier in het hol van een draak. Ik snap dat ze mij nodig had om de tweede container te vervoeren, maar waarom dwong ze mij naar binnen te gaan? Zover Sergio het wist, was dat allesbehalve typisch gedrag voor draken.
‘Je hielp mij tegen Bereig. Waarom?’
‘Als Bereig jouw buit zou afpakken, dan zou Tjau mijn container afpakken. Op deze manier verloor Tjau zijn geduld en vertrok.’
‘En nu heb ik twee containers.’ De twee containers met tuplix lagen opengebroken in een hoek, de ruwe erts fonkelend als een hoop glimdiamanten.
Puur voor de vorm liet Sergio zijn vlerken verschieten, maar zijn gedachten onderzochten duizenden optiepaden. Ze heeft me niet binnengelaten om te vechten, ze heeft bewezen dat ze sterker is dan ik. Mij hier binnen doden dient geen enkel doel. Het is alleen maar lastig, dunkt me.
Haar vlerken vlamden intenser, haar wangen begonnen al te gloeien.
Sergio doofde de emotie van zijn vleugels.
‘Je hebt het rare hart van een ademhaler, maar je bent een draak.’ Ze liet haar ruwe haaktong langs haar maaltanden gaan. Haar klauwen schoven langzaam naar buiten en weer naar binnen en haar staart bewoog verleidelijk heen en weer als een wiegende balletcobra.
Verleidelijk? Sergio bekeek of de signalen van de vertaalverbinding wel klopten en toen daagde het besef. Hij wist waarom Slie hem binnen had genodigd.
Met opgewonden oorbewegingen sprong Slie op Sergio af.
Hij kon de boodschap in haar ogen niet helemaal lezen, maar het was iets als: ‘Onderwerp je’ gevolgd door een onvertaalbaar begrip wat wellicht een koosnaampje was. Of wat daar in drakenspraak voor doorging.
#
‘Sergio, waar ben je!’ Roages gedachtenspraak via de informatiesfeer klonk beslist bezorgd.
Sergio verroerde geen vin, Slie zat nog volledig om hem heen gestrengeld en leek te soezen. Het was echter een absolute zekerheid zodra Sergio ook maar een snorhaar bewoog, ze ogenblikkelijk wakker zou zijn en dat was iets wat Sergio zo lang mogelijk wilde voorkomen.
‘In het hol van de draak Slie, deze coördinaten.’ Sergio gaf zijn precieze locatie door: een astroïde niet al te diep in het drakenreservaat. Hij gaf een snelle samenvatting van de gebeurtenissen.
Roage floot en vroeg: ‘Draken zijn toch niet hetzelfde als arachnida?’
‘Nee, de vrouwen proberen niet na de daad de partner de kop af te bijten, maar draken zijn extreem eenzelvige lieden. Slie gaat nooit mijn aanwezigheid lang verdragen. Het beste waar ik op kan hopen is dat ze me naar buiten gooit, waarschijnlijk zonder buit. Meer voor de hand ligt helaas dat ze mij daadwerkelijk de kop afbijt of iets van dien aard. Gewoon omdat ik te aanwezig ben. Vechten, vluchten, samen op rooftocht of paren, dat is zo’n beetje het hele sociale verkeer van draken. Vechten overleef ik niet, vluchten kan ik niet en de twee andere zaken hebben we al gedaan.’
Roage liet gelukkig een observatie zoals ‘Dat moet een bijzondere ervaring zijn geweest’ achterwege. Hij besefte de precaire positie van Sergio. ‘Gebruik je niet onaanzienlijke charmes om in leven te blijven, ik regel een extractie. Ik kan over vier uur bij je zijn met een ruimtevlieder. Op maximaal vermogen ben ik uiteindelijk iedere draak te snel af.’ Draken waren sprinters die vanuit een hinderlaag toesloegen, hun zonnezeilvlerken, ionenaandrijving en hydrogeenstoten waren niet geschikt voor een langdurige achtervolging.
‘Vier uur? De hele vrijpartij nam een kwartiertje in beslag! Het is geen subtiele of geduldige soort.’
‘Doe je best, Sergio. Ik ben al naar je onderweg.’
Onder en om hem heen voelde Sergio beweging. Slie begon te ontwaken.
Als een bezetene vloog Sergio door alle erotische modules die hij ooit had geladen uit de informatiesfeer en zijn aanzienlijke batterij aan technieken die hij in de loop der eeuwen had vergaard en ontwikkeld. Een drakenlijf was één en al schubben die bedoeld waren om harde straling en het koude vacuüm te weerstaan. Er waren weinig plekken die ook maar enigszins gevoelig waren.
De binnenkant van de klauwen, precies tussen de schedes in! Een voetmassage! Gelukkig had hij een heel repertoire op dat gebied.
