![]()
‘U weet zeker dat ze er niets van zal voelen?’ vroeg ik.
‘Ik verzeker het, juffrouw Fairweather,’ mompelde de professor terwijl hij op zijn knieën een gigantische trompetachtige hoorn op het apparaat schroefde, dat de hele tafel in beslag nam: een doolhof van koperen pijpen, wielen en radertjes, een grote zwarte schijf met witte strepen en bovenop twee zilveren bollen zo groot als voetballen.
‘Geesten voelen geen pijn.’ Hij keek me aan, zette zijn pince-nez recht en wiste het zweet van zijn voorhoofd. Zijn kraag was opengesprongen, de mouwen van zijn overhemd hadden olievlekken.
Zijn vorsende blik deed me klein voelen, alsof hij mijn gedachten kon lezen. Als topwetenschapper zal observatievermogen tot zijn beroep horen. Hoewel: veel mensen vonden ex soma-psychologie geen wetenschap. God, ik kon mezelf wel trappen voor die gedachte: wat als hij werkelijk mijn gedachten kon lezen?
Hij stond op, nam de pince-nez af en wreef over zijn neus. ‘Bent u van gedachte veranderd?’
‘Het is alsof ik haar verraad.’
Hij schudde het hoofd. ‘U doet het enig juiste. Ex soma zijn is een marteling voor elke psyche.’ Hij legde zijn hand op mijn schouder. ‘Dat haar geest aan dit leven wordt vastgehouden, is onnatuurlijk. We moeten haar bevrijden, zodat ze één kan worden met het universum en eindelijk vrede en rust vindt.’
Ik knikte, maar was niet overtuigd. Ik staarde naar het gietijzeren vliegwiel van de naaimachine midden in de kamer. Ik kon haar daar bijna zien zitten, draaiend aan het vliegwiel met haar verminkte rechterhand terwijl ze witte kant en zijde met haar linker door de machine voerde.
Ze had haar wijsvinger verloren toen ze aan de weefgetouwen werkte in Siddemakers fabriek. Een kram van een drijfriem had hem in volle vaart gepakt. Ik kan me nog het bloedstollende geschreeuw herinneren dat boven het machinelawaai uit kwam. Dat kwam het altijd als iemand een ongeluk had, ondanks dat ongelukken dagelijks gebeurden.
Normaal had ik er geen aandacht aan geschonken. Na een tijdlang werken in de fabriek leerde je er niet door afgeleid te worden, tenzij het in jouw sectie was. Je concentreerde je op je werk: op handen en voeten de gietijzeren wielen ontwijken die voortdurend heen en weer reden. Ik was een van de kinderen geweest die wolresten van de vloer onder de machines opraapten, zodat de rails waarop ze rolden schoon bleven. Die keer was anders: ik wist meteen dat er iets met mama was.
Ik kroop onder de wolsnijmachines vandaan. Een hond knalde tegen mijn rug en liep me bijna om. Siddemaker had altijd twee schurftige buldoggen los in de fabriek. ‘Overdag om ratten op te ruimen,’ zei hij altijd. ‘‘s Nachts om tweebenige ratten op te ruimen.’
Toen ik overeind stond, zag ik mama naar haar bloedovergoten hand staren.
Het waren de andere vrouwen die aan de weefgetouwen werkten, die stonden te schreeuwen. De voorman kwam aangerend. Hij schreeuwde iets en draaide een lap om mama’s hand. Toen zag ik de honden vechten; in hun tanden mama’s vinger.
‘Okay.’ De professor stelde de buis naar de schoorsteen bij. ‘Klaar.’ Hij nam zijn horloge uit zijn vestzak en opende het. ‘Nog een uur tot middernacht.’ Hij keek me aan. ‘Ik zou nu dat kopje thee wel lusten.’
We gingen de keuken in en ik schonk een kop voor hem in; ik legde een Nice biscuitje op zijn schotel. Ik dacht dat hij zou gaan zitten aan de keukentafel, zodat ik hem wat kon vragen over de procedure. Maar hij nam het kopje van tafel, propte het koekje in zijn mond en ging meteen terug de naaiwinkel in.
