![]()
Zoals alles wordt het station alleen nog erger. De loketten zijn al lang gesloten, een stationschef heb ik er nooit geweten. Er zijn camera’s, en daarmee is alles gezegd. Op een goede dag stoppen er twee treinen per uur, maar dat is overdag en dat boeit me niet. Stoppende treinen boeien me sowieso niet.
Goederentreinen, daarvoor doe ik het, en die daveren ‘s nachts voorbij. De droge duivenstront knarst onder mijn schoenen als ik om halfvier ‘s morgens naar de ingang loop. Het station is ‘s nachts niet gesloten, want er is geen deur om te sluiten. Er huizen geen junks of daklozen, want er is geen warmte en nauwelijks beschutting.
Een menselijk lichaam dat hier ‘s nachts op het spoor ligt, of valt, wordt door niemand opgemerkt. De camera’s werken, misschien, maar in het fletse licht van de lantaarns valt er niet veel te zien, als er al iemand zou kijken. Een infraroodcamera en artificiële intelligentie zouden natuurlijk toezicht kunnen houden, maar onze spoorwegen staan niet bekend om hun begrotingsoverschotten, technologische voorsprong of daadkracht. We zijn al blij als de trein rijdt, min of meer op schema.
Een geladen goederentrein die een beetje op dreef is, heeft een remafstand van meer dan een kilometer. Daar kan een camera niets aan doen.
De nacht is koud en windstil. Ik draag een hoed en een lange jas, maar die is eigenlijk te dun, en ik huiver. Er zijn sterren, maar de perronlantaarns zijn net sterk genoeg om ze uit te vegen. Gentbrugge slaapt, want dat is wat Gentbrugge doet. Voorzichtig stap ik van het perron, langs het betonnen trapje dat je absoluut niet mag betreden. Ik ben niet meer van de jongste, tenslotte, en als ik hier val en een heup breek, kan ik het wel schudden. Ouderen die een heup breken, sterven meestal binnen het jaar. Ik val liever op de sporen, dan sterf ik binnen de tien minuten, maar daarvoor ben ik niet hier, niet nu.
Wat er gebeurt met het hypothetische menselijke lichaam dat hier ‘s nachts op het spoor ligt, hangt sterk af van de exacte positie ervan. In het optimale geval lig je in de richting van het spoor, met het koude, gladde staal tussen je schouderbladen. Je bewaart het evenwicht door je benen te spreiden en je voeten stevig in het grind te planten. Dat is niet comfortabel, dat kan ik je wel vertellen, maar dat mag niet veel meer uitmaken. Ik heb me al vaak het hoofd gebroken (ha, grapje) over de vraag in welke richting je beter ligt. Hoofd eerst, dat is zeker en pijnloos. Kruis vooruit getuigt van lef en overtuiging.
In elk geval: het lichaam dat op die manier wordt vermalen door een stevige goederentrein, wordt zowel verpletterd als in (minstens twee) stukken gesneden. Dat is een bevredigende combinatie: je kunt ervan op aan dat er wel wat blijft liggen. De eerste pendelaars, al dan niet met een nuchtere maag, al dan niet stijf van de koffie of slap van slaaptekort, ontwaren dan in het ochtendgloren, of in het flauwe schijnsel van de lantaarns, een onidentificeerbare homp. De homp is geen afgebakend geheel; eerder een uitwaaierend koraal met grillige uitsteeksels.
Een deel van het lichaam wordt uitgesmeerd, verspreid, meegenomen. De trein is altijd een beetje reizen. Met wat geluk leidt het spoor langs het spoor tot in het volgende station. Met nog iets meer geluk heeft de treinbestuurder – ook maar een nachtelijke loonslaaf en even feilbaar als de volgende mens – niets gemerkt en raak je ten dele honderden kilometers ver, tot ergens in het buitenland, aan een haven die naar andere continenten lonkt. Je weet nooit waar je terechtkomt als je uiteenvalt.
Ik neem mijn hoed af en leg mijn oor op het spoor, zoals ze doen in oude films en stripverhalen. Dat werkt verbazend goed. Hoe ver zo’n trein nog is, is erg moeilijk te bepalen zonder regelmatige oefening. Ik schat een minuut of vijf, misschien iets minder.
Je kunt natuurlijk gewoon je nek op het spoor leggen. De randen van de spoorstaaf snijden een beetje; dat voelt eerder onprettig en door de hoogte van zo’n rail is het onmogelijk een comfortabele positie te vinden. Je zou eigenlijk al een matras en een hoofdkussen moeten meenemen, maar zeg nu zelf.
‘Het is verboden de sporen te betreden. Dat weet u toch? Het staat ook duidelijk aangegeven.’
Het klinkt niet boos, zelfs niet verwijtend, daardoor schrik ik ook niet echt.
‘Over vier minuten passeert hier een goederentrein. U komt maar beter terug naar boven.’
O, deze vent is goed. Hij staat een meter hoger dan ik, en ik kan niet inschatten hoe groot hij is, maar ik vind hem indrukwekkend. Hij draagt een chique jas, en de brede rand van zijn hoed werpt een schaduw over zijn gezicht. Hij is niet van de jongste, dat zie ik aan zijn houding.
‘U bent veel te vroeg voor de eerste trein,’ probeer ik nog, maar ik weet dat het niets wordt. De man op het perron stapt naar het verboden trapje en steekt zijn hand uit.
‘Kom nu, doe geen domme dingen.’
Ik lach. Domme dingen? Ik? Ik heb geen domme dingen meer gedaan sinds… nee, geen idee meer sinds wanneer, eigenlijk. Het grind knarst onder mijn schoenen als ik naar hem toe wankel.
‘U hoeft zich over mij geen zorgen te maken hoor. Ik kom hier net om ervoor te zorgen dat anderen geen domme dingen doen. Er is geen toezicht, weet u. En die camera’s…’
‘Ach, die camera’s. Ik heb gehoord dat ze niet eens werken. Puur voor de show. Compleet onverantwoord.’
‘Onverantwoord, inderdaad. Een schande.’
‘Een ware schande.’
Eigenlijk is het makkelijker om op het perron te klimmen zonder hulp, dat heb ik al zo vaak gedaan. Uit beleefdheid grijp ik de aangeboden hand, en verlies meteen mijn evenwicht. Mijn voet schiet van het trapje en mijn knie knalt tegen het beton. Ik voel een pijnscheut die meteen overklast wordt als ik achterover op het spoor val en ik mijn lichaam voel kraken en een hete flits vanuit mijn rechterheup door mijn oude lijf schiet.
Ik gil niet, en dat kost me alles wat ik in me heb. Waar mijn hoed is, weet ik niet. Mijn hoofd ligt in een vreemde hoek op het spoor, maar dat doet nu geen pijn. Op het perron staat een oude man in een lange jas. Ik hef mijn hand, en hij licht even zijn hoed op bij wijze van groet. In de aandenderende koplampen van de goederentrein zie ik hoe hij het perron afloopt.
