![]()
‘Hé! Speurneus!’ Een vrouwelijk persoon, midden dertig, staat voor me op straat. Haar wangen rood, haar ogen schitteren. Oprechtheid.
‘Ja?’ Ik buig me naar haar over, in de verwachting dat ze zich terugtrekt, maar ze plant haar handen in haar zij. Vreesloos. Mijn tong schiet uit mijn mond. Ik lik langs mijn bovenlip en trek hem weer in als ik haar afkeurende blik zie.
‘Heb jij mijn broer verraden? Of was het een ander uit je roedel?’
Ik snuif. ‘Burgers verraden zichzelf.’
Ze knijpt haar ogen tot spleetjes. Woede. Met moeite houdt ze zich in. ‘Dat leren ze je.’
‘Wat?’ Ik voel mijn oren naar achteren trekken.
Ze zucht, waardoor haar schouders ontspannen. ‘Dat wij het zelf doen. Daarmee praten ze het goed.’
‘Maar het is zo. Leugens zijn op kilometers afstand te ruiken.’ Ongemakkelijk kijk ik om me heen. De mensenmassa, op weg naar werk of school, stroomt om ons heen. Waar is Leider? Het is niet aan mij om direct contact met burgers te hebben.
Ze ziet mijn kromme rug en ontspant. Begrip. ‘Je kunt er echt niks aan doen, hè?’
‘Waar niet aan?’
‘Aan mij lezen terwijl we een gesprek voeren.’ Ze trekt haar bovenlip naar binnen en laat hem ploppen. Peinzend. ‘Is het waar?’
‘Wat?’
‘Van jullie DNA? Dat jullie gemengd zijn met honden?’
Ik huiver en haal mijn schouders op. Een fluitsignaal redt me. Ik knik haar toe en ren naar Leider. Niets wil ik liever dan me tegen zijn been drukken en horen dat ik het goed heb gedaan.
‘Max!’ Het is dezelfde vrouw, daar in de steeg. Ze staat met haar armen over elkaar tegen een muur geleund, haar linkerbeen opgetrokken. Ze glimlacht als ik naar haar toe loop. Verheugd. ‘En?’ vraagt ze als ik bij haar ben. ‘Weet je al of je meer mens of hond bent?’
Ik schud mijn hoofd, net als de keren hiervoor. Vorige week heb ik haar mijn naam verteld, ik weet niet waarom.
‘Wat jammer.’ Ze strekt haar hand naar me uit. ‘Ik vraag me af of je biologische ouders weten wat hun nageslacht is aangedaan.’
Ik snuffel. Unicura, een vleugje zweet, kat. Mijn bovenlip trekt op.
Ze ziet het en lacht. ‘Da’s Noxy, mijn kat.’ Ze steekt haar andere hand uit. Kaas. ‘Voor jou.’
Ik trek me terug. ‘Ik mag niks aannemen van vreemden.’ Het water loopt me in de mond.
Ze knipoogt. ‘Ik ben geen vreemde.’ Vertrouwen. ‘Ik ben Hannah.’
Meer verward dan anders deins ik van haar terug. Haar uitstraling is zelfverzekerd, oprecht. In al onze gesprekjes, hoe kort of lang ook, heb ik nog nooit iets leugenachtigs bemerkt. Wel woede, over haar broer.
‘Wat had je broer gedaan?’
Verdriet. Belangstelling. Hannah bekijkt me van top tot teen, haar hoofd scheef. ‘Dit is de eerste keer dat je geïnteresseerd bent in mij.’
‘Nee.’ Heb al meer naar haar broer willen vragen, maar wist niet hoe. Wil hijgen, maar besef dat burgers dat onwenselijk gedrag vinden.
Ze opent haar mond, maar sluit hem weer als er wordt gefloten. ‘Je baasje roept je,’ zegt ze knipogend. Geamuseerd.
Ja, dat doet hij. Ik knik haar toe en loop naar het einde van de steeg. Leider staat er te wachten, samen met mijn roedel. ‘Voerde die burger iets in haar schild?’ vraagt hij.
‘Nee.’
Jorrik spert zijn ogen open. Mirna zet een verbaasde stap achteruit. Sjef houdt zijn grijze kop scheef. Maar ze zwijgen. We volgen Leider het winkelcentrum in.
Normaal gesproken vind ik het hier leuk. Burgers betrappen nog voordat ze iets stelen, soms nog voordat ze zelf weten dat ze van plan zijn iets te stelen; het is leuk. Samen met Jorrik, Mirna en Sjef de gangpaden van de supermarkt doorkruisen, burgers zien wegduiken; leuk. In kinderwagens snuffelen of er iets onbetaalds in ligt of alleen al om te kijken hoe verschrikt ouders dan kijken; leuk. Maar nu heb ik er geen plezier in. Ik sjok mee met Leider, doe wat hij zegt, maar kan er geen vreugde uit halen. Zelfs niet als ik een man aanwijs die een Marsreep in zijn zak steekt.
‘Die is voor mijn dochtertje. Ze is jarig!’ roept hij. Ik proef zijn wanhoop op mijn tong. Hij hangt tussen Jorrik en Sjef in.
‘Volgens mijn gegevens heb je je quotum zoetigheid vorige maand bereikt.’ Leider scant de burger. Zijn hand licht op bij metaal. Het is de rits van de jas. Die is toegestaan.
‘Dat weet ik. Het is ook niet voor mij.’ Waarheid.
‘Dat is waar,’ zeg ik ongevraagd.
Leider fronst. Ergernis. Met mijn hoofd tussen mijn schouders zet ik een paar stappen achteruit.
‘Twee overtredingen, dus.’ Leider noteert achter zijn oogleden. ‘Ontvreemding en quotumoverschrijding.’ Als de man wil protesteren, heft hij zijn hand. ‘Moet ik het overvoeren van een minderjarige er ook bij zetten? Dit is twee jaar, het kunnen er vijf worden.’
De man schudt zijn hoofd en laat zich meenemen. Ik voel iets voor hem. Geen triomf, zoals zou moeten. Iets anders.
‘Medelijden.’ Mirna fluistert het woord in mijn oor.
Ik hap naar haar. Ze springt achteruit.
‘Max!’ Leider grijpt me bij mijn arm. ‘Wat is er met je aan de hand?’
‘Niks.’
Maar er is wel iets.
‘Hannah!’ Al dagen speur ik de straten naar haar af. Eindelijk zie ik haar.
‘Ha Max!’ Ze legt haar hand op mijn hoofd en kriebelt achter mijn oor. ‘Hoe is het?’
‘Nu goed.’ Ik probeer stil te staan, maar dat is moeilijk, ben zo blij haar te zien. ‘Voel me raar.’
Ze knikt. ‘Je bent ook raar.’
‘Ja.’ Ik kijk naar de roedel, die in de verte met Leider meeloopt. ‘Dát kan ik niet meer.’
Hannah pakt mijn hand. Ze knijpt erin. In haar ogen glinsteren tranen, maar ze is niet verdrietig, eerder triomfantelijk. ‘Ik wist dat het kon!’
‘Dat wat kon?’
‘De wereld veranderen!’ Ze lacht. ‘Help je me mee?’
Ik wil de tranen van haar wangen likken, maar houd me in. ‘Hoe dan?’
Ze glimlacht en zegt: ‘Eén speurneus per keer.’