Alle gaslichten in de naaiwinkel brandden voluit, de lucht smaakte naar koper.
Dit was de woonkamer van mama’s huisje geweest. Na haar ongeluk had ze Siddemaker gesmeekt om haar op de fabriek te laten. Ze kon zonder haar vinger net zo goed werken. Maar Siddemaker wilde er niets van horen.
Dus verving ze de meubels door naaimachines. Slechts twee stoelen en oma’s eiken tafel bleven. Die tafel was altijd mama’s grote trots geweest. Na bijna twintig jaar als kniptafel was hij bekrast en afgesplinterd. En nu stond dat stoommachinegeval van de professor erbovenop te sissen. Rook en stoom sijpelden aan alle kanten eruit. Toch stond de tafel nog trots en betrouwbaar op zijn barokpoten.
Ik stond in de hoek achter de professor.
Hij stelde een ventiel bij en blikte op zijn horloge. Hij fluisterde: ‘Bijna nu.’
Ik hield de adem in.
De eerste slag van de kerkklok. ‘Bong!’
De professor keek links en rechts, zijn handen op de hendels van de machine.
‘Bing! Bong!’ Elke slag klonk alsof de klokken vroegen: ‘Zeker weten?’
Bij de twaalfde bong verscheen ze. Zittend in de stoel achter de naaimachine in de blauwe zondagse jurk waarin we haar begraven hadden. Transparant en een vage gloed uitstralend. Haar verminkte hand draaide aan het vliegwiel. Haar andere voerde bruine hennep door de machine, even doorzichtig als zijzelf.
De professor trok aan hendels en draaide aan ventielen. Drijfstangen en krukken kwamen in beweging, de grote schijf begon te draaien.
Mama keek op van de bruine hennep.
Puffend versnelde de machine. De tafel schudde alsof de poten het zouden begeven. De schijf draaide zo snel dat de witte strepen een waas werden.
Een dreunende brom zwol op. Met een knal sprong er een vonk over tussen de twee bollen. Ik dacht dat mijn hart stopte en drukte me ruggelings tegen de muur.
Mama liet het vliegwiel los. Met open mond keek ze naar de machine.
De overspringende vonken werden groter. De professor legde zijn handen op de grote hoorn en richtte hem op mama.
Haar kleren en haren wapperden naar de hoorn alsof een wind ze ernaartoe blies. Maar er was geen wind: de rookpufjes uit de machine kringelden langzaam omhoog naar de schoorsteen.
Mama krijste. ‘Nee!’
De machine draaide steeds sneller. Er sprongen zoveel vonken over dat het leek alsof er onweer raasde in de kamer.
Het trekken aan haar kleren werd zo sterk dat ze de gietijzeren poten van haar naaimachine vastgreep.
‘Niet doen!’ Ze keek recht in mijn ogen.
De rillingen liepen over mijn rug.
‘Jenny!’ gilde ze. ‘Je weet niet wat je doet.’
De machine pufte, huilde en dreunde; bliksemflitsen schoten rond. Mama’s voeten kwamen los van de vloer; haar benen werden naar de hoorn gezogen. De naaimachine waaraan ze zich vasthield begon over de vloerplanken te glijden.
‘Je begaat een grote fout.’ Haar ogen smeekten. ‘Ze hebben me nodig.’
‘Je hebt vrijheid nodig,’ schreeuwde ik terug. ‘En rust.’ De tranen sprongen in mijn ogen. ‘Je hebt genoeg gedaan. Maak je geen zorgen over mij. Ik kan voor mezelf zorgen.’
De naaimachine viel om. Mama kon zich niet langer vasthouden. ‘Als ik weg ben, kan ik je niet meer bescherm…’ Ze vloog dwars door de kamer de hoorn in.
Een harde klap. De bliksem verdween, miljoenen vonken vlogen in het rond. Een wandkast viel om. De ramen versplinterden.
Mama was weg.
De professor gooide hendels, schakelaars en ventielen om. De machine begon te vertragen.
