![]()
Deel I – De auteur achter het werk
- Wanneer werd schrijven voor jou meer dan het vertellen van een verhaal?
Was er een moment waarop je besefte dat je met fictie iets kon onderzoeken, uitdrukken of blootleggen wat op een andere manier moeilijk onder woorden te brengen was?
Finn: Ik schrijf al sinds ongeveer 2000, wel met grote tussenpozen. Rond 2023 begon ik te schrijven met het oog op publicatie. Eerst ging het nog om SF en fantasy, maar een moeilijke kerstavond bij de familie leidde tot het verhaal ‘Ben je dood?’, later gepubliceerd als ‘Philisterland’. Het was mijn eerste autofictiewerk. Ik voelde meteen: hier zit meer in, voorlopig kan ik mij hiermee persoonlijker uitdrukken dan in genrewerk.
Dit ene verhaal maakte een heleboel andere verhalen in me los, allemaal in mindere of meerdere mate op mijn leven gebaseerd. Drie maanden later had ik de eerste versie van een episodische roman, ‘Geluk, dé handleiding’ (later gepubliceerd onder het pseudoniem Marius Vahlkamp). Voor mij was ‘Ben je dood?’ dus een doorslaggevend moment. Ik slaagde er daar in om gezinsdynamiek in beeld te brengen, alsook een zekere zwaarte in me.
Later slaagde ik er beter in om persoonlijke elementen in mijn genreverhalen te verweven. Dat heb ik te danken aan ‘Geluk, dé handleiding’, en meer specifiek aan ‘Ben je dood?’.
- Welke ervaringen, overtuigingen of persoonlijke fascinaties keren steeds terug in je werk?
Zijn dat bewuste keuzes, of herken je bepaalde patronen pas wanneer je terugkijkt op wat je hebt geschreven?
Eerst geef ik mee dat ik alleen de periode vanaf 2023 ernstig neem qua schrijven. Heel soms grijp ik nog eens terug naar vroeger werk, bijvoorbeeld verhalen rond fietsen uit 2013 (zie mijn romantische sprookje ‘Het fietsende meisje’, ook gepubliceerd als ‘Wielsverwant’). Terugkijkend naar mijn eerste echte stappen in 2023 zie ik dat ik vooral probeerde om een plot af te werken. Pas bij iets later werk, als het technische aspect me net iets makkelijker af ging, begonnen weerkerende elementen op te duiken. Waar dat in eerste instantie het thema schuld was (zie mijn roman), blijkt het sinds mijn roman eerder de combinatie van schuld met de vaderfiguur. In veel van mijn verhalen, ook in genreverhalen is een vader aanwezig die echt weegt op wat er gebeurt.
Als ik het heb over ervaringen, dan zie je dat in behoorlijk wat van mijn werk schoolse ervaringen (ik ben leraar) en seksuele ervaringen (ik ben mens) een rol spelen.
Het is verder zo dat de meeste van mijn hoofdpersonen lijdzaam situaties ondergaan. Ze worden belaagd door minidino’s, Congolese maskers, bijtende honden, maar ook door andere mensen die hun zwakheden uitbuiten (vrouwen die zich als dochters of geliefden voordoen … vaak met de toestemming van de hoofdpersoon!) Helden zul je bij mij zelden aantreffen. Ik vind helden niet zo interessant. Ik lees er wel graag over, maar voor mijn eigen schrijven dagen ze mij niet uit. Gemeneriken dan weer wel, ik denk bijvoorbeeld aan generaal Vanderbilt (SF) en Doriac Greysun (fantasy), gezamenlijke creaties van Ruben De Baerdemaeker en mij.
Ten slotte stip ik nog aan dat ik, een beetje tot mijn eigen verbazing, vrij vaak over sport en competitie geschreven heb binnen een SF-context. Wedstrijden zijn natuurlijk een dankbare kapstok voor verhalen, of het nu gaat om kajakken (vind ik in het echt verschrikkelijk), een interstellair kampioenschap tijdreizen of Tiankong (Luchtbal). Over al deze sporten heb ik verhalen gepleegd!
- Welke auteurs hebben je literaire ontwikkeling het sterkst beïnvloed, en waarin is die invloed zichtbaar?
