![]()
Ik heb de gewoonte elke dag te beginnen met een stevige wandeling langs de zeedijk, ongeacht de weersomstandigheden, maar die koppigheid leidt soms tot gevaarlijke situaties. Neem nu dat helse onweer op die onfortuinlijke dag.
Toen ik thuis vertrok was het nog maar lichtjes aan het regenen, maar nauwelijks tien minuten later barstte het onweer in alle hevigheid los. Er stak een fikse wind op, diepzwarte wolken verduisterden de hemel en plots kwam het water met bakken naar beneden. Ik had weliswaar een regenjas aangetrokken en een hoed opgezet, maar die bleken niet bestand tegen de ontketende natuurkrachten.
Binnen enkele tellen was ik doorweekt. Ik zocht naar een schuilplaats in de buurt, maar tevergeefs. Er zat niets anders op dan het natuurgeweld te ondergaan. De stormwind deed het zeewater over de dijk slaan, en ik besefte dat ik me in een gevaarlijke situatie bevond. De ene bliksemschicht volgde op de andere, en de donder knalde oorverdovend luid. Net toen ik me ernstig zorgen begon te maken en mijn koppige wandelroutine vervloekte, voelde ik me als meegezogen in een vloedgolf van kolkend water. Even veronderstelde ik dat een tornado me had meegesleurd, en toen werd alles zwart.
Ik kwam weer bij bewustzijn en vreesde het ergste – maar tot mijn opperste verbazing dreef ik niet rond in zee. Ik werkte me op mijn ellebogen rechtop, keek om me heen. Iemand moest mijn doorweekte kleren hebben uitgetrokken, en ik droeg nu een soort badjas. Ik wist niet waar ik ergens was. Door het enige raampje – rond, als een patrijspoort, maar zonder glas – zag ik blauwe lucht. Mijn eerste idee was: ik ben uit het water gered en zit op een boot. Toen kwam ik overeind en wierp een blik naar buiten. Ik schrok me rot toen ik de zee ver onder me zag. Blijkbaar bevond ik me hoog in de lucht, maar waarin? Een vliegtuig, een ballon, een zeppelin?
Ik draaide me om toen ik iemand op de deur hoorde kloppen. Een man stak even zijn hoofd binnen en zei: ‘Oh, je bent wakker. Welkom in Nieuw Amsterdam. Ik veronderstel dat een paar woordjes uitleg wel op hun plaats zijn.’
‘Nieuw Amsterdam?’ vroeg ik verbaasd. Daar had ik nog nooit van gehoord.
‘We hebben je per ongeluk mee opgeschept,’ ging de man verder. ‘Onze excuses daarvoor. Dat had eigenlijk niet mogen gebeuren. Maar je liep dan ook ergens rond op een plaats waar geen normaal denkend mens wil zijn bij zo’n zwaar onweer. Dus het is ook een beetje je eigen schuld. Maar maak je geen zorgen, alles komt weer terecht.’
‘Waar ben ik?’ vroeg ik. ‘En wat bedoel je met me per ongeluk mee opscheppen?’
‘Nieuw Amsterdam is een luchtschip,’ zei hij. ‘We leven hier met een vijftigtal mensen. Naast de zee is de lucht de enige plaats op aarde waar we nog kunnen leven. We, dat is wat rest van de mensheid. Het hele vasteland zit onder het hellekruid, dat alles heeft verzwolgen. Dat zie je straks wel. En dat opscheppen, ja. Ik leg het even kort uit. We hebben zoet water nodig. We vangen wat regenwater op, maar dat volstaat niet. We perfectioneerden een techniek om bij zwaar onweer gebruik te maken van de elektrische ontladingen om een scheur te maken tussen parallelle werelden, waarbij we in korte tijd een grote massa zoet water kunnen overhevelen. Met af en toe een leuk extraatje bij.’ Hij grinnikte even en wenkte me hem te volgen door een gang die trilde en schudde in de wind. Ik had eerlijk gezegd mijn bedenkingen bij zijn ‘korte uitleg’. Die klonk alsof hij recht uit een B-film kwam. Water tappen via een scheur in een parallel universum? Komaan, zeg. Aan de andere kant had ik geen enkele verklaring voor mijn aanwezigheid op dit luchtschip. Misschien gaf ik deze mensen voorlopig maar het voordeel van de twijfel.
