![]()
Mijn moeder is een tijdreiziger.
Dat is ze niet altijd geweest, maar toen ik een jaar of negen was, zag ze eens een oproep hangen op het prikbord bij de plaatselijke Albert Heijn. “Gezocht:” stond er op het briefje, “betrouwbare poetshulp. Dagen/uren nader overeen te komen.”
Ze nam de oproep mee naar huis, belde het telefoonnummer dat onderaan het briefje stond en kon de maandag erop beginnen.
Sindsdien werkt mijn moeder op oproepbasis. Soms zit ze wekenlang zonder opdracht thuis, dan weer vertrekt ze halsoverkop naar een tijdstip in het verleden of in de toekomst om het een of andere op- of weg te poetsen.
Herken je dat moment, soms dagen later, waarop plotseling te binnenschiet wat je hád moeten zeggen toen Tante Jo ‘met alle respect’ vroeg of je ‘die plak cake niet beter kon laten staan’? Mijn moeder zorgt ervoor dat ze je onderweg naar de verjaardag van neef Theo onderschept, zodat je Tante Jo van repliek kunt dienen nog voor ze ‘met alle respect’ kan prevelen.
Mijn moeder kan ook bij je aankloppen met een pizza en een 6-pack nul-punt-nul biertjes onder de arm om je ervan te weerhouden de voicemail van je ex vol te spreken (tenzij je het niet erg vindt om je dronken liefdesverklaringen terug te horen op bijna elk sociale media-platform dat je je maar kunt bedenken).
De moeilijkste opdrachten zijn echter die waarin mijn moeder iemand moet waarschuwen voor een ramp zonder de gehele geschiedenis te veranderen. Niet instappen op vluchtnummer XZ704, bijvoorbeeld. Niet alleen vinden de meeste mensen het onprettig als mijn moeder zomaar op de stoep staat (‘weet je wel hoe duur het is om de vlucht om te boeken?’), mijn moeder mag slechts één stukje op de tijdlijn opschonen. De andere passagiers zullen gewoon instappen. Het vliegtuig zal volgens vluchtschema vertrekken, en niemand van vlucht XZ704 zal op de plaats van bestemming aankomen.
Na zo’n opdracht is mijn moeder wat stiller. Dan zie ik haar zitten in de gele leesstoel bij het raam, boek op schoot zonder ook maar een bladzijde om te slaan. Ze bijt op haar nagels, staart uit het raam en mompelt af en toe wat. Ze zit daar als ik ’s ochtends van huis ga en ze zit daar nog steeds wanneer ik ’s middags van school thuiskom.
‘Wat eten we vanavond?’ vraag ik als ik zie dat de koelkast leeg is.
‘Ik heb niet zo’n honger’ is dan meestal het antwoord.
Maar ik weet ondertussen dat mijn moeder gauw weer de oude is, wanneer ze zegt dat ik mag kiezen. Natuurlijk kies ik altijd voor pizza – maar ik mag er geen nul-punt-nul biertje bij (het valt te proberen).
Mijn moeder is dus een tijdreiziger. Een poetshulp van de tijdslijn. Ze reist tussen goede en slechte herinneringen en ruimt waar nodig op. Ze zegt dat de onregelmatige werktijden haar weleens opbreken, maar dat het werk te goed betaalt om op te zeggen. En daarom is mijn moeder met tussenpozen dagen van huis en stopt ze de vriezer vol met bakjes eten die ik kan opwarmen. Lasagne, macaroni, stamppot, curry – van alles. Twee bakjes van elk en soms nog een bakje met eten waarvan vooraf niet duidelijk is wat het is tot ik het heb opgewarmd.
Ik heb net zo’n bakje eten in de magnetron gezet, wanneer de deurbel gaat. Ik negeer de bel en hoop dat de verkoper, collectant of wie het ook mag zijn ons huis voorbijloopt. In plaats van de voordeur, open ik de koelkast en rommel in de groentelade, omdat mijn moeder daar weleens een reep chocolade verstopt. Helaas ligt daar vandaag alleen een halve komkommer, een zak met twee paprika’s erin en een krop sla die er niet al te fris meer uitziet. Ik vraag me af of ik de sla nog een dag kan laten liggen, wanneer de deurbel opnieuw gaat. Iemand loopt op de bel te drukken, zoals een automobilist op een claxon drukt voor hij zijn middelvinger opsteekt. Geërgerd loop ik naar de voordeur, spiek door het kijkgaatje en trek de deur open voor ‘…Mam?’