Gaat het om hun taalgebruik, hun wereldbeeld, hun verteltechniek of juist de vrijheid waarmee ze literaire conventies doorbreken?
Ik denk meteen aan David Foster Wallace, in het bijzonder aan zijn roman Infinite Jest. Ik slaag er nog niet in zijn gedetailleerde wereldbouw te benaderen, maar het belang van precies die wereldbouw werd mij door Infinite Jest wel duidelijk. Ik denk ook dat je die humor die in Wallace’ werk zit weerspiegeld ziet in mijn eigen verhalen.
Lewis Carroll heeft me zonder twijfel sterk beïnvloed. Ik verzamel zijn werk en lees en herlees het vaak. Toen ik voor Poespa Producties een bundel mocht samenstellen rond Alice in Wonderland, kon ik me helemaal laten gaan. In januari 2025 schreef ik liefst 25 verhalen, waarbij precies de Alice-verhalen de motor vormden.
Ik lees graag H.P. Lovecraft, en heel soms merk ik eens een invloed van hem in mijn horrorwerk. Vaker is het echter zo dat in mijn horror de alledaagse werkelijkheid wordt geconfronteerd met een absurd element dat zich almaar meer als dreigend manifesteert. Maar ja, ik heb ook wel twee kosmische horrorverhalen geschreven. Is dat veel? Dat nu weer niet, maar net in die verhalen bespeurde ik wel HPL’s invloed.
Voor mijn SF is Philip K. Dick van groot belang geweest. Zijn verhaalopbouw, heldere taal, zijn paranoia en zijn humor: allemaal geweldig. Ik heb veel werk van Dick gelezen, en het kan niet anders dan dat er daar een glimp van te zien is in mijn werk. Heel concreet kan ik de invloed echter niet duiden, op het feit na dat ik in wat langere verhalen vaak een meervoudig perspectief hanteer. Dat deed Dick ook vaak in zijn romans. (Hij deed het natuurlijk beter dan ik.)
In ons eigen taalgebied denk ik aan de membraantrilogie van Eddy C. Bertin (de beste Nederlandstalige SF/horror ooit, wat mij betreft) en aan Frank Roger. Het pure frankrogerisme laat ik aan de beste man zelf over – hij is onnavolgbaar. Maar zijn werk, steeds van hoge kwaliteit, heeft me zeker beïnvloed. Een zekere mate van absurditeit (maar anders dan bij Frank) is door zijn oeuvre ook in mijn werk geslopen. Om terug te keren naar Eddy C. Bertin: ik denk dat ik bij hem vooral door sfeer ben beïnvloed en door hoe hij personages neerzet.
Ten slotte is het zo dat zowat zes maanden tot een jaar na mij Ruben De Baerdemaeker fictie is beginnen schrijven. (Hij schreef wel al lang non-fictie.) Doordat wij elkaars werk becommentariëren en redigeren, hebben we elkaar zeker beïnvloed. Ruben heeft een heel fraaie stijl, hanteert een doordachte woordkeus en zijn personages zijn bijzonder geloofwaardig. Ik mag hopen dat een aantal van die elementen ook bij mij een beetje terug te vinden zijn. Over de personages: door mijn eigen roman ‘Geluk’ ben ik er wel beter in geslaagd om latere personages meer diepgang te geven.
- Hoe verhoud je je als schrijver tot de werkelijkheid?
Gebruik je fictie om de wereld beter te begrijpen, om haar te bevragen, of juist om werkelijkheden te creëren die buiten onze dagelijkse ervaring liggen?
Interessante vraag! Ik gebruik fictie in eerste instantie om mezelf, in tweede instantie de ander en pas in derde instantie de maatschappij beter te begrijpen. Daaruit volgt dat ik niet noodzakelijk een maatschappijkritisch schrijver ben, ook al sijpelt er best wel eens wat door in mijn verhalen. Maar de meeste van mijn verhalen, en zeker van mijn gedichten gaan, eh, om mij. Pijnlijk? Ik weet het niet. Het is bij veel auteurs het geval. Sommigen geven dat toe, anderen smukken de boel wat op. Maar geloof me, veel mensen schrijven over en voor zichzelf. Het is ook moeilijk om je eigen leven, opinies en ervaringen uit je werk weg te houden. Waarom zou je dat ook doen.
