![]()
| ‘Die Mythen der Nacht sind wie Flüsse aus Sand. Sie formen unsere Träume und verschlingen zugleich die Unvorsichtigen.’ ‘De mythen van de nacht zijn als rivieren van zand. Ze vormen onze dromen en verslinden tegelijk de onvoorzichtigen.’ Uit: Schatten der unaussprechlichen Mythen van Prof. Dr. Albrecht Theodor Wilhelm von Sternwald (1821) |
In een verre stad bewaren de plavuizen oude geheimen en verstilt de nacht verhalen die niet verteld mogen worden. Achter de scheve daken en smalle steegjes ligt een woud waar dromen en schaduwen elkaar ontmoeten – en waar het zand van herinnering zowel beschermt als verleidt. Ik ben de enige die jou in vertrouwen wil nemen. Durf je naar me te luisteren?
#
De wind joeg huilend over het plein van Ammerthal, een slaperig stadje in Beieren. De lantaarns wierpen hun flauwe licht over de keien, die glansden van de regen. In zowat alle huizen van de nauwe steegjes was het donker, maar achter een van de deuren, in een woning met gebarsten muren en een hoge schoorsteen, brandden nog kaarsen.
Jonas en Liesl leefden er bij hun vader, een man die pas laat kinderen had gekregen. Liesl was net vier toen hun moeder overleed aan cholera, dat zei de dokter in ieder geval, en sindsdien hing er in het huis een zware stilte. Vannacht werd die onderbroken door een zacht gekreun dat uit de gang leek te komen.
Jonas spitste zijn oren, hij voelde zijn hart in zijn keel kloppen. De kinderen hadden al vroeg geleerd dat sommige geluiden niet door het stadje of het huis werden veroorzaakt, maar door herinneringen die nog niet wilden vervagen. Ook daarom was het belangrijk om zelf zoveel mogelijk te zwijgen.
Het was echter sterker dan hemzelf; hij kon zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen. Hij opende voorzichtig de deur van de woonkamer en keek de gang in. Het was er nu doodstil. Hij wenkte zijn zusje. Liesl, een meisje met lange rode vlechten en bedachtzame ogen, volgde hem meestal op de voet, hoewel ze af en toe terugdeinsde voor de schimmen die zich in de kamers en gangen verscholen. Bij kaarslicht leek het huis groter en leger, alsof de meubels het hadden opgegeven en deze verdoemde plek hadden verlaten.
Soms zag Jonas vreemde vormen over de wankele trap lopen, maar als hij zijn ogen tot spleetjes kneep, was er niets dan de streling van het maanlicht op het hout. Liesl had hem op zulke momenten met haar kleine handen op haar opzwellende borstkas iets anders duidelijk gemaakt: de lucht in de kamers werd dikker, alsof het huis ademhaalde, in hetzelfde tempo als hun hartslagen.
Maar deze keer was alles anders, het gekreun zowel als de stilte. Dreigender. Jonas legde zijn hand geruststellend op de arm van zijn veel jongere zusje. Misschien probeerde hij wel zichzelf te kalmeren.
De kinderen hadden zich amper in de gang gewaagd toen de klok middernacht sloeg en hen hevig deed schrikken. Het huis vulde zich met een vreemde, zilveren gloed. Jonas haalde scherp adem.
Een klopje.
Plots weer gekreun, daar – in de schaduwen!
Nog een klopje.
Vingers op hout. Vader tikte op de tafel; het afgesproken teken voor samenkomst. De kinderen draaiden zich om, lieten de schaduwen voor wat ze waren, en zagen hoe vader een oude lamp tevoorschijn haalde, bedekt met stof en spinnenwebben. Jonas sloot stilletjes de deur achter zich. Hij herkende de lamp slechts vaag. Ze kwam uit moeders kast. De kast die sinds haar dood gesloten bleef.
‘Hier helpen geen kaarsen,’ begon hun vader langzaam, ‘en al zeker geen stilte.’ Hij klopte met de vlakke hand op het tafelblad en wees vervolgens naar de gang. ‘Zij hebben de stilte doorbroken. De rouw die we in acht namen voor …’
Iedereen wist wie hij bedoelde. Ze zouden haar naam nooit meer uitspreken, dat hadden ze zo afgesproken.
In vaders stem hoorde Jonas vermoeidheid en angst. Hij rekende het razendsnel uit – het was op zijn minst drie jaar geleden dat vader nog gesproken had. Dat was toen hij zijn baan verloren had, en hun verdriet om moeder maar niet afnam. Ze hadden afspraken gemaakt, hier aan de tafel, zelfs met de kleine Liesl. Sindsdien was de stilte hun metgezel.
Liesl kneep in haar broers hand. Ze gingen bij vader aan tafel zitten.