‘Onze vriend is wakker,’ zei de man tegen een groepje dat zich aan het klaarmaken was.
‘Kom maar mee,’ zei een van de mannen. ‘We zijn net aangekomen boven Nieuw Oostende, een van onze trouwe handelspartners. We gaan een deel van onze zoetwatervoorraad inruilen tegen voedsel. Zij hebben niet genoeg water, wij hebben nauwelijks toegang tot visvangst en mosselbanken en dergelijke. Als we samenwerken lukt het nog net. Kijk maar, daar beneden.’
Ik wierp een blik uit het raampje – ook hier zonder glas – en zag een enorme vlotstructuur samengesteld uit boten in alle maten en vormen, pontons en ander drijvend materiaal. Ik zag hoe kabels werden neergelaten, waarmee het luchtschip verankerd werd aan de drijvende stad. Daarna volgden touwladders, waaraan een tiental mannen snel afdaalden.
De zaken werden blijkbaar snel geregeld, want de mannen klommen terug naar boven met manden en potten waarin wellicht voedingswaar zat – vis en zeevruchten, nam ik aan. Anderen gingen naar beneden met kruiken, ongetwijfeld met zoet water dat ze zopas hadden opgevangen. Het hele proces duurde nauwelijks een kwartier, dan werd het luchtschip losgekoppeld en zette het zijn weg voort.
Het luchtschip vloog boven zee, waarbij de wind ongestoord door de gangen en ruimtes blies, en er onophoudelijk vervaarlijk gekraak en geknars weerklonk. Dit was bepaald geen rustige leefomgeving.
Een vrouw kwam me mijn kleren terugbrengen, die inmiddels weer droog waren. Toen werd ik even alleen gelaten omdat er ‘werk aan de winkel’ was. Ik vroeg me af hoe het was om in zo’n luchtschip te leven, dat blijkbaar nooit kon of mocht landen en dus altijd in de lucht hing. Hoe was het mogelijk in die omstandigheden onderhoudswerkzaamheden te verrichten, hoe zat het met inwoners met medische problemen, hoe konden ze hier kinderen grootbrengen? Het viel me toen op dat ik nog geen kinderen had gezien.
‘Hoe is het leven eigenlijk hier aan boord? En hoe besturen jullie zo’n luchtschip?’ vroeg ik aan een man die even kwam rusten.
Hij maakte enkele vage gebaren, en zei: ‘Een samenspel van wind, thermiek, zeilen, ballonnen, ballast en zo voort.’ Meer zei hij niet – ik kon van zijn gezicht duidelijk aflezen dat hij het niet nodig vond op mijn vragen diepgaand te antwoorden. Ik zat hier wellicht toch maar voor even – hoopte ik.
Toen we plots een stukje over land vlogen wees een vrouw naar beneden.
‘Zie je dat,’ zei ze. ‘Hellekruid. Vanwaar het kwam weet niemand, maar het veroverde in recordtempo het hele vasteland, dreef alle andere flora en fauna de dood in, en ons in de lucht en de zee. Daar houden we nog stand, maar we vechten een verloren strijd. De groene tsunami haalt vroeg of laat wel de bovenhand.’
Ik liet mijn blik over het landschap onder me spelen, zag eindeloze weelderige vegetatie die blijkbaar inderdaad alles had overwoekerd, een oerwoud van stengels en ellipsvormige bladeren die trilden en deinden als met een eigen leven.
‘Onze grootste vrees,’ ging de vrouw verder, ‘is dat de zaadjes van het hellekruid ongemerkt aan boord van onze luchtschepen en drijvende steden komen, en hun veroveringstocht voortzetten. En dan zijn we gezien. We moeten dus constant waakzaam blijven.’