Ik kon mijn tranen niet langer tegenhouden. Met mijn handen voor mijn gezicht huilde ik.
De professor legde zijn hand op mijn schouder. ‘U heeft goed gehandeld. Haar ziel is eindelijk vrij.’
Niet alleen het glas was versplinterd, maar zelfs de houten kruisen die de ramen in vieren verdeelden.
Terwijl de timmerman ze repareerde, veegde ik de scherven op de klinkers bijeen. Het was benauwd. De zon probeerde vertwijfeld een opening door de smog te vinden.
Ik hoorde een stoomwagen door het steegje puffen. Hij ratelde voorbij en stopte een stukje verderop. Sissend blies hij stoom af.
Ik keek op: Siddemakers De Dion-Bouton. Hij liet de stuurarm los en sprong op de stoep.
‘Wat wilt u?’ Ik deed mijn handen in mijn zij. ‘De huur is volgende week pas.’
‘Goedemorgen, juffrouw Fairweather, ik hoop dat het goed met u gaat.’ Met een grijns onder zijn opgekrulde grijze snor nam hij zijn slappe vilthoed af, zijn kale kruin ontblotend. ‘Ik heb klachten gekregen over het lawaai afgelopen nacht.’ Hij schudde het hoofd. ‘U begrijpt dat dit onacceptabel is. Eerst al dat gespook sinds uw moeders dood. God hebbe haar ziel.’ Hij raakte zijn borst aan met zijn hoed. ‘Laten we hopen dat ze ooit rust…’
‘Dan zult u blij zijn dat ik haar vannacht heb laten uitdrijven,’ viel ik hem in de rede. ‘Ze is vrij.’
‘Uitgedreven?’ Zijn mond viel open.
Even grinnikte ik vanbinnen.
Maar zijn grijns kwam terug toen hij de gebroken kozijnen zag. ‘Veel klanten gehad vandaag?’ Hij lachte. ‘Niet bepaald de juiste entourage om bruidsjurken te passen, nietwaar?’ Hij trok een droevig gezicht. ‘Ik voel met u mee. Al die pech. Eerst het spook dat klanten wegjoeg en nu deze rommel die de rest verjaagt.’
‘Zoals ik al zei: haar geest is weg. Deze rommel vanavond ook. Morgenvroeg ben ik weer open. Geen bange klanten meer.’
‘Het gaat er niet om of hier een spook rondwaart, maar of de mensen denken dat het hier spookt. Wie denkt u dat geloofd zal worden: u, een ongetrouwde vrouw die koppig probeert een eigen winkeltje te drijven? Of de man die de halve stad bezit?’
Ik staarde naar een glasscherf tussen de klinkers voor zijn zwarte, leren laarzen.
‘Hebt u over mijn aanbod nagedacht?’ Hij droeg handschoenen van hetzelfde zwarte leer.
Misselijkheid welde op. Het idee dat zijn handen me zouden aanraken, laat staan dat ik hem tussen mijn benen zou moeten verdragen … ‘Ik heb het u al gezegd: ik zal nooit met u trouwen.’
‘Denkt u er nog eens over na. Dit naaiwinkeltje is malligheid. Uw grootmoeder had dertien kinderen, dus u moet iets van haar vruchtbaarheid hebben geërfd. Maar u bent geen jonge griet meer; u bent de vijfentwintig voorbij. Mijn aanbod is niet eeuwig geldig.’
‘U zult iemand anders moeten vinden om u een erfgenaam te geven. Op de Vuurtorenweg lopen genoeg dames die u alles zouden geven voor de juiste prijs.’
‘U bent nog niet blut genoeg om een goede overeenkomst te waarderen.’ Hij boog en zette zijn hoed op. ‘Ik kan nog even wachten. Ik reken erop dat de huur op tijd zal zijn volgende week.’
Siddemakers bezoekje had me alleen vastberadener gemaakt. De professor en de timmerman hadden me mijn laatste centen gekost. Morgen moest mijn winkel weer open! Dus ik schrobde, veegde en stofte tot ik mezelf zag weerspiegelen in de tafel en de vloer. Ik was nog bezig toen de kerkklokken middernacht begonnen te luien.