Ze draaide zich naar hem toe, haar ogen – en mond met haar tanden en plasmawerper – waren slechts een armbreedte van hem verwijderd. Slie’s spieren begonnen zich al te spannen.
‘Geen uitdaging, een vraag. Mag ik iets doen wat ademhalers met hun paringspartners doen?’ Het kwam er niet elegant in drakenspraak uit, maar blijkbaar begreep ze hem.
Slie gaf geen antwoord, maar het was ook geen verbod.
‘Ik pak je klauw beet, maar ik val je niet aan.’
Nog steeds waakzame stilte.
Sergio wendde zijn blik af en boog zijn hoofd naar Slie’s dichtstbijzijnde ledemaat. Zijn haaktong wikkelde zich een paar keer om de basis van de klauw.
Een rilling trok door Slie heen, gevolgd door een spannen van haar lichaam. Haar klauwen schoven uit haar schedes.
Met uiterste concentratie bracht Sergio één enkele klauw naar buiten. Hij zette de punt op de pols van de vrouwelijke draak en bewoog die toen langzaam naar de binnenkant van haar nu volledig uitgespreide klauw. Het klemmen van Slie’s lichaam werd met elke snelle hartenklop strakker en Sergio dacht de warmte van haar plasmawerper in de buurt van zijn achterhoofd te voelen. Pure verbeelding natuurlijk want vacuüm was een extreem slechte geleider. Hij zou pas echt wat voelen als ze haar hete adem op zijn schedel concentreerde.
Voorzichtig, o zo voorzichtig, gleed Sergio’s nagelpunt over de weke delen tussen Slie’s opengesperde klauw.
Een beet van diamanten tanden of een golf gloeiendheet plasma bleef uit. Het lichaam van de drakenvrouw ging een fractie minder strak staan. Ontspanning was een eindeloos verre bergtop, maar de eerste stap was gezet.
Sergio ging verder met de klauwmassage.
#
‘Ik ben er,’ meldde Roage via gedachtenspraak.
‘Ik kom eraan.’
Voorzichtiger dan Sergio ooit in zijn leven was geweest, gleed hij langs Slie heen.
De vrouwelijke draak lag op haar rug te slapen met ontblote buik en gestrekte ledematen, precies op de stapel tuplixerts. Het was onmogelijk een container mee te slepen zonder haar te wekken.
Sergio waagde zich evenmin aan een greep in de andere vergaarde rijkdommen. Hij had geen idee hoe diep Slie’s sluimer was of hoelang die ging duren. Dit spiel was geen succes. Nou ja, ik heb de nodige dingen voer draken geleerd. Eén daarvan is dat een spiel met een draak totaal verspilde moeite is. Ze zijn gewoonweg niet te vertrouwen.
Hij kronkelde door de opening en de gang die hem naar buiten voerde. Haastig zette Sergio zich af tegen de astroïde en hij binnen een paar tellen zag hij een staketsel met een plasmamotor, een leefcabine en grijphaken voor containers en sleepnetten.
‘Sergio!’
‘Roage!’ Sergio dook op de ruimtevlieder af en zodra hij landde, zette Roage de motor op vol vermogen. Het was nu geen tijd om te beknibbelen op brandstof.
Een gouden figuur schoot uit de astroïde tevoorschijn: Slie. Haar zonnezeilvlerken spreidden zich en toonden een reeks van emoties waarin woede en uitdaging de boventoon voerden. Ze maakte echter geen aanstalten om achter de vluchtende ruimtevlieder met Roage en Sergio aan te gaan. Ze waren inmiddels te veraf om een eventuele boodschap in haar ogen te lezen.
Eenmaal op veilige afstand, veroorloofde Roage een grap: ‘Niet de eerste keer dat ik je red van een formidabele minnaar!’
‘Uhuh! Nou, ik ben blij dat je langskwam.’ Sergio keek om. De steeds kleiner wordende goudgele figuur van Slie draaide nog steeds rondjes rond haar nestrots. ‘Dit is een spiel met een negatief provenu. Niet geringe investeringen, onze buit ligt in een drakenhol en vroeg of laat komt de machtigste persoon in dit stelsel bij ons uit.’
‘Hoog tijd om te vertrekken,’ sprak Roage, niet echt uit het veld geslagen. ‘Soms stuiteren de dobbelstenen van Homo Fortuna van de tafel af. Niks aan te doen. Maar ik hoorde recent van een oud contact van me, een stofscharrelaar Blesmar, op de planeet O’oghon. Het is een flink eind reizen, maar het klonk als de moeite waard.’
‘Laat horen!’ zei Sergio terwijl hij de planeet O’oghon opzocht. Sergio maakte een gebaar dat vertrouwen en berusting uitdrukte. Roage was eerder op deze achterafplaneet geweest en voor hun komende onderneming waren solide lokale contacten onontbeerlijk.
###