Een poos later werd het schip gegrepen in felle rukwinden, en iemand riep dat er regenwolken aankwamen, en misschien zelfs onweer. Plots had niemand nog oog voor mij en was de hele bemanning druk in de weer met allerlei voorbereidingen. Onweer? Zou dit mijn kans zijn om terug ‘naar huis’ te gaan? Zou er zich weer zo’n scheur openen, waar ik dan handig doorheen kon glippen? Hopelijk kreeg ik daarbij enige hulp…
Ik zette mijn verkenning van het luchtschip dan maar alleen verder, maar naarmate het in een alsmaar sterker windveld terecht kwam begon het vervaarlijk te schudden en kraken, en even vreesde ik dat het einde nabij was.
Ik had het moeilijk om rechtop te blijven, en bij een poging om een goed uitzicht te krijgen op het door vegetatie overspoelde land verloor ik mijn evenwicht, tuimelde ik achteruit en stuiterde een gang af. Ik probeerde me ergens aan vast te klampen, maar het luchtschip kantelde en draaide als een speelbal in de storm, en ik maakte een ongewilde en pijnlijke koprol en stortte naar beneden.
Ik raakte in paniek, vroeg me af of iemand me zou komen redden in het water, en of ik al zwemmend de kust zou kunnen bereiken, maar dat was buiten die agressieve plantenmassa gerekend. Veel tijd om hierover na te denken kreeg ik niet, want ik plonsde zwaar in het water en toen werd alles zwart.
***
Ik werd wakker op een bank op de zeedijk, met natte kleren, koud en klappertandend, koortsig en met felle hoofdpijn. Het was vroeg in de ochtend, er woei een fikse zeebries, maar van regenwolken laat staan onweer was er geen spoor meer. Had ik hier heel de nacht doorgebracht?
Toen merkte ik dat er enkele mensen om me heen stonden, die me vroegen of alles in orde was met me en of ze een ambulance moesten bellen.
Ik zei dat ik niets ernstigs had en dat ik best op eigen kracht thuis zou geraken. Ik vertelde uiteraard niets over mijn bizarre avontuur, waarvan ik nu besefte dat het wellicht een koortsdroom was geweest. Een scheur tussen parallelle werelden, luchtschepen die bij ons even zoet water kwamen tanken, de hele aarde in de greep van een alles verstikkende laag krioelende vegetatie, het was te gek om los te lopen.
Ik ging rechtop zitten, haalde een paar keer diep adem en kwam op wankele benen overeind. Ik kon hier niet blijven met die natte kleren, zo zou ik nog ziek worden.
‘Ik ga naar huis,’ zei ik tegen de mensen om me heen.
‘Ik ga zover met je mee,’ stelde een man voor. ‘Om zeker te zijn dat je behouden thuis komt.’
‘Dat is een goed idee,’ zei ik. ‘Zeer vriendelijk van u.’
Al wandelend begon ik me beter te voelen, maar ik was blij dat iemand me gezelschap hield. Ik bedankte de man nogmaals hartelijk toen ik thuis kwam, at en dronk wat en deed het voor de rest van de dag kalm aan. Ik was opgelucht dat het avontuur uiteindelijk nog goed was afgelopen.
Twee dagen later hervatte ik alweer mijn wandelroutine. Het was een frisse ochtend, er stond een briesje, er was geen wolkje aan de lucht. Onweer was uitgesloten.
Plots hield ik halt. Mijn oog viel op een klein plantje dat wortel had geschoten tussen twee plavuizen. Met zijn dikke stengel en ellipsvormige bladeren leek het verdacht goed op de vegetatie die ik in mijn koortsdroom had gezien op die andere wereld, de agressieve plantensoort die de hele planeet had verzwolgen. Maar dat was toch een koortsdroom geweest? Dat bizarre avontuur kon ik toch niet echt meegemaakt hebben? Nu leek het wel alsof enkele hellekruidzaadjes samen met mij door de scheur waren geglipt.
Ik schudde het hoofd, wist niet wat ik ervan moest denken. Toegevend aan een impuls bukte ik me, nam het plantje beet en wilde het uit de grond losrukken, maar het zat klemvast. Toen ik het plantje na enkele vruchteloze pogingen weer wilde loslaten bleek een van de stengels zich al rond mijn vingers te hebben gewikkeld. Wat ik ook deed, het nog onschuldig ogende plantje had me beet. Ik begreep het direct. De verovering van een nieuwe te ontginnen wereld was begonnen.