Geeuwend plofte ik neer op een kruk aan de kniptafel en legde mijn plumeau neer.
De klokken klonken alsof ze zeiden: ‘Je hebt het gedaan.’
Ik kon mijn ogen niet losrukken van de patronen in het tafelblad.
‘Je hebt het gedaan.’
Kleine gaatjes waar er naalden in hadden gestoken, kerven en krassen waar mama of ik waren uitgeschoten met de schaar, deuken waar we leren flappen hadden platgeslagen.
‘Je hebt het gedaan.’
Ik streelde over de roestrode vlek in het midden. Daar had ik mama gevonden die ochtend vijf maanden geleden. Ze was op de bruidsjurk voor hertogin Mirrowby’s dochter gevallen. Het bloed was uit haar neus op de jurk en het tafelblad gestroomd. Ze was zo koud. Volgens de dokter moest haar hart plotseling bezweken zijn midden in de nacht.
De oude littekens waren nu vergezeld van krassen, deuken en olievlekken door de professors machine. De nieuwe beschadigingen waren dieper en donkerder.
De twaalfde ‘Je hebt het gedaan’ weerklonk. Daarna stilte. Dit is het moment dat mama gisteren verscheen. Plotseling besefte ik hoe leeg het hier nu was; nooit meer zou ik haar zien, gebukt over die naaimachine.
‘Goedenavond, juffrouw Fairweather.’ Een hese, mannenstem recht achter me!
Met mijn hart in mijn keel sprong ik op. Ik draaide me om en zag een doorzichtige, naakte jongeman met een baard en een gapende schotwond in zijn borst.
‘W-w-wie… wat…’ Ik deinsde terug.
‘U hebt ons mevrouw Fairweather ontnomen.’ Een vrouwenstem achter me.
Luidkeels schreeuwend draaide ik me om.
Ik zag recht in de blauwe ogen van een doorzichtig meisje met lang zwart haar. Een gescheurd, vies bedlaken slaagde er niet in om haar zweerbedekte lichaam te bedekken.
Ik sprong opzij en achteruit tot ik de muur tegen mijn rug voelde. Ik duwde me ertegenaan, zo ver mogelijk weg van de twee geesten.
Ze keken me aan met wilde ogen. Plotseling zag ik beweging in mijn ooghoek. Ik keek naar links: een doorzichtige man. Nee, alleen maar een hoofd met een gescheurde bolhoed die uit de muur naast me stak. ‘Je hebt ons mevrouw Fairweather ontnomen.’
Ik stapte opzij, weg van het hoofd.
‘Nu komen we voor jou.’ Een krassende vrouwenstem rechts. Het naakte, doorzichtige lichaam van een oud vrouwtje. Haar benen waren weg. Waar haar kuiten moesten zijn, hing een bloederige massa gescheurde huid en spieren.
Ik was omsingeld!
Alle vier de geesten zweefden op me af.
‘Jij hebt haar ons ontnomen.’ De jongeman met de baard wees naar mij.
‘Jij bent het ons schuldig.’ Het oude vrouwtje wees ook naar me.
Mijn hart klopte in mijn keel, zo snel dat het leek te gaan ontploffen.
‘Dus nu nemen we jou mee,’ zei het meisje.
Tussen de jongeman en het vrouwtje door zag ik de voordeur.
Ik sloot mijn ogen en sprong erop af.
Ik knalde tegen de deur, een pijnscheut in mijn hoofd. Mijn ogen openend greep ik de messing deurknop. Mijn vingers trilden zo erg dat ik hem niet gedraaid kreeg.
Ik keek om.
Grijnzend draaiden de vier geesten zich weer naar mij.
‘Leuk!’ zei de jongeman. ‘Ze wil verstoppertje spelen.’
Ik krabde en klauwde aan de deurknop maar kreeg hem niet rond.
‘Je kunt ons niet kwijtraken,’ krijste het oude vrouwtje. ‘We zijn overal.’