‘Er zijn wezens,’ ging vader verder, ‘die leven tussen dag en nacht, tussen droom en werkelijkheid. Ze worden de Zandmannen genoemd. En nee, ze zijn niet zoals in de gewone verhalen die men aan kinderen vertelt. Sommigen zijn vriendelijk, anderen hebben ogen zo zwart en kil als obsidiaan en een daarbij passend karakter.’ Hij ging hoger spreken, alsof hij iets oud en gevaarlijks opriep.
Jonas voelde een rilling over zijn rug lopen. Natuurlijk hadden Liesl en hij al over de wezens gehoord. Moeder had hen er bij het slapengaan zo vaak over verteld. Maar nu, na al die tijd, sprak vader! Dit moest wel heel belangrijk zijn. ‘B-bestaan ze echt, vader?’ stamelde hij. Waren dit zijn woorden?
Liesl deed er nog steeds het zwijgen toe. Ze had altijd al meer tijd nodig gehad.
De oude man zuchtte diep, leek zijn krachten te verzamelen. ‘Er zijn plaatsen waar dag en nacht elkaar raken. Achter ons huis ligt het Nachtwoud. Ginds gebeuren dingen die men overdag nooit ziet. Daar wonen de Zandmannen, omsluierd door nevels. Ze wachten op de kinderen die durven te komen. Of beter, die ze laten komen.’
Hij draaide zich om naar het raam, waar de contouren van het Nachtwoud zich aftekenden in het maanlicht, en even leek hij jonger. Jonas slikte.
‘Volwassenen halen ze zelf,’ prevelde vader, alsof de wind ineens vrij spel had in huis en met zijn woorden aan de haal ging. ‘Genoeg voor vannacht. Morgen vertel ik jullie meer. De volledige waarheid ineens is te verschrikkelijk. Ga naar boven. Loop met jullie rug langs de wand de gang door en houd elkaars hand vast. Zo is het altijd veilig geweest. Zo zal het zelfs nu veilig zijn.’ Hij doofde de lamp.
De drie werden alleen nog omringd door het licht van enkele schamele kaarsen.
Jonas kon het nauwelijk geloven. Het leek wel alsof het gekreun in de gang vader tot leven had gewekt. Zo abrupt als hij was begonnen met spreken, had hij evenwel ook weer gezwegen.
Vader keerde zich van hen af, stond op en staarde door het raam het woud in. Hij sloot met een ruk de gordijnen.
Liesl ging tot Jonas’ verbazing als tweede staan. Hij volgde vlug haar voorbeeld. In de gang sprak ze haar eerste woord van de dag – haar eerste woord in jaren. ‘Papa,’ zei ze, toen een schaduw zich uitbreidde voor de trap en bijna haar voeten raakte. De houten planken voelden killer tegen Jonas’ rug toen hij de kinderlijke stem van zijn zus hoorde. Ze klonk precies hetzelfde als toen. Precies. Hetzelfde. Hij trok haar dicht tegen zich aan. De schaduw trok zich terug. ‘Papa.’ Wie had dit woord het meeste angst aangejaagd? De schaduw, of hem?
|
‘Wer das Herz des Waldes sucht, muss mit Augen sehen, die weder Licht noch Dunkel fürchten.’ Uit: Im Zwielicht des Nachtwaldes: Geschichten von Geheimnissen und flüsternden Bäumen van Graf Leopold von Schillendorf (1802) |
Die nacht kon Jonas nauwelijks de slaap vatten. De kleine Liesl lag dicht tegen hem aan, haar adem warm op zijn arm. Vaak gingen ze zo dromenland in, maar nu voelde Jonas een onweerstaanbare drang om naar buiten te gaan, naar het woud waarover vader daarnet zo raadselachtig had gesproken. Nog één keer sloot hij zijn ogen, en hoorde het wiegenlied dat moeder voor Liesl had gezongen. Het hielp niet.
Toen hij uiteindelijk opstond en zijn zus zachtjes wakker maakte, leek ze niet verbaasd. Ze klom meteen uit bed. De trap af, de gang door – alles donker, maar nergens schaduwen. Even later stonden de kinderen onder een wolkenloze hemel en keken naar de bomen die als duistere wachters oprezen.
Jonas fluisterde: ‘Misschien … misschien zijn de Zandmannen vanavond dichtbij.’
Liesl knikte en zei: ‘Mama.’
Zijn zusje had luidop gezegd wat hij al de hele nacht dacht. Meer hoefde niet gesproken te worden. Ze liepen achter het huis het bemoste pad af dat naar het Nachtwoud leidde. Het geritsel van bladeren begeleidde hun tocht. Hier en daar scheen de maan tussen de takken.