Maar ik schrijf dus vaak om driften en angsten in mezelf te begrijpen. Dat vormt zelden de concrete aanzet tot een verhaal (vaak wel de aanzet tot een gedicht), maar hoe het verhaal zich verder ontwikkelt … daar onderzoek ik mezelf.
- Wat trekt je aan in de onderwerpen en genres waarover je schrijft?
Zijn er thema’s die je bewust opzoekt, en onderwerpen die je juist vermijdt omdat ze je niet interesseren, te dichtbij komen of moeilijk te verbeelden zijn?
De onderwerpen behandelde ik hierboven al, dus zal ik het hier hebben over thema’s.
SF: geeft me een kans om toch over de maatschappij te praten.
Horror: zelfonderzoek!
Fantasy: hier gaat het een beetje alle kanten op bij mij, en dat komt ongetwijfeld ook omdat ik vrij weinig fantasy heb gelezen. Fantasy op zich trekt mij niet zo aan. Wat ik er zelf mee kan doen, als auteur, dat vind ik wel spannend. Maar ik lees niet noodzakelijk graag fantasy.
- Hoe heeft je kijk op literatuur zich ontwikkeld sinds je begon te schrijven?
Zijn er opvattingen over wat een goed verhaal moet zijn die je inmiddels hebt losgelaten? En zijn er literaire principes waaraan je juist steeds sterker vasthoudt?
Daarnaast is het zo dat ik altijd al van pulp heb gehouden, en nu ik zelf aan hoog tempo verhalen spui (van wisselende kwaliteit, we zeggen het zoals het is) kan ik pulp en broodschrijverij (géén synoniemen!) nog meer appreciëren.
Ik heb meer appreciatie gekregen voor twee uitersten: experimentele verhalen en verhalen met een onwrikbare logica. Als voorbeeld voor die laatste categorie: het werk van Frank Roger.
Expliciet literaire principes hanteren vind ik gevaarlijk. Het kan tot verarming van je werk leiden, eerder dan dat je werk scherper wordt. Zo denk ik er toch over. Er zijn dus geen heilige huisjes voor mij.
- Welke rol speelt de lezer tijdens het schrijven?
Schrijf je voor een denkbeeldig publiek, voor jezelf, of voor een ideale lezer die bereid is zich intellectueel en emotioneel te laten uitdagen?
Ik schrijf voor mezelf en heb nooit een lezer in gedachten. Dat zou mij blokkeren! Daarom ook dat ik ‘Geluk’ schreef onder pseudoniem. Zo kon ik vrij schrijven – vrij van mezelf en vrij van veronderstelde lezers.
Ik denk dat dit ook samenhangt met het feit dat ik niet noodzakelijk een sterke (ethische) boodschap aan mijn lezers wil overdragen. Of het zou mildheid voor jezelf en de ander moeten zijn. Hoera, lekker klef!
- In hoeverre beschouw je schrijven als een vorm van zelfonderzoek?
Ontdek je tijdens het schrijven weleens opvattingen, angsten of verlangens waarvan je je vooraf niet bewust was? En hoeveel van de auteur mag een lezer volgens jou in diens personages zoeken?
Ik ontdek zulke opvattingen, angsten en verlangens vooral bij het nalezen en bewerken van verhalen, niet bij het initiële schrijfproces. Waar ik ze bij de redactie ‘ontmoet’ geef ik ze dikwijls nog scherper vorm. Een lezer mag in mijn personages zeker en vast veel van mezelf herkennen, zowel in de hoofdpersoon die ondergaat als in de hoofdpersoon die anderen laat lijden. Misschien daarom ook dat mijn werk weinig helden telt – ik ben zelf geen held. Wie wel?
- Wat maakt een literair werk voor jou werkelijk waardevol?
Is dat de schoonheid van de taal, de originaliteit van het idee, de psychologische diepgang, de emotionele uitwerking of iets dat zich moeilijker laat definiëren?