Eindelijk draaide de deurknop. Ik gooide de deur open.
Twee naakte benen stonden op de stoep; waar de heupen moesten zijn, was een bloederige massa van gescheurde huid en spieren.
Ik gilde en gooide mijn handen in de lucht.
De benen kwamen op me af.
‘Ah, daar zijn jullie!’ hoorde ik het oude vrouwtje achter me.
Ik bukte, greep de zoom van mijn jurk en scheurde hem open tot bij mijn heupen. Ik sprong uit alle macht.
Klinkers onder mijn laarzen! Ik was over de benen gesprongen.
Ik keek om. De benen stonden voor de deur. Zo snel ik kon, rende ik naar het gewelf aan het eind van het steegje.
‘Je kunt niet ontsnappen,’ het gekrijs van het oude vrouwtje echode door de steeg. ‘Waar je ook blijft, we krijgen je.’ Ik hoorde haar nog lachen toen ik onder het gewelf door ging.
Op de Hoofdstraat liep ik tegen een jongeman aan met een slappe vilthoed en een stok.
‘Rustig aan, mevrouw.’ Hij glimlachte en nam zijn hoed af.
‘Alsjeblieft, meneer … u moet me helpen!’ Mijn longen piepten. Ik hijgde. ‘Ze zitten achter me aan.’
‘Wie zit achter u aan?’ Hij fronste en zette zijn hoed weer op.
‘Daarachter, met zijn vieren… ze willen me grijpen.’
Hij duwde me opzij. ‘Komt u achter me staan, mevrouw. Ik bescherm u.’ Hij nam zijn stok met beide handen vast en trok er een zwaard uit. ‘Kom tevoorschijn, schavuiten!’ Hij liet de lege stok vallen.
Ik hield de adem in. Het was doodstil.
Met zijn zwaard in de aanslag schuifelde hij naar het gewelf en gluurde om de hoek.
Ik zag beweging in mijn ooghoek: een doorzichtige, naakte jongen vlak achter me, zwevend in de lucht, de linkerkant van zijn gezicht was weg!
Ik gilde en sprong opzij.
De jongeman draaide zich om en zag de naakte jongen. ‘W-wat?’ Hij liet langzaam zijn zwaard zakken.
De jongen stootte een bulderende lach uit en stortte zich op de jongeman.
Ik kroop achter zijn rug.
De geest vloog op zijn gezicht af en ging recht door hem heen. Hij stopte vlak voor mijn gezicht, één oog en enkele schaarse gele tanden grijnsden naar mij.
Ik hoorde het zwaard op de klinkers vallen. De jongeman rende weg.
‘Help me, alsjeblieft!’ schreeuwde ik. Maar hij was al in een zijstraat verdwenen.
‘We zullen je zeker helpen,’ sprak de schorre stem van de geest met de schotwond achter me.
Ik rende weg.
Ik rende zoals ik nog nooit had gerend. Door straten en steegjes, langs kades en kerken. En toen ik moe was, rende ik nog verder. Overal hoorde ik spookachtige lachjes door de straten echoën. Ik dook in een steegje en meteen kwam weer een geest recht op me af. Er kwamen er steeds meer; ze waren overal. Ik rende terug en zag het oude vrouwtje, haar benen een paar meter achter haar aan. Ik dook weg en week uit.
Plotseling struikelde ik over een richel midden op het marktplein en viel op mijn knie.
Een scherpe, stekende pijn.
Ik rolde over de grond, mijn gewonde knie vasthoudend. Bloed sijpelde door mijn vingers.
‘Genoeg gehad, kindje?’ zei het oude vrouwtje.
‘Kom op, rennen,’ zei een andere stem met een lach. ‘We houden van een beetje sport voor we je opvreten.’
Ik sprong op en strompelde verder. Ik voelde geen pijn meer, alleen maar angst.
Ik dook onder een lage brug door en kwam in een pad naast een zijarm van de rivier. Vele bootjes lagen hier afgemeerd.
Ik klom over de reling en sprong op de pier: Auw! Mijn knie.