Plotseling hoorde Jonas een bekend gekreun. De schaduwen. ‘Wie is daar?’ fluisterde hij. Zijn hart ging sneller kloppen. Een gilletje klonk achter hem, pijnlijk schril. Toen hij zich bruusk omdraaide, gaapte slechts de leegte.
Liesl wees de duisternis in.
Precies uit die richting antwoordde een nauwelijks hoorbare stem: ‘Wees niet bang …’
Voor hen verscheen een figuur, klein en haast doorzichtig, met een hoofd dat glansde als fijngemalen zand en ogen als donkere parels. Zijn handen waren vreemd gevormd, lang en dun, en hij droeg een mantel die leek te bestaan uit mist en mos.
‘Ik ben Morlin,’ zei het wezen. ‘Ik behoed stilzwijgend de dromen van kinderen. Maar sommige nachten zijn gevaarlijker dan andere. Op zulke momenten laat ik me horen.’ Hij maakte onmiskenbaar het geluid dat de kinderen in de gang hadden gehoord. Deze keer echter klonk het niet angstaanjagend, integendeel.
Morlin boog zich iets voorover, en een glinsterend spoor van zand dwarrelde als sterrenstof naar de grond. Jonas keek Liesl aan, zijn hart bonzend van angst en opwinding. ‘Waarom … waarom bent u hier?’ vroeg hij het wezen.
‘Jullie moeder heeft iets in jullie achtergelaten,’ zei Morlin, ‘iets dat de Zandmannen zoeken. Jullie vader weet het, maar hij denkt dat jullie te jong zijn om de volledige waarheid te begrijpen.’
Jonas trok zijn zus voorzichtig achter zich. ‘Wat bedoelt u?’
‘Jullie moeder was een waker tegen de Zandmannen, een beschermster van de wereld aan deze zijde. Alle vrouwen in haar lijn zijn dat.’
Alle vrouwen? Maar moeder was reeds jaren dood. Jonas schoof zijn zusje verder achter zich, toen het hem begon te dagen. ‘Hoe is moeder …’ Hij durfde zijn zin niet af te maken.
‘Ze is gestorven in de strijd tegen de Zandmannen. Zij beïnvloeden dromen. Voornamelijk de dromen van kinderen, maar volwassenen zijn niet uitgesloten van hun invloed.’ Morlins stem vloeide als een zanderige waterval. ‘Er zijn goede en … minder goede Zandmannen. De goede geven prettige dromen, de kwade zijn vooral actief tijdens volle maan. Zij bezorgen mensen nachtmerries. Nachtmerries die dusdanig op kinderen kunnen inwerken dat ze het woud invluchten en nooit terugkeren. Zo vullen de Zandmannen hun gelederen aan.’
Jonas herinnerde zich dat er sinds moeders dood inderdaad kinderen uit Ammerthal verdwenen waren, al werd daar thuis ook over gezwegen.
‘Mama,’ zei Liesl zacht. Ze kwam naast hem staan.
‘Nee!’ Jonas positioneerde zich wederom tussen zijn zusje en Morlin. ‘Liesl is nog te klein.’
‘Maar wie moet dan de kinderen redden?’ Morlins stem klonk mistig als zijn mantel. ‘Vannacht is het volle maan, een bloedmaan. De kwade Zandmannen zijn dan op hun sterkst …’
‘Mama,’ zei Liesl weer. Zij betreedde vastberaden het Nachtwoud.
‘Alleen zij kan het doen,’ zei Morlin. ‘Help haar, wees haar ridder, dan zal ook ik doen wat ik kan.’
De hand van zijn zusje loslaten was ondenkbaar. Met haar het woud in gaan was haast onvoorstelbaarder, maar zou hij niet durven wat zij onverschrokken deed? Het woud, noch het duister of de kou leken haar te deren. Zou ze beseffen wat ze deed? Maar dom was ze niet, al sprak ze nauwelijks.
Voor hen uit ging Morlin, die meer leek te glijden dan te lopen. Zijn mantel lichtte wit en groen op en vormde een helder baken in het Nachtwoud. Zolang Jonas zijn ogen op de mantel gericht hield, en de hand van Liesl stevig vastklemde, bleef de angst beheersbaar.
Liesl leek geen vrees te voelen, als in trance liep ze achter Morlin aan.
De schaduwen werden dieper en het leek Jonas alsof iedere boom zijn klauwen naar hem uitstak. Zodra zijn blik afdwaalde, zag hij allerlei bewegingen tussen het geboomte. Hij had zijn gevoel voor tijd en ruimte volledig verloren, toen hij Morlin hoorde fluisteren. ‘Het hart van het woud.’