Een voorspelbaar antwoord: een combinatie van dit alles. Daarbij moet wel gezegd dat enkel de schoonheid van de taal een beetje dunnetjes is om een werk waardevol te maken. Bij poëzie kan dit volgens mij dan weer zeker wel.
Over originele ideeën: als je je ervan bewust bent dat (bijna) alles al eens is gedaan, werkt dat – als schrijver – erg bevrijdend. Ik ben dus niet noodzakelijk op zoek naar originele ideeën als ik schrijf. Hoe je je ideeën precies uitwerkt, daarin kan je je als auteur wel onderscheiden.
- Wat probeer je als schrijver te bereiken dat je tot dusver nog niet is gelukt?
Denk daarbij niet noodzakelijk aan publicaties of erkenning, maar aan literaire ambities, technische uitdagingen of verhalen die je nog niet hebt weten te vertellen.
Ik zou graag een echte roman schrijven. ‘Geluk’ zweeft tussen een episodische roman (het lange eerste deel is duidelijk zo’n roman) en een verhalencyclus (lees: de rest van een roman). Het komt nog wel. Hiervoor moet ik meer ruimte hebben in mijn hoofd, en minder andere schrijfprojecten. Afspraak in 2067 dus!
Deel II – Het ambacht van het schrijven
- Hoe zou je je eigen schrijfstijl karakteriseren, en welke stilistische keuzes maak je bewust?
Denk aan zinslengte, ritme, woordgebruik, beeldspraak en de verhouding tussen beschrijving en handeling. Is je stijl in de loop der jaren veranderd, en zo ja, waardoor?
Mijn zinnen zijn vaak niet erg lang. Als het zonder bijzinnen kan, graag. Anderzijds heb ik in de afgelopen jaren wel geleerd om zinslengte te variëren. Redactie van twee verhalen van me door Charles van Wettum (eentje werd gepubliceerd, namelijk ‘Los’/’Kooi’/’Geweest’, het andere is nog steeds in ontwikkeling) heeft me hierbij sterk geholpen.
Woordgebruik: ik merk op alle vlakken een vereenvoudiging van mijn stijl en taalgebruik. Veel Vlaamse woorden verdwijnen langzaam uit mijn oeuvre. Ik mik vooral op heldere taal, minder op barokke taal. Vroeger leunde ik wel op die barokke taal, maar ik heb dat minder in mij dan bijvoorbeeld een Tais Teng, die daar wel nog steeds glasheldere verhalen uit weet te puren.
Over de verhouding tussen beschrijving en handeling: ik werk vrij weinig met beschrijvingen. Vaak voeg ik ze pas in de latere redactierondes toe. Voor mij staat de handeling (of: de niet-handeling!) centraal. Een beschrijving zal bij mij in elk geval nooit het verhaal ‘dicteren’.
- Hoe bepaal je de vertelstem en het perspectief van een verhaal?
Wat maakt dat je kiest voor een ik-verteller, een personale verteller of een alwetend perspectief? En hoe gebruik je de beperkingen van dat perspectief om spanning, ambiguïteit of psychologische diepgang te creëren?
Ik ken auteurs die vooraf heel bewust een vertelperspectief kiezen. Dat doe ik nooit. Ik begin aan een verhaal (meestal een titel, een beginzin of één beeld) en na een paragraaf of twee weet ik dan: ha, het wordt dit of dat perspectief. Ik kom daar ook nooit meer op terug. Ik ben geen auteur die verhalen gaat herschrijven om eens te zien of een ander perspectief een beter verhaal oplevert. Op dat vlak heb ik weinig geduld. Anderzijds: twaalf tot zestig redactierondes zijn me niet te veel. Zo zie je maar.
Een alwetend perspectief hanteer ik haast nooit. Helemaal in het begin deed ik het wel, maar ten eerste wordt het nu nog zelden gehanteerd in de scene en daarbuiten (op sprookjes na) en ten tweede daagt zo’n perspectief me ook niet uit. Ik wil ‘dicht bij de lezer’ blijven, en dat kan vooral via een ik-verteller en een personale verteller. De hoofdpersoon is voor mij de verbinding tussen de auteur en de lezer. Dit ervaar ik veel minder als ik vanuit een alwetend perspectief schrijf.