Dat skiffje met dat zeil eroverheen! Ik rende naar zijn steiger, tilde het zeil op en gleed eronder.
Ik trok het zeil over me heen en gluurde door een spleet naar het pad. Met mijn hand op mijn borst probeerde ik mijn gehijg te bedaren en mijn gehoest in te houden. Mijn longen brandden alsof ze hete kolenrook hadden ingeademd.
Het duurde niet lang voor de eerste geest verscheen vanaf de kant waar ik was gekomen. Een handvol geesten volgden hem.
Ik trilde zo hard dat de riemen begonnen te rammelen. Ik duwde mijn voet ertegenaan. Dat stopte het rammelen, maar niet het trillen.
‘Waar is ze nou?’ De schorre stem van de jongeman met de schotwond.
Er kwamen geesten van alle kanten. Twintig, dertig… ik raakte de tel kwijt.
‘Heb je haar daar niet gezien?’ riep er een.
‘Ze is ook niet in dat steegje,’ zei een andere geest.
‘Ze verstopt zich waarschijnlijk in een boot.’
Angstrillingen liepen over mijn rug.
‘Die is te bang om zich te verstoppen,’ zei de schorre stem. ‘Ze is op de vlucht, precies zoals gepland.’
Zei hij: zoals gepland? Ik draaide mijn oor naar de spleet zodat ik hem beter kon horen.
‘We hebben nog maar een kwartier tot het één uur is,’ zei de krassende stem van het vrouwtje. ‘En we kunnen haar niet eens meer vinden.’
‘Misschien heeft ze al ergens een hartaanval gehad,’ zei de jongeman. ‘En wat maakt het uit? Als we haar vannacht niet krijgen, belagen we haar morgen weer.’
‘Nee,’ brulde een mannenstem. ‘Ik ben het zat om zonder kleren rond te rennen. We hadden meteen haar schedel moeten inslaan met een stok, zoals ik wilde.’
‘Doe niet zo gek,’ zei het vrouwtje. ‘Je weet dat het te veel energie kost om stoffelijk genoeg te worden om met een stok te slaan.’
‘Als we samenwerken, vijf of tien van ons, kunnen we het wel.’
‘We hadden moeten voorkomen dat die teef mevrouw Fairweather uitdreef,’ zei een andere stem.
‘Daarvoor is het te laat,’ zei de jongeman met de schotwond. Hij liet een diepe zucht. ‘We hoeven haar alleen maar zo bang te maken dat ze een hartverlamming krijgt.’
‘We moeten haar eerst vinden.’
‘Jullie zoeken in de steegjes en jullie in die boten,’ zei de jongeman met de schotwond.
‘Om deze arme vrouw het graf in te jagen, voelt nog steeds niet goed,’ zei een meisjesstem.
‘We hebben het hierover gehad, Netty. Ik ga verdomme echt niet eeuwig naakt rondrennen. Niemand hier wil naakt blijven, toch?’
Tientallen geesten brulden: ‘Nee!’
‘Toen mevrouw Fairweather stierf hadden we eindelijk een kleermaakster. Haar dochter heeft haar het hiernamaals in gestuurd, dus moet ze haar plaats innemen.’
De geesten hadden een kleermaker nodig! Had mama daarom geschreeuwd dat ik een fout beging? Tranen sprongen in mijn ogen. Arme mama.
Ik hoorde een geest rond de boten zweven.
Geen tijd voor tranen, Jenny! Ze gaan je hier vinden. Wat moet je doen?
Zei die ene dat ze niet stoffelijk genoeg waren om me te deren? Dan konden ze alleen maar proberen me dood te laten schrikken.
Niet bang zijn, Jenny! Dan kunnen ze je niks doen.
Geesten fluisterden iets naar elkaar in de boot naast me.
Ik greep het zeil. Mijn hand wilde niet stoppen met trillen.
Ik had geen keus, ik moest dit doen. Ik moest ze zonder angst tegemoet treden. Ik maakte een vuist. Niet bang zijn!
‘Wat is dat voor gerammel?’ sprak een geest.