De vrouw die voor me staat is ontegenzeggelijk mijn moeder, maar op een of andere manier lijkt ze niet op mijn moeder. Haar haar is grijs bij de slapen en ze is graatmager, terwijl mijn moeder altijd grapt dat ze de zwangerschapskilo’s nog moet kwijtraken (ik word vijftien deze zomer).
‘Mag ik… Mag ik je even vasthouden?’ vraagt de vrouw/mijn moeder.
Zonder erbij na te denken, deins ik achteruit. Begrijp me niet verkeerd, ik geef mijn moeder regelmatig een knuffel, maar de vraag komt zo onverwacht dat ik een stap achteruit zet. En nu staat mijn moeder ietwat ongemakkelijk met haar armen naar me uitgestrekt bij de voordeur. We staren elkaar aan.
‘Mam?’ zeg ik, terwijl zij ‘Mag ik binnenkomen?’ zegt.
Zonder op een antwoord te wachten, stapt ze naar binnen en slaat ze haar armen om me heen. Midden in de gang, in een tikje ongemakkelijke omhelzing begint mijn moeder te praten.
‘Ik weet niet,’ zegt ze, ‘ik weet niet of ik ooit nog de kans krijg… Hoe oud ben je nu? Dertien?’
‘Mam!’ zeg ik verontwaardigd en ik maak me los uit haar omhelzing, ‘ik ben bijna vijftien!’
‘Oké, oké,’ mompelt mijn moeder, terwijl excuses meer op zijn plaats zouden zijn. ‘Luister goed, het zal nog even duren, maar over zeven jaar heb je een vriend. Bas heet hij. Hele leuke jongen en ik mag hem graag, jullie zijn gelukkig. Jullie gaan samen op reis. Maar wat er ook gebeurt, neem niet de bus op 3 juli. 3 juli 2032. Blijf in het hotel of hostel of waar je op dat moment ook bent, maar neem niet de bus.’
‘Wie is Bas?’ vraag ik en mijn moeder begint te huilen.
‘3 juli 2032. Je moet het me beloven.’
Die avond kan ik niet slapen. Mijn moeder vertrok vrij snel nadat ze haar verhaal had verteld en keerde terug naar een opdracht waar ze momenteel tweeënzestig is. Ik liet het bakje in de magnetron koud worden, warmde het eten weer op en liet het opnieuw koud worden. In mijn hoofd herhaal ik elk woord dat mijn moeder heeft gezegd.
‘3 juli 2032,’ zeg ik steeds opnieuw tegen mezelf, ‘3 juli 2032.’
Uiteindelijk moet ik ergens in de loop van de ochtend toch in slaap zijn gevallen, want ik schrik wakker als ik de voordeur open- en dicht hoor gaan. Ik sla mijn dekbed om me heen en sluip naar beneden. In de woonkamer vind ik mijn moeder, de huidige, zonder de grijze strepen in haar haar en met de zwangerschapskilo’s er nog aan. Ze zit in de gele leesstoel bij het raam, boek op schoot zonder een bladzijde om te slaan.
‘Hee mam,’ zeg ik.
‘Heb ik je wakker gemaakt?’ vraagt mijn moeder en ik zeg dat ik dat niet erg vind.
‘Ze hebben me ontslagen,’ zegt ze. Haar stem breekt, en ze moet een paar keer slikken voor ze verder gaat. ‘Ik snap er helemaal niets van. Ik zou me niet aan de gedragscodes hebben gehouden – wat is dat nou voor onzin?’
Mijn moeder heeft zeker nog een half jaar nodig gehad om haar ontslag op staande voet te verwerken. ‘Misschien moesten ze bezuinigen en was dit een slap excuus om van me af te komen?’ mompelt ze tegen zichzelf. Of: ‘Misschien was het die ene Paul, weet je wel, die man die de verkeerde kerk instormde om het huwelijk van zijn jeugdliefde tegen te houden.’
Ik luister het een aan, maar ik zeg niets.
Ik gooi de krop sla en de bakjes eten weg – blij dat mijn moeder geen tijdreiziger meer is.