- Hoe ga je om met de diepere thematische en symbolische lagen in je verhalen?
Ontstaan metaforen, motieven en terugkerende symbolen bewust tijdens het ontwerpen, of groeien ze organisch uit het schrijfproces? Hoe voorkom je dat symboliek te nadrukkelijk of verklarend wordt?
Ze groeien steeds organisch uit mijn schrijfproces. Ik zet nooit iets vooraf op papier. (Behalve uitzonderlijk eens een plot. Maar zeker geen thema’s, gevoelens, metaforen, motieven en symbolen). Als ik merk dat motieven terugkeren eens ik aan het schrijven ga, kijk ik in welke mate ze functioneel blijken voor het verhaal. Hetzelfde geldt voor symbolen. En dan beslis ik of ik ze nog vaker ga inzetten in het verhaal, of net niet.
- Hoe bouw je een verhaal op, en welke rol speelt structuur in je creatieve proces?
Werk je vanuit een vooraf ontworpen compositie, of ontdek je de vorm tijdens het schrijven? Hoe bepaal je waar een verhaal begint, wat je weglaat en op welk moment het moet eindigen?
Ik werk vrijwel nooit met een vooraf ontworpen compositie; zoiets zou me de adem afsnijden. Het gebeurt wel dat ik in de redactie nog de structuur van het verhaal omgooi. Bij het schrijven van een eerste versie valt me vaak na driekwart van het verhaal in: aha, zo ga ik eindigen.
- Hoe ontwikkel je personages die psychologisch overtuigend zijn, ook wanneer hun wereld of gedrag ver van de werkelijkheid afstaat?
Hoe verhoudt hun innerlijke logica zich tot de eisen van het plot? En wat doe je wanneer een personage zich tijdens het schrijven anders ontwikkelt dan je oorspronkelijk had voorzien?
Mijn personages (lees: versies van mezelf) sturen het plot wel eens vaker een andere richting uit. Daar heb ik echt geen probleem mee. Ik zie wel waar de hoofdpersoon mij brengt. Ik zit veelal diep in de beleving van de hoofdpersoon zelf, en dan kan het – in mijn ervaring toch – niet echt misgaan met hoe het verhaal zich ontwikkelt.
Samenvattend: veel van mijn personages ondergaan het plot lijdzaam – ze zijn geen actoren – maar hoe ze denken en voelen bepaalt wel sterk het plot. Ze laten toe en sturen mee hoe hen iets (vreselijks) wordt aangedaan.
- Welke plaats neemt research in binnen je schrijfproces?
Hoe onderzoek je historische, wetenschappelijke, culturele of psychologische onderwerpen? Waar ligt voor jou de grens tussen noodzakelijke nauwkeurigheid en artistieke vrijheid, en hoe voorkom je dat opgedane kennis de vertelling gaat overheersen?
Voor sommige verhalen doe ik research tijdens het schrijven. Ik krijg snel kramp bij het schrijven met een (bal)pen, dus ik werk altijd op een laptop. Al gauw heb ik bij een verhaal drie tot zes tabbladen openstaan. Eens wat opzoeken op Wikipedia etc. Ik doe dus geen research vooraf, ik doe onderweg de research die ik nodig heb bij de verhaalontwikkeling.
Over noodzakelijke nauwkeurigheid en artistieke vrijheid: ik neig toch wat meer naar nauwkeurigheid. Misschien kan ik moeilijk loslaten? Dat zit een beetje in mijn persoonlijkheid, geloof ik.
Dat opgedane kennis een verhaal gaat overheersen, is zeker een reëel gevaar. Net daarom doe ik op voorhand nooit maar dan ook nooit research. En als mijn verhaal dan klaar is, let ik er in de achthonderdzevenendertig redactierondes wel op dat ik niet te veel info spui. Vaak misluk ik daar toch nog in, hoewel het bij de recentere verhalen beter lijkt te lukken.
- Hoe gebruik je taal om meer over te brengen dan er letterlijk staat?
Welke rol spelen subtekst, stiltes, suggestie, dubbelzinnigheid en het bewust achterhouden van informatie? Vertrouw je erop dat de lezer zelf betekenis construeert, of probeer je diens interpretatie te sturen?