‘Het komt uit die skiff,’ zei een andere.
Mijn tijd was op.
Ik sloeg het zeil terug, greep een van de riemen en sprong op. ‘Stop!’ Ik zwaaide de riem heen en weer. De boot wiebelde. Ik viel bijna overboord. Ik sprong…
…en landde op de steiger.
De twee geesten het dichtstbij deinsden terug met verschrikte gezichten. Maar slechts voor een seconde.
Breed grijnzend stortten ze zich op mij.
Ik zwaaide mijn riem voor me.
De geesten gingen er recht doorheen en toen door mij. Het was waar: ze waren niet stoffelijk!
Mijn hart klopte in mijn keel. Ik beklom voorzichtig de twee treden tussen de pier en het pad. ‘Ik ben niet bang van jullie!’
Geesten kwamen van alle kanten. Tientallen, honderden… Gehuil, gebrul en gelach vulde de nacht.
Ik zag verschrikkelijke gezichten en verscheurde, naakte lichamen op me af vliegen. Ze gingen recht door me heen. Ze voelden aan als een ijzige wind.
Mijn hart sloeg over. Ofschoon ze me niet konden kwetsen, kon ik mijn doodsangst niet stoppen. Als ze zo doorgingen, hoelang kon mijn hart het dan nog volhouden?
Midden op de klinkers van het pad schreeuwde ik: ‘Stop!’
Ze bleven komen.
Ik sloot mijn ogen en haalde diep adem.
‘Stoppen, nu,’ zei ik kalm en zacht, het getril in mijn keel wegdringend. ‘Anders krijgen jullie nooit wat jullie willen. Jullie kunnen me niet aanraken; jullie zijn niet stoffelijk genoeg.’ Ik opende mijn ogen en keek rond. ‘En jullie zijn een te zielig zootje om mij bang te maken.’
De geesten kwamen niet meer op me af. Ze omsingelden me, zweefden rond en keken elkaar verbaasd aan.
‘Wie is jullie leider?’ vroeg ik. ‘Ik wil een overeenkomst sluiten.’
‘Wat voor overeenkomst?’ De naakte jongeman met de schotwond zweefde op me af.
‘Goed gedaan, Jonathan,’ zei ik tegen de doorzichtige jongeman met de schotwond, die met ontbloot bovenlijf voor me zweefde. Ik bukte om zijn broek beter te bekijken. ‘Die leren lap op je knie kan je hele leven mee. Uh, ik bedoel…’
Hij stootte een donderende lach uit.
Ik lachte mee. ‘Probeer hem de volgende keer alleen een beetje rechter erop te krijgen.’
‘Ik ben geen bruidsmeisje,’ zei hij. ‘Het hoeft voor mij niet precies recht.’
‘Je kunt beter voortmaken met je blouse,’ zei ik.
‘Ik moet op Ouwe Betty wachten. Ze is een rok aan het maken.’
Ik keek naar mijn naaimachine. Ouwe Betty draaide aan het vliegwiel terwijl ze een hennep rok erdoorheen voerde. Heel even zag ze eruit zoals mama er altijd had uitgezien. Behalve dan dat ze geen benen had.
‘Een beetje verder van de zoom af knippen,’ zei ik tegen een meisje dat een jurk op tafel aan het knippen was.
Er werd op de deur geklopt. Driemaal. Wie zou er op dit uur van de nacht op de deur kloppen?
Er werd nog eens geklopt.
‘Ik kom al,’ riep ik en opende de deur.
Siddemaker stond bevend op de stoep. Ouwe Betty’s benen waren cirkeltjes om hem heen aan het rennen. Een handvol geesten vlogen rond zijn hoofd, hun gelach echode door de steeg.
‘H-hier is de eigendomsakte van het h-huis, precies zoals je wilde,’ zei Siddemaker. ‘Onderaan tekenen en het huis is van jou. Roep alsjeblieft je spoken terug.’
Ik gniffelde achter mijn hand. ‘Tjee, meneer Siddemaker, u bent toch niet bang van geesten?’