Het werd lichter tussen de bomen. De bloedmaan was de donkerste der volle manen, maar het duister in het woud was zo diep, dat zelfs deze verschil maakte. Ze stonden aan de rand van een open plek. Jonas hapte naar adem van schrik. De wezens die binnen de steencirkel dansten leken op Morlin, zoals zwijnen op gedomesticeerde varkens lijken. Maar waar een zwijn gevaarlijk is door zijn wildheid, zagen deze Zandmannen er werkelijk boosaardig uit. ‘Ogen, kil als obsidiaan,’ had vader gezegd. En hij had niet overdreven. Jonas begon te huiveren alsof hij nu pas de kou van de nacht voelde. De Zandmannen waren veel groter dan Morlin en torenden zelfs ver boven Jonas uit. Ze dansten een ingewikkeld patroon rond de stenen van de cirkel, in het tempo en ritme van een trom die alleen zij hoorden.
Toch hoorde hij muziek. Een dromerige melodie die hij uit duizenden zou herkennen en die geenszins het woeste ritme had waarop de Zandmannen dansten.
Liesl! Liesl die al jaren nauwelijks een woord had gezegd, en al veel langer, sinds de dood van moeder, niet had gezongen, neuriede zachtjes moeders wiegenlied.
Jonas dacht dat hij en Morlin wel de enigen moesten zijn die het hoorden, maar de kwade Zandmannen waren goed van gehoor. Zonder hun dans te onderbreken, keken ze met vlammende blik naar Liesl en schudden toornig met hun vuisten.
‘Door te dansen wekken ze boze dromen in Ammersthal,’ zei Morlin. ‘Ze willen niet gestoord worden.’
Liesl leek niets te zien. Als een sereen klein spookje in haar lange witte nachthemd liep ze richting de steencirkel. Met de angst als een wild beest in zijn maag liep Jonas mee. Morlin liep aan haar andere zijde. Naarmate ze de cirkel naderden werd Liesls geneurie luider. Haar lieve stemmetje kreeg een bijna magisch randje. Jonas hoorde Morlin invallen, een dieper geluid, een tweede stem. Nu kon hij niet achterblijven en ook hij voegde zijn stem bij die van zijn zusje.
Aan de rand van de cirkel werd hij als door een onzichtbare hand tegengehouden. Hij wilde schreeuwen, toen hij voelde dat Liesl hem losliet en verder trad. Morlin wendde zich tot Jonas en fluisterde: ‘Het is eerst aan haar.’
Hoe woest de Zandmannen ook keken en hoe vurig zij ook met hun vuisten schudden, ze konden niet bij haar komen. Dat moest wel de kracht van moeders lied zijn. Ze kwam ongedeerd aan in het midden van de steencirkel. En daar stopte ze met neuriën. Ze verhief haar stem en zong. Ze zong zoals Jonas haar vroeger nooit had gehoord: uit volle borst, en helemaal niet kinderlijk. Ze klonk anders nu, niet meer als het relict uit vroegere jaren dat hij in de gang had gehoord.
De kwade Zandmannen begonnen te haperen in hun dans en Jonas zag er eentje struikelen. Meteen viel hij in en zong de tweede stem. Morlin bleef neuriën, en gaf het lied daarmee nog een extra dimensie. De Zandmannen maakten wilde gebaren, en verknoeiden zo hun dans.
Jonas zag meer wezens zoals Morlin uit het Nachtwoud verschijnen. Ze sloten zich aan in de kring rond de steencirkel en hun stemmen voegden zich bij het koor dat gedragen werd door de lieve stem van Liesl.
Jonas wist niet hoelang ze daar stonden en zongen, toen de gebaren van de Zandmannen steeds minder heftig en effectief werden. Met een wanhopige vastberadenheid bleven ze het patroon van hun dans volgen, maar een kind kon zien dat hun hart er niet meer in zat.
Liesl, Jonas en hun koor van kleine Zandmannen zongen door tot de eerste zonnestralen door de kruinen schenen en de kwade Zandmannen afbrokkelden en tot stof uiteen vielen. Ook de kleine Zandmannen verdwenen, langzamer nog, alsof ze oplosten in de mist. Morlin was de laatste. Hij maakte een diepe buiging naar Liesl, voordat ook hij niet meer zichtbaar was.
De tocht terug door het ontwakende woud leek veel korter en het duurde niet lang voor de kinderen hun dodelijk ongeruste vader in de tuin zagen staan. Liesl vloog hem in zijn armen. ‘Papa,’ zei ze tevreden. ‘Mama.’
Uit Ammerthal verdwenen geen kinderen meer met volle maan.
| ‘Wenn das erste Licht den Wald berührt, zerfallen selbst die dunkelsten Träume zu Staub, doch das Lied der Mutigen bleibt im Herzen der Welt bestehen.’
Uit: Die Letzte Nacht der summenden Gesellen van Erwin Johann von Reichenbrunn (1894) |