Oeh, spelen met taal vind ik heel belangrijk! Ik mag dan wel naar heldere zinnen streven, maar vooral stiltes spelen in mijn verhaal een grote rol. Ik hou van de stilte tussen zinnen, in dialogen, tussen en zelfs binnen scènes.
Informatie bewust achterhouden: dit vind ik steevast een uitdaging. Dit is een van de redenen waarom ik nog steeds zelf schrijfles volg: informatiedosering. Hoe vaker je je verhaal herwerkt, hoe beter die dosering overigens wordt. Ik ben niet het soort auteur die een verhaal er in één keertje uitbraakt, en dat de brokjes dan meteen helemaal goed liggen. Leuk beeld, hè? Smakelijk!
Ik probeer de interpretatie van de lezer een beetje te sturen. Maar onderschatting en overschatting van de lezer behoren tot de grootste uitdagingen voor mijn schrijven.
- Hoe beoordeel je de literaire kwaliteit van je eigen werk tijdens het herschrijven?
Waar let je op wanneer een eerste versie voltooid is? Hoe onderscheid je een passage die stilistisch geslaagd is van een passage die vooral mooi klinkt, maar weinig toevoegt? En wanneer besluit je iets te schrappen?
Ik schrap nogal makkelijk. In de meeste gevallen wordt het verhaal daar beter van. Ik hou wel de eerdere versies bij, om nog eens mee te vergelijken. Passages die vooral mooi klinken gaan eruit. Alles moet functioneel zijn binnen het verhaal. En de sfeer moet het verhaal dienen, niet omgekeerd. Ik heb het hier nu natuurlijk niet over vormexperimenten, maar over het grootste deel van mijn werk.
Ik heb daarnaast veel aan andere auteurs die mijn werk nalezen en beoordelen. Een frisse blik wérkt.
- Hoe verhouden originaliteit, literaire traditie en genreconventies zich tot elkaar in je werk?
Welke conventies gebruik je bewust, welke probeer je te ondermijnen en wanneer vind je dat een verhaal werkelijk iets nieuws toevoegt? Kan een verhaal volgens jou literair vernieuwend zijn zonder formeel experimenteel te worden?
Ik zet zeker en vast dikwijls conventies in. Dat komt me voor alle duidelijkheid gewoon aanwaaien bij het schrijven; het is geen bewuste zet. Is het luiheid, is het gemakzucht, gaat het om het feit dat ik heel veel produceer? Ik weet het niet. Maar als je mijn verhalen leest, zal je zien dat er vaak conventionele vormen en structuren blijken in te zitten, net als standaardzinnen en -beelden. Dat klinkt niet zo lovend over mezelf. Maar vernieuwend zou ik mijn eigen werk nu niet bepaald noemen. Dat is oké, niet elke auteur moet grenzen verleggen. Het is daarnaast ook zo dat ik me graag in een literaire traditie inbed; ik schrijf me graag in het werk van anderen in. Daarom ook schrijf ik behoorlijk veel duo- en trioverhalen. En daarom ook grijp ik vaak terug naar wat auteurs vóór mij hebben geschreven.
Of ik conventies probeer te ondermijnen? Ja, maar dan vooral via mijn personages, die toch iets anders in elkaar blijken te steken dan wat de opening of enkele clichés laten vermoeden.
- Wat moet er volgens jou onder de oppervlakte van een verhaal aanwezig zijn om het de lezer werkelijk bij te laten blijven?
Wat onderscheidt een technisch goed geconstrueerd verhaal van een verhaal dat na de laatste zin blijft doorwerken? En hoe probeer je die blijvende zeggingskracht in je eigen werk te bereiken?
Een goed verhaal ontroert voor mij de lezer. Mijn maatstaf daarbij is dat het verhaal ook mezelf ontroert. Dit gebeurt enkel als ik een stukje van mezelf in het verhaal kan leggen: een gevoel, een angst, een drift. Niet al mijn verhalen steken zo in elkaar. Ik heb dan ook minder een band met verhalen die meer plot zijn dan de veruitwendiging van mijn emotionele toestand. En met deze pompeuze zin sluit ik graag dit interview af. Dank je voor de boeiende vragen!
